Verbintenissenrecht

Kantonrechter bevoegd op grond van artikel 96 Rv – geen opzegging – geen ontbinding – meerwerk – nakoming –…

Rechtbank Amsterdam, 23 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 23 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
23 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
12105905 \ CV EXPL 26-2106
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10474
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kantonrechter bevoegd op grond van artikel 96 Rv – geen opzegging – geen ontbinding – meerwerk – nakoming – geen verwijdering reviews

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12105905 \ CV EXPL 26-2106

Vonnis van 23 oktober 2026

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2. [eiser 2],

te [woonplaats] ,

eisende partijen in conventie,

verwerende partijen in reconventie,

hierna samen te noemen: [eisers] ,

gemachtigde: mr. R.J. Dijks,

tegen

[gedaagde] (H.O.D.N. [handelsnaam] ),

te [woonplaats] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. J.F.M. Verheij.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 5 februari 2026 met producties,

- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie met producties,

- het tussenvonnis van 22 mei 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- de akte, tevens wijziging van eis, tevens conclusie van antwoord in reconventie met aanvullende producties aan de zijde van [eisers] ,

- de antwoordakte in conventie aan de zijde van [gedaagde] ,

- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 19 augustus 2026 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde] verricht diensten op het gebied van interieurontwerp en interieurstyling.

2.2.

Op 14 maart 2024 hebben [eisers] en [gedaagde] een overeenkomst gesloten voor het opknappen en verbouwen van de woning van [eisers] door het ontwikkelen van een design, het uitvoeren van begeleiding en het inschakelen van diverse leveranciers voor een bedrag van € 20.500,00 inclusief btw (hierna: de overeenkomst).

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vordert - samengevat – na eiswijziging bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

Primair

I. de tussen partijen gesloten overeenkomst te ontbinden,

II. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 19.526,25, dan wel € 18.450,00, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente,

III. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadebedrag van € 14.536,75, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente,

Subsidiair

IV. te verklaren voor recht dat de tussen partijen bestaande overeenkomst is opgezegd door [gedaagde] ,

V. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 35.036,75, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente,

Nevenvordering

VI. [gedaagde] te veroordelen om de foto’s van het interieur van [eisers] te verwijderen van haar website en alle sociale media op straffe van een dwangsom,

Primair en subsidiair

VII. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eisers] legt aan de vorderingen – kort gezegd – ten grondslag dat de overeenkomst als gevolg van opzegging is geëindigd, althans moet worden ontbonden. [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat [gedaagde] de begeleiding grotendeels niet, dan wel niet correct, heeft uitgevoerd. Sommige zaken moesten qua design compleet opnieuw, waaronder de gasaansluiting en het lichtplan. Verder waren er problemen met de leveranciers die [gedaagde] op grond van de overeenkomst voor haar rekening had moeten nemen, maar dit heeft zij niet heeft gedaan. Ook heeft [eisers] ten onrechte nog een extra factuur betaald voor fase 5. [eisers] heeft zijn klachten kenbaar gemaakt aan [gedaagde] , waarna [gedaagde] de overeenkomst op 2 oktober 2024 heeft opgezegd. Haar ondubbelzinnige mededeling het project te beëindigen kwalificeert als een verklaring in de zin van artikel 6:80 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Als gevolg van de opzegging, dan wel de ontbinding, is [gedaagde] verplicht de schade van [eisers] te vergoeden. De gevorderde schadevergoeding bestaat uit de betaalde aanneemsom en betalingen voor de tegels, het niet-geleverde bed, de gordijnen, de kast en de gebroken tafel. Daarnaast heeft [eisers] vertragingsschade geleden. Tot slot vormt het publiceren van foto’s van het interieur van [eisers] op de website en sociale media van [gedaagde] zonder zijn toestemming een grote inbreuk op zijn privacy. Deze foto’s moeten worden verwijderd, aldus steeds [eisers] .

3.3.

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde] vordert - samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

  1. [eisers] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 7.285,93, te vermeerderen met de wettelijke rente,

  2. [eisers] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten van € 739,30, te vermeerderen met de wettelijke rente,

  3. [eisers] te veroordelen om binnen 24 uur na betekening van het vonnis de geplaatste reviews te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede [eisers] te verbieden zich opnieuw uit te laten over de werkzaamheden van [gedaagde] , op straffe van een dwangsom.

