Verbintenissenrecht
Aanneming van werk: verbouwing van een appartement. Het geschil gaat over de vraag of het werk, waaronder de…
Rechtbank Amsterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10593 · Rechtbank Amsterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-10593
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/13/780664 / HA ZA 25-1847
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. T.J.K. van Santen, mr. P. Thole
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10593
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanneming van werk: verbouwing van een appartement. Het geschil gaat over de vraag of het werk, waaronder de vloer, gebrekkig is opgeleverd en over openstaande facturen. De rechtbank oordeelt dat niet is aangetoond dat de vloer gebrekkig is. Voor de overige werkzaamheden is het werk niet (goed) opgeleverd, waaruit een schadevergoedingsverplichting volgt. Deze schadevergoeding wordt verrekend met het onbetwiste openstaande deel van de aanneemsom en met een deel van de meerwerkfacturen. De meerwerkfacturen worden slechts gedeeltelijk toegewezen. Per saldo moet eiser nog een bedrag aan de aannemer betalen.
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/780664 / HA ZA 25-1847
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. T.J.K. van Santen,
tegen
1. de vennootschap onder firma
[gedaagde 1] VOF,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
en haar vennoten:
2. [gedaagde 2] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
3. [gedaagde 3] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. P. Thole.
1 De zaak en de beslissing in het kort
[eiser] heeft in 2021 [gedaagden] ingeschakeld voor het verbouwen van zijn appartement in [plaats] . Volgens [eiser] is de vloer niet goed aangelegd omdat deze het contactgeluid niet voldoende isoleert. Hier klagen zijn onderburen over. Daarnaast zijn er andere gebreken omdat het werk niet goed is afgemaakt. [eiser] vordert daarom schadevergoeding voor de kosten die hij moet maken om deze gebreken te laten herstellen en aanvullende schadevergoeding.
Volgens [gedaagden] is de vloer wel goed aangelegd en zij betwist voor het overgrote deel van het andere werk dat dit gebrekkig is opgeleverd. Volgens [gedaagden] moet [eiser] op zijn beurt nog een deel betalen voor uitgevoerde werkzaamheden, waaronder meerwerk. [gedaagden] heeft hiervoor een tegenvordering ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat van [eiser] niet heeft kunnen aantonen dat de vloer gebrekkig is. [gedaagden] hoeft [eiser] hiervoor dus geen schadevergoeding te betalen en hoeft ook de vloer niet te herstellen. Voor de overige werkzaamheden geldt wel dat [gedaagden] deze niet (goed) heeft opgeleverd, waardoor zij hiervoor een schadevergoeding aan [eiser] moet betalen. Deze schadevergoeding wordt verrekend met het door [eiser] onbetwiste openstaande deel van de aanneemsom en het gedeelte van de meerwerkfacturen dat [eiser] nog aan [gedaagden] moet betalen. De meerwerkfacturen worden namelijk maar gedeeltelijk toegewezen. Per saldo moet [eiser] dus nog een bedrag aan [gedaagden] betalen.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 2 maart 2023, met producties,
- de incidentele conclusie houdende de exceptie van onbevoegdheid,
- de reactie op de incidentele conclusie,
- het incidentele vonnis van de kantonrechter van 14 juli 2023, waarbij de zaak naar de civiele kamer van deze rechtbank is verwezen,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie, met producties,
- de conclusie van antwoord in reconventie tevens eiswijziging in conventie, met producties,
- de antwoordakte op de wijziging van eis van [gedaagden] ,
- de brief van mr. Thole van 1 december 2023, waarin is verzocht om een deel van de conclusie van antwoord in reconventie tevens eiswijziging in conventie buiten beschouwing te laten,
- het tussenvonnis van 6 december 2023, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de berichten van mr. Van Santen en mr. Thole van 6 december 2023, waarin is verzocht om de zaak te verwijzen naar de parkeerrol,
- het bericht van mr. Van Santen van 4 december 2025, waarin is verzocht om de zaak te heropenen en [gedaagden] de gelegenheid te geven om bij akte het rapport van de gerechtelijke deskundige in te brengen,
- de akte uitlaten van [gedaagden] , met producties,
- de antwoordakte van [eiser] , met een productie,
- de akte uitlaten producties van [gedaagden] ,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 september 2026 en de daarin genoemde stukken.
