Verbintenissenrecht
Geschil over bouwtijdoverschrijding en gebreken appartement. Contractuele schadevergoeding wegens…
Rechtbank Amsterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10401 · Rechtbank Amsterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-10401
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/13/783036 / HA ZA 26-103
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. L.J. Verheij, mr. L.M. Goeree
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10401
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Geschil over bouwtijdoverschrijding en gebreken appartement. Contractuele schadevergoeding wegens bouwtijdoverschrijding toegewezen: de aannemer heeft onvoldoende onderbouwd dat de aangevoerde omstandigheden tot onwerkbare dagen hebben geleid. Geen bouwtijdverlenging of matiging. De aannemer moet verder een deel van de gebreken herstellen, onder meer omdat sprake is van een gerechtelijke erkentenis (art. 154 Rv).
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/783036 / HA ZA 26-103
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
1 [eiser 1] ,
2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisers,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. L.J. Verheij,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
WEEVER BOUW B.V.,
gevestigd te Kampen,
gedaagde,
hierna te noemen: Weever,
advocaat: mr. L.M. Goeree.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 29 januari 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 24 juni 2026, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 17 augustus 2026 en de daarin genoemde stukken.
Ten slotte is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.
2 De feiten
Op 1 februari 2022 hebben [eisers] een aannemingsovereenkomst met Weever gesloten voor de bouw van een appartement in gebouw [locatie] (hierna: de woning). De aanneemsom bedroeg € 483.411,46.
De aannemingsovereenkomst (hierna: de overeenkomst), waarin [eisers] als ‘Opdrachtgever’ worden aangeduid en Weever als ‘Deelnemer’, bepaalt in artikel 5 lid 1 het volgende:
“De Deelnemer verbindt zich het privé gedeelte binnen 300 (driehonderd) werkbare werkdagen na de aanvang van de bouw van het gebouw geheel voor bewoning gereed aan de Opdrachtgever op te leveren in de zin van artikel 11 lid 4 van de algemene voorwaarden.”
In artikel 17 van de overeenkomst zijn de ‘Algemene Voorwaarden voor de aannemingsovereenkomst voor appartementsrechten’, vastgesteld door BouwGarant op 1 januari 2020 (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing verklaard. Hierin staat voor zover relevant het volgende opgenomen:
“ARTIKEL 11 - Werkbare werkdagen en oplevering
1. Werkdagen worden als onwerkbaar beschouwd wanneer daarop door omstandigheden buiten de aansprakelijkheid van de Deelnemer gedurende tenminste vijf uren door het grootste deel van de werknemers of machines niet kan worden gewerkt. Niet als werkdagen worden beschouwd de algemeen erkende, door de overheid dan wel bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst voorgeschreven rust- en feestdagen, vakantiedagen en
andere vrije dagen, alsmede de door de directie van de Deelnemer in overleg met de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging vastgestelde collectieve vakantiedagen en andere roostervrije dagen.
(…)
5. Bij overschrijding van het aantal werkbare werkdagen als omschreven in artikel 5 lid 1 van de aannemingsovereenkomst en ook, indien een door de Deelnemer reeds aangekondigde oplevering van het privégedeelte wordt opgeschort, zal de Deelnemer zonder ingebrekestelling aan de opdrachtgever een gefixeerde schadevergoeding van 0,25 ‰ (promille) van de aanneemsom per kalenderdag verschuldigd zijn. (…)
ARTIKEL 15 - Onderhoudsperiode met garantie en aansprakelijkheid van de Deelnemer
1. Onverminderd zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 14 lid 1 garandeert de Deelnemer rechtstreeks ingevolge deze voorwaarden het gebouw en de privégedeelten gedurende zes maanden na de datum van oplevering tegen daarin aan de dag getreden tekortkomingen. Klachten dient de opdrachtgever binnen genoemde garantieperiode en binnen bekwame tijd na de ontdekking van de tekortkoming schriftelijk aan de Deelnemer kenbaar te maken, in welk geval de Deelnemer onverwijld zal overgaan tot het nodige herstel.