3.6.

[gedaagde] legt aan haar vordering – kort gezegd – ten grondslag dat [eisers] nog twee facturen moet betalen op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst. Aangezien [gedaagde] werkzaamheden heeft verricht, is [eisers] uit hoofde van die overeenkomst verplicht de facturen te voldoen. [eisers] heeft dit nagelaten en is in verzuim geraakt, waardoor hij ook de wettelijke rente is verschuldigd. Ook heeft [gedaagde] buitengerechtelijke kosten gemaakt die [eisers] dient te vergoeden. Tot slot heeft [eisers] reviews op het internet geplaatst die [gedaagde] in een slecht daglicht plaatsen, hetgeen haar als ondernemer zeer schaadt. [gedaagde] acht deze gewraakte uitlatingen onrechtmatig.

3.7.

[eisers] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

Kantonrechter bevoegd

4.1.

De vordering van [eisers] bedraagt meer dan € 25.000,00. Nu partijen echter gezamenlijk op de voet van artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wensen dat de kantonrechter deze zaak beslecht en het gaat om rechtsgevolgen die ter vrije bepaling van partijen staan, acht de kantonrechter zich bevoegd. Partijen hebben zich uitdrukkelijk hoger beroep tegen de uitspraak van de kantonrechter voorbehouden.

Geen opzegging

4.2.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de overeenkomst niet heeft opgezegd bij e-mailbericht van 2 oktober 2024. Voorafgaand aan dit e-mailbericht hebben partijen uitvoerig e-mailberichten uitgewisseld over de stand van zaken en wat er volgens [eisers] nog moest gebeuren. Uit de tekst van het e-mailbericht van 2 oktober 2024 valt niet af te leiden dat [gedaagde] de overeenkomst vervolgens heeft opgezegd. [gedaagde] schrijft weliswaar over “project conclusion” en “refrain from any further contact (…)”, maar spreekt ook over “next steps”. De opsomming van [gedaagde] van de vervolgstappen maakt duidelijk dat het haar bedoeling was dat zij haar werkzaamheden zou voortzetten teneinde te komen tot een çonclusion, oftewel een voltooiing van de werkzaamheden. Bovendien volgt uit het e-mailbericht van 29 oktober 2024 van de gemachtigde van [gedaagde] aan de gemachtigde van [eisers] dat [gedaagde] de overeenkomst niet heeft opgezegd, maar dat juist sprake was van “een nadere duiding van het vervolgen van de overeenkomst”. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat sprake was van een opzegging van de overeenkomst aan de zijde van [gedaagde] .

Geen ontbinding

4.3.

Verder is in geschil of [gedaagde] zodanig toerekenbaar is tekortgeschoten bij de verplichtingen uit de overeenkomst dat een ontbinding van de overeenkomst is gerechtvaardigd. De kantonrechter oordeelt dat hiervan geen sprake is en overweegt daartoe het volgende.

Keuken: gasaansluiting

4.4.

[eisers] stelt dat [gedaagde] had moeten zorgen voor een gasaansluiting in de keuken, omdat [eisers] een gasbrander wilde plaatsen. Volgens [gedaagde] behoorde het regelen van een gasaansluiting niet tot haar takenpakket en was de aannemer verantwoordelijk voor het regelen van de gasaansluiting.

4.5.

De kantonrechter volgt het standpunt van [gedaagde] dat het regelen van een gasaansluiting niet tot haar takenpakket behoorde. Een gasaansluiting behoort immers niet tot het interieur. In het e-mailbericht van 30 mei 2024 3:39 PM schrijft [gedaagde] dat een wokbrander tot de wensen van [eisers] behoorde. “to conclude: we somehow missed to double check on the induction/gas before sending it to [naam 1] ”. Zij noemt als een van de opties om verder te gaan: “adding the gas”. Uit het e-mailbericht van 31 mei 2024 11:47 blijkt dat [gedaagde] navraag heeft gedaan naar de mogelijkheid van een gasaansluiting en dat zij rapporteert: “if you have a gas connection in your house in the meter cabinet, you can extend the gas throughout your house from there, wherever you want”. Verder schrijft zij in dat bericht: “Do you want me to check with [naam 1] what the situation is, and how we can add the gas? Then I can also let [naam 2] know that you do want the gas wok burner so you need a specific plate for that?”. [eisers] antwoordt daarop (e-mailbericht van 31 mei 2024, 12:41 PM): “Thanks [gedaagde] . What is happening in 2030 (…)”. Zijn vraag over 2030 ziet op de eerder gemaakte opmerking (in het e-mailbericht van [gedaagde] van 30 mei 2024 13:04): “in 2030 gas is no longer allowed in houses within [plaats]”.