3 De feiten
Partijen hebben medio 2021 een aanneemovereenkomst gesloten voor het uitvoeren van verbouwingswerkzaamheden aan de woning van [eiser] . De woning is gelegen op de derde verdieping van een pand dat dateert uit 1920. Onder het appartement van [eiser] bevinden zich twee andere appartementen.
[gedaagden] heeft zes offertes uitgebracht voor de verbouwingswerkzaamheden die door [eiser] zijn ondertekend. Het gaat daarbij om offertes voor de volgende werkzaamheden: (i) balkon en raamkozijnen, (ii) constructieve doorbraak, (iii) wanden/binnendeur kozijnen, (iv) stucwerk, (v) nieuwe vloer met vloerverwarming, en (vi) elektra aanpassing en overige bekabeling. De totale aanneemsom was € 49.651,45.
In december 2021 heeft [eiser] zich meermaals tot [gedaagden] gericht over onder meer de door de onderburen ervaren overlast door contactgeluid via de vloer. Hij heeft toen aangegeven dat hij zonder duidelijkheid geen betalingen kan voldoen.
Bij e-mail van 15 december 2021 schreef [eiser] aan [gedaagden] dat het uitvullen en isoleren van de vloer ten behoeve van het contactgeluid, het aanbrengen van de isolatiefolie en de randisolatie niet naar behoren is uitgevoerd en dat de constructie van de vloer niet optimaal is en waarschijnlijk contactgeluid creëert. [eiser] heeft [gedaagden] daarbij verzocht om binnen veertien dagen met een voorstel voor een oplossing te komen.
[gedaagden] heeft in reactie daarop aangegeven dat de randisolatie wel was aangebracht, maar in januari 2022 heeft zij erkend dat zij dit niet heeft gedaan. Begin 2022 heeft [gedaagden] werkzaamheden uitgevoerd om alsnog randisolatie rondom de vloer aan te leggen.
Bij e-mail van 6 april 2022 heeft [eiser] opnieuw klachten bij [gedaagden] geuit over de uitgevoerde werkzaamheden. Daarbij heeft [eiser] nogmaals aangegeven dat hij zonder afronding van de werkzaamheden en informatie over de vloer de betalingen niet kan voltooien.
[eiser] heeft van de in rekening gebrachte facturen voor de aanneemsom in totaal € 23.251,60 betaald en € 26.399,85 onbetaald gelaten. Verder heeft [eiser] van de in rekening gebrachte meerwerkfacturen die zien op de parkeerkosten voor de maanden april tot en met november 2021 en op de isolatie van het plafond in de keuken in totaal € 2.975,69 betaald en € 1.875,15 onbetaald gelaten.
Vervolgens heeft [gedaagden] op 29 april 2022 nog zevenentwintig meerwerkfacturen aan [eiser] gestuurd. Deze meerwerkfacturen zijn niet door [eiser] betaald.
In opdracht van [eiser] heeft [naam] begin 2022 de vloer onderzocht. [naam] heeft in zijn rapport van 13 april 2022 geconcludeerd dat de aangebrachte vloerconstructie ten aanzien van het dempen van geluid niet zal voldoen.
Bij brief van 18 mei 2022 heeft [eiser] [gedaagden] in gebreke gesteld en gesommeerd de volgende gebreken te herstellen:
“(…)
-
Herstellen van de vloer zodat de vloer voldoet aan de geldende normen
-
Beoordeling van de verzakking van de vloer (in de keuken) en het bespreken van een oplossing
-
Afmaken van de elektra conform offerte: afmaken van verlichting erker, schakelaar van de gemeenschappelijke gang repareren, WCDs in spiegelkast afmonteren
-
Afmaken van de vloerverwarming door het monteren van de thermostaten
-
Herstellen van de plinten in de aangetroffen staat
-
Herstellen van uitgefaseerde opening voor sloten in voordeur zodat het slot dicht kan
-
Herstellen van schuifdeur zodat deze goed en soepel sluit
-
Herstellen van scheuren en ongelijkheden in stucwerk woonkamer (…)”
Daarnaast is in deze brief aanspraak gemaakt op betaling van een aanvullende schadevergoeding en heeft [eiser] [gedaagden] verzocht om dit binnen veertien dagen te betalen. Ook heeft [eiser] betwist dat hij meerwerk is verschuldigd en heeft hij kenbaar gemaakt dat hij zich op zijn opschortingsrecht beroept totdat de gebreken zijn hersteld.