2. Na de in het eerste lid van dit artikel genoemde periode is de Deelnemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen aan het gebouw en de privé-gedeelten (…)
c. tenzij het gebouw of het privé-gedeelte of enig onderdeel daarvan een verborgen gebrek bevat en aan de Deelnemer van zodanig verborgen gebrek binnen bekwame tijd na de ontdekking mededeling is gedaan; (…)”
Op 9 juni 2022 is de bouw gestart en op 16 juli 2024 is de woning opgeleverd.
Bij brief van 16 augustus 2024 hebben [eisers] Weever aangesproken op de overschrijding van de afgesproken bouwtijd en de daaraan gekoppelde schadevergoeding.
Bij brief van 24 december 2024 hebben [eisers] een overzicht van gebreken aan hun woning aan Weever gestuurd en haar verzocht deze te herstellen. Ook hebben zij (opnieuw) aanspraak gemaakt op een vergoeding voor bouwtijdoverschrijding.
[eisers] hebben de laatste 5% van de aanneemsom in depot gesteld bij de notaris.
Op 8 oktober 2025 heeft [naam] , een bouwdeskundige, de nog aanwezige gebreken bij [eisers] opgenomen in een ‘procesverbaal opname klachten’.
3 Het geschil
[eisers] vorderen na eiswijziging - samengevat – dat de rechtbank Weever bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om:
I. aan [eisers] een bedrag van € 30.213,22 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2024;
II. binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis de ontbrekende onderdelen te hebben geplaatst en de onder r.o. 4.23 genoemde gebreken te hebben hersteld, op straffe van een dwangsom;
III. aan [eisers] een bedrag van € 972 te betalen aan schadevergoeding voor het kleurverschil van de tegels, te vermeerderen met de wettelijke rente als Weever dit bedrag niet binnen veertien dagen na het vonnis heeft voldaan,
IV. aan [eisers] de proceskosten en de tolkkosten te betalen, welke voorlopig zijn begroot op € 695,75, te vermeerderen met tolkkosten voor eventuele uitloop van de mondelinge behandeling, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eisers] leggen aan hun vorderingen kort gezegd ten grondslag dat sprake is van een bouwtijdoverschrijding van 250 kalenderdagen, zodat zij recht hebben op de contractuele schadevergoeding daarvoor. Verder zijn er nog openstaande gebreken aan de woning die tijdens de onderhoudstermijn zijn ontstaan, door Weever zijn erkend of als verborgen gebreken kunnen worden gekwalificeerd. Daarom moet Weever deze gebreken herstellen en wat betreft de badkamertegels een vervangende schadevergoeding betalen, aldus steeds [eisers]
Weever voert verweer. Weever concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daartoe voert Weever aan dat er 145 onwerkbare dagen zijn ontstaan door omstandigheden die buiten haar aansprakelijkheid vallen, zodat zij geen schadevergoeding verschuldigd is. Subsidiair bestaat er reden tot bouwtijdverlenging of matiging van de schadevergoeding. Verder hoeft slechts een deel van de door [eisers] genoemde gebreken hersteld te worden, aldus steeds Weever.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De rechtbank gaat eerst in op de overschrijding van de bouwtijd, daarna komen de gebreken aan bod.
overschrijding bouwtijd
Partijen hebben afgesproken dat Weever de woning binnen 300 werkbare werkdagen oplevert na aanvang van de bouw. Partijen zijn het erover eens dat de bouw aanving op 9 juni 2022 en de woning op 16 juli 2024 is opgeleverd, maar zijn het niet eens over het moment waarop de 300 werkbare werkdagen zijn verstreken.
[eisers] stellen dat de 300 werkbare dagen zijn verstreken op 10 november 2023. Dat onderbouwen zij aan de hand van een overzicht van [internetsite], waaruit volgt welke dagen onwerkbaar waren vanwege van het weer, en een totaaloverzicht van werkbare dagen waarin ook alle rust-, feest- en vakantiedagen zijn opgenomen.
Weever betwist dat er 300 werkbare dagen verstreken waren op 10 november 2023 en voert aan dat er diverse vertragingsomstandigheden speelden die op grond van artikel 11 lid 1 van de algemene voorwaarden buiten haar aansprakelijkheid liggen. Door deze omstandigheden zijn 145 onwerkbare dagen ontstaan, zodat [eisers] geen recht hebben op de gevorderde schadevergoeding, aldus Weever.