4.6.

Uit deze correspondentie blijkt dat [gedaagde] een van de wensen van [eisers] aanvankelijk niet juist in het keukenontwerp heeft verwerkt, waardoor de noodzaak van een gasaansluiting in de keuken niet duidelijk was. Zij heeft echter nadat dit ontdekt was de juiste stappen gezet en aangeboden op dit punt met betrokkenen te overleggen over het alsnog realiseren van een gasaansluiting. Omdat [eisers] op dit aanbod niet duidelijk positief heeft gereageerd, kan niet worden gezegd dat het niet realiseren van een gasaansluiting in de keuken een tekortkoming van [gedaagde] oplevert die volledige ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt.

Gebroken tafeltje

4.7.

[eisers] stelt dat [gedaagde] verantwoordelijk was voor het afwikkelen van terugbetalingen. [gedaagde] is in dat kader op de hoogte gesteld van de afgeleverde gebroken bijzettafel, maar [eisers] heeft geen terugbetaling van de aankoopprijs van de bijzettafel ontvangen. [gedaagde] erkent dat zij door [eisers] op de hoogte is gebracht van de gebroken bijzettafel, maar stelt dat de termijn voor terugbetaling op dat moment al was verlopen.

4.8.

Uit de e-mailcorrespondentie volgt dat [eisers] [gedaagde] op 16 september 2024 op de hoogte heeft gebracht dat (een van de twee) bijzettafels was gebroken. [gedaagde] heeft vervolgens diezelfde dag melding gemaakt bij de leverancier, waarna [gedaagde] het bericht heeft ontvangen dat de bijzettafel op 22 augustus 2024 is geleverd en dat [eisers] zijn klacht over de gebroken bijzettafel binnen 5 dagen na levering kenbaar had moeten maken. Van [gedaagde] had weliswaar mogen worden verwacht dat zij zich (meer) zou inspannen bij de leverancier om (ondanks het verstrijken van deze termijn) een vergoeding te krijgen, maar ook dit punt levert geen tekortkoming op die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt.

Gordijnen

4.9.

Verder stelt [eisers] dat de via [gedaagde] bestelde gordijnen non-conform waren en dat [eisers] de bestelling via [gedaagde] tijdig heeft geannuleerd, maar dat [gedaagde] de annulering niet heeft doorgegeven aan de leverancier. [gedaagde] stelt daartegenover dat zij de bestelling van de gordijnen had geplaatst, maar dat [eisers] vervolgens wijzigingen heeft willen aanbrengen.

4.10.

Bij e-mailbericht van 2 september 2024 schrijft [eisers] aan [gedaagde] :

“We are tracking the following list of outstanding deliverables required from you for project completion: (…)

3. Curtains

a. Answer design question regarding whether curtains can move behind the closet

b. Provide design documentation (measurements)

c. Managing delivery for master bedroom – we will handle installation

d. how shall we move forward with the other orders when we are ready?”

4.11.

Bij e-mailbericht van 25 september 2024 schrijft [eisers] aan [gedaagde] :

“Hello, we have decided to modify the curtain order for the master bedroom. Please see the below changes: (…)”

4.12.

Uit bovenstaande e-mailcorrespondentie tussen partijen volgt dat [gedaagde] terecht heeft aangevoerd dat [eisers] wijzigingen wilde doorvoeren aan de bestelling van de gordijnen nadat de bestelling was geplaatst. Nergens blijkt uit dat de gordijnen non-conform waren en dat [eisers] de bestelling vervolgens (al dan niet via [gedaagde] ) heeft geannuleerd. Bij deze stand van zaken heeft [eisers] onvoldoende onderbouwd waarom sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [gedaagde] .

Bed

4.13.