Bij brief van 17 juni 2022 heeft de advocaat van [gedaagden] inhoudelijk op deze brief gereageerd en betwist dat het werk ondeugdelijk is uitgevoerd, behalve voor zover het gaat om de plinten. Daarvoor is een vergoeding aangeboden van € 150,- dat volgens [gedaagden] in mindering kan strekken op de openstaande hoofdsom. [eiser] is in deze brief gesommeerd om binnen vijftien dagen het resterende openstaande bedrag te betalen.
Vervolgens heeft Top Expertise in opdracht van [eiser] onderzoek gedaan naar de uitgevoerde werkzaamheden. Top Expertise heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 7 november 2022 (hierna: het rapport van Top Expertise).
Bij brief van 7 december 2022 heeft de gemachtigde van [eiser] het rapport van Top Expertise met [gedaagden] gedeeld. In deze brief is [gedaagden] verzocht de vastgestelde gebreken, zoals genoemd in het rapport van Top Expertise, binnen dertig dagen te herstellen. Daarbij is als voorwaarde gesteld dat [gedaagden] de aansprakelijkheid en betaling van de tot op heden begrote gevolgschade moet erkennen. [gedaagden] is verzocht om binnen veertien dagen deze schade te betalen.
Bij brief van 16 oktober 2023 heeft de advocaat van [eiser] aan [gedaagden] geschreven dat [eiser] niet langer aanspraak maakt op nakoming van de overeenkomst, maar op vervangende schadevergoeding.
[gedaagden] heeft in een verzoekschriftprocedure bij deze rechtbank een voorlopig deskundigenbericht verzocht. Bij beschikking van 11 januari 2024 heeft deze rechtbank ir. H. Janssen van Hanselman Groep B.V. tot deskundige benoemd (hierna: de deskundige) en hem bevolen onderzoek te doen ter beantwoording van de in de beschikking geformuleerde vragen. Een deel van de vragen ziet op de contactgeluidsisolatie van de vloer en het andere deel op een constructieve doorbraak van de binnenmuur. Nadat de deskundige partijen de gelegenheid heeft geboden te reageren op het conceptrapport, heeft de deskundige op 26 juni 2025 zijn definitieve rapport uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht).
In bijlage 8 van het deskundigenbericht heeft de deskundige informatie opgenomen van de website van de Nederlandse Stichting Geluidshinder. In bijlage 9 heeft de deskundige een toelichting gegeven op de reacties van partijen naar aanleiding van het conceptrapport. De deskundige heeft de reacties beoordeeld en meegenomen in de overwegingen.
Op verzoek van [eiser] heeft Top Expertise in een rapport van 1 oktober 2025 gereageerd op het definitieve rapport van de deskundige, inclusief de bijlagen.
4 Het geschil
de vorderingen van [eiser] (in conventie)
[eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat [gedaagden] hoofdelijk wordt veroordeeld tot:
primair:
I. betaling van € 105.174,03 te indexeren met de CBS bouw inputprijsindex, te vermeerderen met wettelijke rente,
subsidiair:
II. herstel van de gebreken zoals genoemd in het rapport van Top Expertise binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis, op verbeurte van een dwangsom, en
III. betaling van € 110.800,15 te indexeren met de CBS bouw inputprijsindex, te vermeerderen met wettelijke rente,
zowel primair als subsidiair:
IV. betaling van € 3.472,50 aan expertisekosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 22 december 2022,
V. betaling van € 2.168,48 aan buitengerechtelijke incassokosten,
VI. betaling van de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat sprake is van diverse gebreken aan het werk, waardoor [gedaagden] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Omdat [gedaagden] na in gebreke te zijn gesteld niet tot herstel is overgegaan, maakt [eiser] primair aanspraak op betaling van een vervangende schadevergoeding. Subsidiair vordert [eiser] nakoming van de overeenkomst door herstel van de gebreken. In beide gevallen maakt [eiser] aanspraak op aanvullende schadevergoeding.