De rechtbank stelt voorop dat [eisers] voldoende onderbouwd hebben dat sprake is van een overschrijding van de bouwtijd. Het beroep van Weever op onwerkbare dagen is een bevrijdend verweer, waarvan zij de stelplicht en (indien daaraan wordt toegekomen) de bewijslast heeft. Het is dus aan Weever om aan te tonen dat er gedurende de bouw 145 onwerkbare dagen waren. Uit artikel 11 lid 1 van de algemene voorwaarden volgt dat het daarbij gaat om dagen waarop voor ten minste vijf uren door het merendeel van de werknemers of machines niet kon worden gewerkt. Weever heeft drie verschillende oorzaken voor de onwerkbare dagen aangevoerd: (i) wijzigingen in constructietekeningen, (ii) houttekorten en (iii) vertraging in de aansluiting van nutsvoorzieningen. Deze oorzaken worden hierna achtereenvolgens besproken.
i. wijzigingen in constructietekeningen
Weever stelt dat tijdens de bouw de constructietekeningen van de fundering werden gewijzigd. De laatste definitieve wijzigingen werden begin december 2022 doorgevoerd, waardoor Weever pas halverwege december 2022 de begane grondvloer kon storten. Omdat de funderingswerkzaamheden stillagen, zijn in de maanden september tot en met december 2022 70 (14 weken x 5 werkdagen) onwerkbare dagen ontstaan, aldus Weever. [eisers] betwisten dit en voeren aan dat Weever niet heeft onderbouwd dat de wijzigingen in de constructietekeningen tot 70 onwerkbare dagen hebben geleid.
Op zichzelf zouden late wijzigingen in constructietekeningen een omstandigheid kunnen zijn die tot onwerkbare dagen leidt. De rechtbank moet echter wel kunnen vaststellen hoeveel onwerkbare dagen die late wijzigingen hebben veroorzaakt, en Weever moet het aantal onwerkbare dagen - gezien de betwisting van [eisers] - onderbouwen. Dat heeft zij, gelet op het volgende, onvoldoende gedaan.
Ten eerste spreken de overgelegde tijdlijn van de kelderbouwer van Weever en Weevers toelichting daarop, tegen dat de funderingswerkzaamheden tussen september en december 2022 geheel hebben stilgelegen. Uit de tijdlijn van de kelderbouwer volgt dat in die maanden juist wel funderingswerkzaamheden hebben plaatsgevonden. In de tijdlijn staat immers dat is gestart met de fundatie van de kelder op 8 september, de kelder rond 1 november is gestort, dat omstreeks 15 november is gestart met de fundering aan de zijde van de trafo en dat op 2 december de fundatie aan de trafozijde is gestort. Dat komt niet overeen met het standpunt dat in die maanden de funderingswerkzaamheden stillagen en in die periode meer dan vijf uur per dag aaneengesloten niet kon worden gewerkt. Ten tweede heeft Weever nagelaten om het aantal onwerkbare dagen te onderbouwen met bijvoorbeeld planningen, logboeken, urenstaten of andere bewijsstukken. Het is daardoor voor de rechtbank niet mogelijk om vast te stellen of de wijzigingen in de constructietekeningen inderdaad tot 70 (of een ander aantal) onwerkbare dagen hebben geleid. Weever heeft dus onvoldoende onderbouwd dat er 70 onwerkbare dagen zijn ontstaan door de wijzigingen in de constructietekeningen.
ii. houttekorten door Oekraïneoorlog
Weever stelt dat er door het uitbreken van de Oekraïneoorlog houttekorten zijn ontstaan. Aangezien de volledige constructie van het gebouw bestond uit hout (houtskeletbouw (HSB) en Cross Laminated Timber (CLT)) en dit niet tijdig beschikbaar was, kon Weever pas twee maanden later dan gepland beginnen met de houtconstructie. Door de houttekorten zijn dus 40 onwerkbare dagen ontstaan, aldus Weever.
[eisers] betwisten dat en voeren aan dat Weever niet heeft aangetoond dat sprake was van een houtschaarste, waarom een houtschaarste impact zou hebben gehad en tot hoeveel onwerkbare dagen dat heeft geleid.