Ook stelt [eisers] dat hij via [gedaagde] een bed heeft besteld en betaald, maar dat dit bed nooit is geleverd. [gedaagde] heeft de naam van de leverancier van het bed aangedragen, maar die leverancier bleek onbetrouwbaar te zijn. [gedaagde] stelt dat [eisers] het bed zelf heeft besteld en dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het feit dat de leverancier het bed niet heeft geleverd aan [eisers] .

4.14.

Ook hier heeft [eisers] tegenover de betwisting van [gedaagde] onvoldoende gesteld om vast te stellen dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Niet is gebleken dat [gedaagde] had moeten weten dat de leverancier van het bed onbetrouwbaar zou zijn. Daarom levert dit ook geen tekortkoming op in de nakoming van de overeenkomst aan de zijde van [gedaagde] .

Overige werkzaamheden

4.15.

Tot slot voert [eisers] aan dat de begeleiding grotendeels niet (correct) is uitgevoerd door [gedaagde] en dat er veel problemen zijn geweest met de bestellingen. [eisers] heeft bijgehouden wat er door [gedaagde] (niet) is uitgevoerd en verwijst naar een opgesteld overgelegd overzicht.

4.16.

De kantonrechter concludeert dat [eisers] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] is tekortgeschoten in haar werkzaamheden met betrekking tot de begeleiding. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat zij een interieurontwerp heeft gemaakt. Uit e-mailcorrespondentie, onder meer het e-mailbericht van 5 september 2024 van [gedaagde] aan [eisers] , volgt verder dat [gedaagde] diverse werkzaamheden heeft verricht, waaronder het zoeken van leveranciers en het begeleiden van het werk van de leveranciers. [eisers] heeft in reactie op het e-mailbericht van 5 september 2024 weliswaar aan [gedaagde] kenbaar gemaakt dat er nog bepaalde punten openstonden, maar nergens blijkt uit dat [eisers] [gedaagde] in gebreke heeft gesteld. Daarnaast volgt uit de overgelegde e-mailcorrespondentie tussen partijen dat de steeds wisselende keuzes en interventies van [eisers] en de problemen met leveranciers ervoor hebben gezorgd dat de uitvoering van werkzaamheden tussentijds werd gewijzigd of vertraagd, hetgeen niet aan [gedaagde] kan worden tegengeworpen. Het geheel aan overgelegde e-mailcorrespondentie geeft weer dat op verzoek van [eisers] regelmatig wijzigingen in het ontwerp moesten worden doorgevoerd en dat [eisers] hoge eisen stelde aan het te leveren werk van [gedaagde] . Bij die stand van zaken valt niet in te zien dat sprake is van een tekortkoming die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt.

Foto’s interieur

4.17.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] onweersproken gesteld dat zij de foto’s in overleg met haar advocaat van haar website en sociale media heeft verwijderd. De vordering tot veroordeling van het verwijderen van de foto’s zal daarom worden afgewezen.

Conclusie

4.18.

De conclusie is dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen.

Proceskosten

4.19.

[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

1.154,00

(2 punten × € 577,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.298,00

in reconventie

Vordering tot betaling meerwerk en aanbetaling toegewezen

Meerwerk

4.20.

[gedaagde] beroept zich op nakoming door [eisers] van zijn betalingsverplichting voor overeengekomen en verricht meerwerk ten behoeve van de keuken. Het betreft een factuur van € 4.711,74 met omschrijving “invoice extra costs DVB as confirmed per email 9th of October”. [eisers] betwist dat [gedaagde] meerwerk heeft verricht en stelt nooit akkoord te zijn gegaan met meerwerk.

4.21.

De kantonrechter volgt [gedaagde] in haar stelling dat [eisers] de factuur voor meerwerk dient te voldoen. In het e-mailbericht van 9 oktober 2024 schrijft [gedaagde] aan [eisers] over “additional work” inclusief bijbehorende prijzen. [gedaagde] verwijst daarbij naar een WhatsApp-bericht van 15 augustus 2024 van [eisers] aan [gedaagde] , waarin [eisers] opdracht tot meerwerk heeft gegeven. Uit de overgelegde correspondentie tussen partijen blijkt niet dat [eisers] hiertegen heeft geprotesteerd. Bij die stand van zaken kan niet worden vastgesteld dat [gedaagde] geen meerwerk heeft verricht en [eisers] niet akkoord is gegaan met meerwerk. Dit betekent dat de vordering tot betaling van de factuur ter hoogte van € 4.711,74 zal worden toegewezen.

