Verbintenissenrecht

Betaling parkeergeld en schadevergoeding. Volgens eisende partij is tussen partijen een (parkeer)overeenkomst…

Rechtbank Amsterdam, 19 december 2025

Zaakgegevens

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
19 december 2025
Datum publicatie
23 december 2025
Zaaknummer
11860277 \ CV EXPL 25-11966
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2025:10475
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Betaling parkeergeld en schadevergoeding. Volgens eisende partij is tussen partijen een (parkeer)overeenkomst tot stand gekomen. Het voertuig waarvan het kenteken op naam van gedaagde partij staat, is op onrechtmatige wijze althans in strijd met de overeenkomst uitgereden door in samenspraak en met gebruikmaking van het ticket van het voertuig achter hem uit te rijden, om zo de verschuldigde parkeerkosten te ontwijken. De aangevoerde (feitelijke) gronden kunnen het gevorderde niet dragen en de vordering wordt daarom afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11860277 \ CV EXPL 25-11966

Vonnis van 19 december 2025

in de zaak van

Q-PARK OPERATIONS NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Maastricht,

eisende partij,

hierna te noemen: eisende partij,

gemachtigde: mr. C.F.P.M. Spreksel,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: gedaagde partij,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Bij dagvaarding van 26 augustus 2025, met producties, heeft eisende partij een vordering ingesteld tegen gedaagde partij.

1.2.

Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en evenmin geantwoord, zodat tegen hem verstek is verleend. Daarna is een datum voor vonnis bepaald.

2 De gronden van de beslissing

2.1.

Eisende partij vordert dat gedaagde partij wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 382,41 aan schadevergoeding, € 29,00 aan verschuldigd parkeergeld en € 61,71 aan buitengerechtelijke kosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten. Volgens eisende partij is tussen partijen een (parkeer)overeenkomst tot stand gekomen. Het voertuig waarvan het kenteken op naam van gedaagde partij staat, is op onrechtmatige wijze althans in strijd met de overeenkomst uitgereden door in samenspraak en met gebruikmaking van het ticket van het voertuig achter hem uit te rijden, om zo de verschuldigde parkeerkosten te ontwijken. Gedaagde partij is op grond van artikel 5.5 van de algemene voorwaarden schadevergoeding en parkeergeld verschuldigd.

2.2.

Ter onderbouwing van haar vordering heeft eisende partij een screenshot overgelegd van de camerabeelden waarop de gedraging van gedaagde partij is vastgelegd.

2.3.

De kantonrechter stelt vast dat op de foto een voertuig te zien is, welke staat voor een gesloten slagboom, naast de kaartlezer.

2.4.

De kantonrechter constateert dat daarmee de feiten zoals aangevoerd door eisende partij de stellingen van eisende partij ten aanzien van de grondslag van de vordering onvoldoende onderbouwen. eisende partij stelt namelijk dat gedaagde partij in samenspraak en met gebruikmaking van het ticket van het voertuig achter hem uit is gereden. Dit veronderstelt dat op de foto een voertuig te zien moet zijn áchter het voertuig waarvan het kenteken op naam van gedaagde staat. Onderaan de foto is een gekleurde streep te zien, maar dat dit een ander voertuig betreft is niet vast te stellen. Dit terwijl eisende partij eenvoudig een ander screenshot van de camerabeelden over had kunnen leggen waarop dit wel duidelijk te zien is. De aangevoerde (feitelijke) gronden kunnen daarmee het gevorderde niet dragen. De kantonrechter zal de vordering van eisende partij daarom afwijzen.

2.5.

Eisende partij is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van gedaagde partij worden begroot op nihil.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst de vorderingen van eisende partij af,

3.2.

veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025.

57327