De rechtbank oordeelt dat Weever onvoldoende heeft onderbouwd dat door de houttekorten onwerkbare dagen zijn ontstaan. De algemene stelling dat de Oekraïneoorlog houttekorten heeft veroorzaakt, is daarvoor niet voldoende. Er is namelijk niet aangetoond dat (bepaalde) houtleveringen vertraagd waren en dat daardoor op bepaalde dagen niet gewerkt kon worden. Weever heeft alleen een e-mail van 2 november 2022 van TABS overgelegd, een houtleverancier die hout leverde aan WEBO, een houtleverancier van Weever. Daaruit volgt weliswaar dat er houttekorten zijn geweest, maar het toont niet aan dat er tijdens de bouw onvoldoende hout beschikbaar was of houtleveringen van of aan WEBO waren vertraagd. Bovendien voeren [eisers] terecht aan dat in de e-mail – die dateert van enkele maanden voor de start van de houtbouw – staat dat er op dat moment sprake was van ‘een marktscenario van ruime beschikbaarheid’. Verder heeft Weever ter zitting verklaard dat WEBO alleen het hout leverde voor de houtskeletbouw, zodat de e-mail niets aantoont over vertragingen van CLT-leveringen. Gezien het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat houttekorten tot 40 onwerkbare dagen hebben geleid, terwijl het gezien de gemotiveerde betwisting van [eisers] op de weg van Weever lag om dat te onderbouwen.
iii. vertraging in aansluiting nutsvoorzieningen
Weever stelt tot slot dat er onwerkbare dagen zijn ontstaan doordat de nutsvoorzieningen te laat werden aangesloten. Liander zou in week 10 van 2024 de nutsvoorzieningen realiseren maar dat is pas in week 19 van 2024 gebeurd, waardoor er 35 onwerkbare dagen zijn ontstaan. Weever had de nutsvoorzieningen op 24 oktober 2022 al aangevraagd, dus ruim voor de wettelijke termijn van 18 weken van tevoren. De vertraging is daarom een omstandigheid die niet voor haar rekening en risico komt.
[eisers] voeren aan dat Weever niet heeft aangetoond dat er 35 dagen niet gewerkt kon worden vanwege de vertraging in de nutsvoorzieningen. Ook kon Weever gezien de netcongestie in Amsterdam ermee bekend zijn dat de aansluitingen langer zouden duren dan 18 weken.
Ter zitting is vast komen te staan dat Weever op 24 oktober 2022 de nutsvoorzieningen heeft aangevraagd voor het gebouw waarin de woning zich bevindt. Ook heeft Weever uitgelegd dat naast de aanvraag, uiteindelijk via afstemmingsoverleggen een concrete aansluitdatum moest worden afgesproken met Liander. Weever heeft daarover verklaard dat zij op 27 februari 2024 met Liander heeft afgesproken dat in week 10 de nutsvoorzieningen ingevoerd zouden worden, maar kon desgevraagd niet verklaren waarom Liander die termijn heeft opgeschoven.
Bij deze stand van zaken heeft Weever niet aangetoond dat zij de aanvraag om de nutsvoorzieningen in week 10 van 2024 daadwerkelijk aan te sluiten, tijdig heeft gedaan. Daarmee kan de rechtbank ook niet vaststellen dat deze vertraging valt onder omstandigheden die buiten de aansprakelijkheid van Weever vallen. Het had gezien de betwisting [eisers] op de weg van Weever gelegen om een en ander nader met stukken te onderbouwen.
tussenconclusie onwerkbare dagen
Uit het bovenstaande volgt dat Weever niet heeft kunnen onderbouwen dat er 145 onwerkbare dagen zijn ontstaan tijdens de bouw. Dat betekent dat bij de bouwtijdoverschrijding slechts rekening wordt gehouden met de onwerkbare dagen als gevolg van het weer. [eisers] baseert zich daarbij op een overzicht van [internetsite], terwijl Weever uitgaat van een overzicht van InfoPlaza dat hier net wat van afwijkt.