Aanbetaling

4.22.

Ook vordert [gedaagde] betaling van een factuur van € 2.574,17 met omschrijving “Down payment of 5% of quotation of DVB design (kitchen)”. Volgens [gedaagde] is [eisers] akkoord gegaan met de offerte van de keuken en daarmee met de verplichte aanbetaling. De keuken is geleverd en geplaatst, dus [gedaagde] maakt aanspraak op vergoeding van de voorgeschoten kosten, aldus steeds [gedaagde] .

4.23.

Het betoog van [gedaagde] slaagt. Uit de e-mailcorrespondentie tussen partijen volgt dat [gedaagde] bij e-mailbericht van 17 mei 2024 aan [eisers] een offerte met betrekking tot werkzaamheden voor de keuken ter hoogte van € 51.483,40 doorstuurt, waarna [eisers] aan [gedaagde] bij e-mailbericht van 19 mei 2024 schrijft akkoord te gaan. Omdat [eisers] verder niet (concreet en voldoende gemotiveerd) heeft betwist dat hij is gehouden tot betaling van de aanbetaling daarvan, zal de vordering ook ten aanzien van deze factuur zal worden toegewezen.

Conclusie

4.24.

De conclusie is dat de vordering tot betaling van het totaalbedrag van de twee facturen ter hoogte van € 7.285,91 zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

4.25.

[gedaagde] vordert wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de datum van het intreden van het verzuim. Bij brief van 22 november 2024 heeft [gedaagde] [eisers] twee weken de tijd gegeven om over te gaan tot betaling van de facturen. Dit betekent dat [eisers] vanaf 6 december 2024 in verzuim is geraakt. De gevorderde wettelijke rente over € 7.285,91 zal vanaf die dag worden toegewezen.

Buitengerechtelijke kosten

4.26.

[gedaagde] maakt verder aanspraak op € 739,30 aan buitengerechtelijke incassokosten. Volgens [eisers] zijn er geen incassowerkzaamheden verricht.

4.27.

De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [gedaagde] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [gedaagde] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden toegewezen.

Geen verwijdering reviews

4.28.

De vordering tot verwijdering van negatieve reviews over het geschil tussen partijen zal worden afgewezen, omdat [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd heeft onderbouwd op welke punten deze reviews onrechtmatig zijn. De stelling dat de reviews een eenzijdige beschrijving van het geschil geven is daarvoor onvoldoende, omdat een review daarvoor niet is bedoeld. Het is een persoonlijke weergave van hoe een klant een bedrijf ervaren heeft. De stelling dat de reviews geen steun vinden in hetgeen in volle omvang tussen partijen heeft gespeeld is onvoldoende specifiek om tot het oordeel te kunnen leiden dat de reviews onrechtmatig zijn; [gedaagde] had daarvoor moeten stellen welke onderdelen van de reviews in strijd zijn met de waarheid en waarom dat zo is. Dit betekent dat deze vordering zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.29.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in reconventie worden veroordeeld. Wegens de verwevenheid met de conventie zullen de proceskosten worden gehalveerd. De kantonrechter begroot de proceskosten van [gedaagde] op € 360,00 (2 x € 360,00 x 0,5 in reconventie) aan salaris van de gemachtigde, vermeerderd met de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

in conventie en in reconventie

4.30.

Ook wordt [eisers] veroordeeld in de gevorderde nakosten. Dit zijn kosten die standaard worden toegewezen aan de partij die in het gelijk is gesteld (in dit geval [gedaagde] ), als vergoeding voor advocaatkosten en eventuele betekeningskosten die ontstaan na het wijzen van dit vonnis.

4.31.

De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

4.32.

Verder is de over de proces- en nakosten gevorderde wettelijke rente toewijsbaar, op de wijze zoals onder de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen van [eisers] af,

5.2.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.298,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

in reconventie

5.3.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 7.285,91, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf 6 december 2024 tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt [eisers] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 739,30 aan buitengerechtelijke incassokosten,

5.5.

veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 360,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in conventie en in reconventie

5.7.

veroordeelt [eisers] tot betaling van de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.8.

veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.9.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026.