De rechtbank neemt het door Weever aangevoerde overzicht van InfoPlaza niet als uitgangspunt voor het vaststellen van het aantal onwerkbare dagen, omdat de criteria voor onwerkbaar weer op InfoPlaza afwijken van de criteria voor onwerkbaar weer op basis van artikel 11 van de algemene voorwaarden. Zo kan een dagdeel op basis van Infoplaza al als onwerkbaar worden gerekend als binnen dat dagdeel gedurende minimaal twee uur één of meer criteria worden overschreden en is een werkdag onwerkbaar als in beide dagdelen minimaal twee uur één of meer criteria worden overschreden of als over de gehele dag gedurende minimaal vijf uur één of meer criteria worden overschreden. Op basis daarvan kan een werkdag sneller als onwerkbaar worden bestempeld dan wanneer dat het geval is op grond van de algemene voorwaarden. Daarom gaat de rechtbank uit van het door [eisers] overgelegde overzicht van [internetsite]. Dit overzicht sluit het meeste aan bij de definitie van onwerkbaar weer uit de algemene voorwaarden. Uit dit overzicht, het onder 4.3 genoemde totaaloverzicht en de toelichting van [eisers] blijkt dat de 300 werkdagen op 10 november 2023 verstreken zijn en de bouwtijdoverschrijding dus 250 kalenderdagen bedraagt.
geen bouwtijdverlenging of matiging
Weever voert subsidiair aan dat de drie onder (i) t/m (iii) genoemde omstandigheden reden zijn tot bouwtijdverlenging of matiging van de schadevergoeding. Ook is het feit dat Weever aan de houtconstructie heeft doorgewerkt ondanks het ontbreken van goedkeuring van de gemeente, grond voor matiging. Hiermee heeft Weever [eisers] namelijk veel vertraging bespaard, aldus Weever.
De rechtbank overweegt dat voor bouwtijdverlenging een contractuele basis mist in de overeenkomst of de algemene voorwaarden. Voor zover partijen dat overeen hadden willen komen, hadden zij dat (zo nodig tussentijds) moeten doen.
Op grond van artikel 6:94 lid 1 BW kan de rechter een bedongen boete (zoals in dit geval een gefixeerde schadevergoeding) matigen, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Deze maatstaf noopt de rechter tot terughoudendheid.
In dit geval is er onvoldoende grond tot matiging van de schadevergoeding. De onder (i) t/m (iii) genoemde omstandigheden kunnen niet tot matiging leiden. Uit 4.6 t/m 4.15 blijkt immers dat Weever onvoldoende heeft onderbouwd dat deze omstandigheden hebben geleid tot onwerkbare dagen, zodat matiging van een schadevergoeding die juist bedoeld is om de overschrijding van de werkbare dagen te compenseren, niet voor de hand ligt. Verder kan het onverplicht doorwerken aan de houtconstructie niet tot matiging leiden, omdat onvoldoende uit de verf is gekomen hoeveel vertraging hiermee dan bespaard is.
[eisers] hebben recht op een schadevergoeding van € 30.213.22
Op grond van het voorgaande moet ervan uitgegaan worden dat de 300 werkbare dagen zijn verstreken op 10 november 2023, zodat sprake is van een bouwoverschrijding van 250 kalenderdagen. Verder is de mogelijkheid van bouwtijdverlenging niet overeenkomen en is er geen grond voor matiging. Dat betekent dat [eisers] op grond van artikel 11 lid 5 van de algemene voorwaarden recht hebben op een schadevergoeding van 0,25 ‰ x € 483.411,46 x 250 = € 30.213,22. De vordering onder I wordt dan ook toegewezen. De rente over dit bedrag wordt als onbetwist toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
openstaande gebreken
Na eiswijziging vorderen [eisers] onder II herstel van de volgende gebreken, die genummerd zijn conform de akte eiswijziging van [eisers] :
-
Het boorgat in de tegel in badkamer
-
Binnendeuren kromgetrokken en beschadigd door vocht;
-
Muur bij schakelaar niet behangklaar gepleisterd;
-
Muur naast keukenkast is krom;
-
Koof is krom;
-
Opening in houten balkonplanken door fout bij regenpijpinstallatie;
-
Schimmel in houten planken en plafond van het balkon;
-
Scheve lijnen/oneffenheden in keukenmuren;
-
Terugkerende lekkage bij woonkamerramen en nieuwe lekkage in woonkamer;
12) Brandmelders gaan vaak af.
Het algemene verweer van Weever dat zij niet aansprakelijk is voor gebreken die bij de oplevering niet gemeld zijn, gaat niet op. Op grond van artikel 15 van de algemene voorwaarden is Weever tot zes maanden na de oplevering aansprakelijk voor tekortkomingen die aan het licht komen in het gebouw en de woning. Als de tekortkomingen in deze ‘onderhoudsperiode’ binnen bekwame tijd gemeld worden, moet Weever deze herstellen. Dat bepaalde gebreken niet meteen bij de oplevering zijn ontdekt, betekent dus niet dat Weever daar niet aansprakelijk voor kan zijn. Hierna worden de door [eisers] gestelde gebreken (genummerd aan de hand van hun eiswijziging) achtereenvolgens besproken.
gerechtelijke erkentenis gebreken 3, 4, 5 en 8
[eisers] hebben de gebreken onder 3, 4, 5 en 8 in hun dagvaarding gesteld (respectievelijk onder de punten 22, 25, 26 en f). In de conclusie van antwoord heeft Weever daar als volgt op gereageerd:
[afbeelding niet beschikbaar]Daarnaast staat in de conclusie van antwoord ten aanzien van gebrek nummer 8 (in de dagvaarding onder punt f opgenomen):
“f. Scheve lijnen/oneffenheden in keukenmuren zichtbaar bij bepaald licht.
Dit gebrek is geconstateerd door [naam] en wordt hersteld.”
De rechtbank is met [eisers] van oordeel dat hiermee sprake is van een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv. Weever heeft door aan te voeren dat zij de gebreken niet betwist én dat zij deze zal gaan herstellen namelijk zowel de gebreken als haar aansprakelijkheid daarvoor erkend. Tijdens de zitting heeft Weever de gebreken weer betwist. Volgens haar staat het haar vrij om op de erkenningen terug te komen. Op grond van artikel 154 Rv kan dat echter alleen als aannemelijk is dat de erkentenis door een dwaling of niet in vrijheid is afgelegd. Dat daarvan sprake is, is niet gesteld of gebleken. De enkele stelling dat er een miscommunicatie was tussen Weever en haar advocaat, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op dwaling. De rechtbank gaat daarom uit van de aansprakelijkheid van Weever voor deze gebreken en de toezegging dat deze hersteld zullen worden. De vordering tot herstel van gebreken wordt dus toegewezen ten aanzien van gebreken 3, 4, 5 en 8.
gebrek 1: boorgat in tegel badkamer
Volgens [eisers] is er nog een gaatje in de tegel van badkamer 1 dat afgedekt dient te worden. Weever heeft ter zitting erkend dat dit nog gerepareerd moet worden. De vordering tot herstel van dit gebrek wordt dan ook toegewezen.
gebrek 2: binnendeuren kromgetrokken en beschadigd door vocht
[eisers] stellen dat enkele deuren in hun woning zijn kromgetrokken en aan de onderkant beschadigingen hebben. Zij vermoeden dat dit door vocht komt. Volgens Weever is niet aangetoond dat de deuren niet voldoen aan de deurennormen en kunnen de beschadigingen ook andere oorzaken dan vocht hebben gehad.
De rechtbank stelt vast dat [eisers] de gebreken aan de deuren hebben gemeld in hun brief van 24 december 2024, dus binnen de onderhoudstermijn. Niet in geschil is dat deze gebreken binnen een redelijke termijn na ontdekking zijn gemeld. Op de overgelegde foto’s zijn beschadigingen te zien en ook [naam] heeft in zijn proces-verbaal het volgende opgenomen: ‘onderzijde deuren toilet en badkamer zijn beschadigd’. De rechtbank oordeelt dan ook dat er sprake is van een gebrek, omdat deuren enkele maanden na oplevering niet dergelijke beschadigingen aan de onderzijde behoren te hebben. Dat de deuren zijn kromgetrokken is echter niet komen vast te staan, omdat dit is betwist door Weever en op de overgelegde foto’s van [eisers] niet te zien is dat de deuren krom zijn. Ook is dit niet opgenomen in het proces-verbaal van [naam] . Weever hoeft dus alleen de beschadigingen aan de onderzijde te herstellen. Weever heeft voor het eerst op de zitting aangevoerd dat de beschadigingen aan de onderzijde van de deuren niet aan hem kunnen worden toegerekend, omdat onvoldoende bekend is over de oorzaak van de beschadigingen en deze ook door een onjuist gebruik van de badkamer kunnen zijn veroorzaakt. Weever heeft daarmee echter onvoldoende onderbouwd dat het gebrek niet aan hem kan worden toegerekend. De enkele stelling dat de mogelijkheid bestaat dat het gebrek door onjuist gebruik zou kunnen zijn veroorzaakt, is daarvoor namelijk onvoldoende.
Aangezien [eisers] niet nader hebben gespecificeerd welke deuren precies beschadigd zijn, gaat de rechtbank uit van de door [naam] geconstateerde beschadigingen aan de toilet- en badkamerdeur. De vordering tot herstel wordt in zoverre toegewezen.
gebrek 6: opening in houten balkonplanken door fout bij regenpijpinstallatie
[eisers] stellen dat de loodgieter na de oplevering een wijziging heeft aangebracht in de regenpijp op het balkon, waardoor er een opening in de houten planken onbedekt is gebleven. Ter zitting heeft Weever dit punt erkend. Zodra duidelijk is hoe de lekkageproblemen in het gebouw worden opgelost, wordt dit punt meegenomen, aldus Weever. Gezien de erkenning van Weever zal de vordering tot herstel van dit gebrek worden toegewezen.
gebrek 7: schimmel in houten planken en plafond van het balkon
[eisers] voeren aan dat de gevelbekleding tegen vocht en regen zou moeten kunnen, maar er al snel na de oplevering schimmel is ontstaan op de houten planken en het plafond van het balkon. Als het ongeschikt materiaal was, had Weever ze daarvoor moeten waarschuwen. Weever betwist dat er sprake is van schimmel en meent dat de verwering eigen is aan het materiaal (bamboehout). Daarom is volgens Weever geen sprake van een gebrek.
Op de overgelegde foto van het bamboehout zijn verspreide zwarte en donkerbruine puntvormige verkleuringen zichtbaar. Zonder nadere onderbouwing kan echter niet worden vastgesteld wat de oorzaak daarvan is en of deze verkleuringen het gevolg zijn van normale verwering dan wel van schimmelvorming of een andere aantasting. Ter zitting heeft Weever aangevoerd dat het bamboehout geschikt materiaal is voor buitengebruik, maar vocht aantrekt. Door de horizontale verwerking en de toepassing aan de buitenkant van het gebouw kan er daarom verwering ontstaan. [eisers] hebben hiertegenover onvoldoende onderbouwd waarom de houten balkonplanken desondanks niet voldoen aan de eisen van deugdelijk werk. De vordering tot herstel van dit gebrek wordt dan ook afgewezen.
gebrek 9: lekkages
[eisers] stellen dat er op meerdere plekken in de woonkamer en de gemeenschappelijke gedeeltes van het gebouw lekkages zijn. Weever heeft ter zitting erkend dat er nog lekkageproblemen spelen in het gebouw en dat zij deze zal herstellen. Weever verzoekt de rechtbank daarbij wel om haar een termijn van twee maanden te geven om de lekkages te verhelpen, in plaats van de gevorderde vier weken na vonnisdatum. [eisers] handhaven de termijn van vier weken.
Gezien de erkenning van Weever wijst de rechtbank de vordering tot herstel van de lekkages toe, met dien verstande dat Weever hiervoor een termijn krijgt van twee maanden na de vonnisdatum. Weever heeft ter zitting namelijk voldoende toegelicht dat zij momenteel bezig is met een oplossing, maar dat het enige tijd vergt om de oorzaak van de lekkages te achterhalen en te kijken of de oplossing gewerkt heeft. Bovendien is Weever daarbij afhankelijk van de weersomstandigheden.
gebrek 12: brandmelders gaan vaak af
Volgens [eisers] gaan de brandmelders vaak af. Als het alarm afgaat in één appartement, gaat het ook af in andere appartementen. Weever betwist dat er sprake is van een gebrek en voert aan dat dit doorschakelen juist de bedoeling is.
De rechtbank oordeelt als volgt. Weever heeft ter zitting toegelicht dat de installateur van de brandmelders langs is geweest en heeft gezegd dat ze volgens de geldende wet- en regelgeving zijn geplaatst. Hier hebben [eisers] niets tegenover gesteld. Gelet op de verklaring van de installateur en de toelichting van Weever dat brandmelders vaker met elkaar in verbinding staan, hebben [eisers] onvoldoende onderbouwd dat de brandmelders gebrekkig zijn. De vordering tot herstel van dit gebrek wordt dan ook afgewezen.
tussenconclusie gebreken
Weever dient de gebreken onder nummer 1 t/m 6, 8 en 9 te herstellen, zodat de vordering onder II in zoverre wordt toegewezen. [eisers] hebben herstel van de gebreken gevorderd op straffe van een dwangsom, omdat zij vrezen dat Weever niet zal overgaan tot herstel van de gebreken. [eisers] wachten inmiddels al ruim twee jaar op herstel, dus een dwangsom is noodzakelijk volgens [eisers]
De rechtbank oordeelt echter dat er onvoldoende reden is om aan te nemen dat Weever na het vonnis niet voortvarend aan de slag zal gaan met het herstel, mede gezien de toezeggingen die ter zitting zijn gedaan. De gevorderde dwangsom wordt dus afgewezen.
kleurverschil tegels
Onder III vorderen [eisers] een vervangende schadevergoeding van € 972 voor het kleurverschil van de tegels in hun badkamer. Volgens [eisers] is er een kleurverschil tussen de wandtegels en de vloertegels in de badkamer en hadden de vloertegels donkerder moeten zijn. De hoogte van de schadevergoeding hebben [eisers] onderbouwd door de gemiddelde kosten per vierkante meter tegels te vermenigvuldigen met het tegeloppervlak dat volgens hen de verkeerde kleur heeft.
Weever heeft dit gebrek in eerste instantie erkend, nu zij dit gebrek in haar conclusie van antwoord geel gearceerd heeft (zie r.o. 4.25) en in haar akte aanvullende producties heeft geschreven dat er een afspraak staat gepland om het tegelwerk te herstellen. Ter zitting heeft Weever aangevoerd dat er in eerste instantie een kleurverschil leek te zijn, maar dat de tegelzetter in november 2024 is langs geweest en heeft geconstateerd dat er geen kleurverschil is. Het ogenschijnlijke kleurverschil had volgens de tegelzetter te maken met de lichtinval op de horizontale en verticale ligging van de tegels. [eisers] betwisten dit en voeren aan dat de tegelzetter tijdens een stroomstoring langskwam, en het kleurverschil dus niet goed kon beoordelen.
De rechtbank oordeelt dat ook hier sprake van een gerechtelijke erkentenis waar Weever niet op kan terugkomen. Zelfs als dat vanwege de nieuwe informatie van de tegelzetter wel zou kunnen, maakt dat de beslissing van de rechtbank niet anders. Aan de verklaring van de tegelzetter hecht de rechtbank namelijk beperkte waarde, omdat hij zijn eigen werk moest beoordelen en de schade op hem verhaald zou worden als er sprake zou zijn van een gebrek. In dat licht heeft Weever het bestaan van het gebrek dan ook onvoldoende gemotiveerd betwist. Verder is het gebrek binnen de onderhoudstermijn gemeld, zodat Weever hiervoor aansprakelijk is. Ter zitting heeft Weever geen bezwaar gemaakt tegen de vervangende schadevergoeding en de berekening daarvan, zodat de rechtbank deze vordering zal toewijzen. De rente wordt als onbetwist toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
proceskosten
Weever is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eisers] betalen. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
155,67 |
|
|
- griffierecht |
€ |
1.414,00 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.672,00 |
(2 punten × € 836,00) |
|
- nakosten |
€ |
189,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
3.430,67 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De gevorderde vergoeding voor tolkkosten wordt niet toegewezen. Daarvoor ontbreekt een wettelijke basis. Overeenkomstig artikel 239 Rv kunnen immers slechts de salarissen en verschotten van de advocaat van de wederpartij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij worden gebracht. Tolkkosten vallen daar niet onder.
uitvoerbaarheid bij voorraad
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.
5 De beslissing
De rechtbank
veroordeelt Weever om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 30.213,22, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 17 juli 2024, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt Weever tot herstel van gebreken 1 t/m 5 en 8 binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis,
veroordeelt Weever tot herstel van gebreken 6 en 9 binnen twee maanden na dagtekening van dit vonnis,
veroordeelt Weever om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 972, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW indien dit bedrag niet binnen veertien dagen na dit vonnis is betaald,
veroordeelt Weever in de proceskosten van € 3.430,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Weever niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt Weever tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.J. Klaver, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. |
||