[gedaagden] is het niet eens met de vorderingen en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
de tegenvorderingen van [gedaagden] (in reconventie)
[gedaagden] vordert na wijziging van eis – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van:
I. € 62.316,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2021,
II. € 1.398,16 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2021,
III. de expertisekosten voor het deskundigenbericht,
IV. de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
[gedaagden] legt hieraan ten grondslag dat [eiser] de betalingsverplichting voor de door [gedaagden] verrichte werkzaamheden moet nakomen, waaronder voor het uitgevoerde meerwerk.
[eiser] is het niet eens met de vorderingen en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
De rechtbank beoordeelt hierna eerst de vorderingen van [eiser] (in conventie) en daarna de tegenvorderingen van [gedaagden] (in reconventie).
de vorderingen van [eiser] (in conventie)
De rechtbank kan niet vaststellen dat de vloer gebrekkig is
In de eerste plaats vordert [eiser] vervangende schadevergoeding, dan wel nakoming van de overeenkomst, met aanvullende schadevergoeding omdat de vloer gebrekkig is aangelegd. Volgens [eiser] is de vloer niet zwevend aangebracht en is er sprake van een gebrekkige geluidsisolatie. Indien dit niet tot een tekortkoming leidt, heeft [gedaagden] in ieder geval de op haar rustende waarschuwingsplicht geschonden.
Aangezien [eiser] stelt dat er gebreken aan de constructie van de vloer zijn, is het aan [eiser] om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en, bij voldoende betwisting, te onderbouwen dat de vloer niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Daarin is [eiser] niet geslaagd. De rechtbank licht dat hierna toe en bespreekt daarbij achtereenvolgens de vraag wat partijen zijn overeengekomen over de vloer, de conclusies uit het deskundigenbericht en de reacties van [eiser] daarop, de aangebrachte randisolatie rondom de vloer en ten slotte de vraag of [gedaagden] haar waarschuwingsplicht heeft geschonden.
Wat zijn partijen overeengekomen over de vloer?
Niet in geschil is dat [gedaagden] op 7 juni 2021 een offerte heeft uitgebracht voor het maken van een nieuwe vloer met vloerverwarming, waarin staat dat de werkzaamheden onder meer bestaan uit: “het isoleren van de vloer ten behoeve van het contactgeluid en het aanbrengen van een anhydriet vloer”. In de offerte staan geen specifieke geluidsnormen waaraan de nieuwe vloer of de vloer(isolatie) moet voldoen. Deze offerte is door [eiser] ondertekend. Daarna hebben partijen in gezamenlijk overleg besloten om een andere (droge) vloer te plaatsen, namelijk van EPS platen.
Volgens [eiser] moet de vloer ook voldoen aan de in de splitsingsakte opgenomen eis dat de contactgeluidisolatie van de kale vloer inclusief vloerbedekking 10dB of meer bedraagt (hierna: de 10dB-norm) en dat de vloer deskundig is aangebracht als een zogenoemde zwevende vloer, zodat geen rechtstreeks contact bestaat met de ondervloer of de wanden. Hoewel [gedaagden] tijdens de mondelinge behandeling aangaf dat de nieuwe vloer hieraan zou moeten voldoen, betwist zij dat dit tussen partijen is overeengekomen.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] aangegeven dat één van de onderburen ook al over geluidsoverlast klaagde toen de oude vloer er nog inzat. Toen hij het appartement kocht en aankondigde dat hij ging verbouwen, hebben deze onderburen aan hem gevraagd om iets aan de geluidsisolatie te doen. [eiser] stelt dat hij daarom expliciet aan [gedaagden] heeft gevraagd om de nieuwe vloer zo te maken dat deze zoveel mogelijk contactgeluid zou isoleren. [gedaagden] betwist dat dit op deze manier is besproken. De rechtbank kan op basis van de door [eiser] overgelegde stukken niet vaststellen dat er expliciete afspraken zijn gemaakt over het toepassen van de 10dB-norm of andere geluidsnormen waar de vloer aan zou moeten voldoen. Er kan dus niet worden vastgesteld dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] een beter geluidsisolerende vloer zou krijgen dan de vorige vloer. De rechtbank zal de stelling van [eiser] dat de vloer gebrekkig is daarom moeten toetsen aan wat in de ondertekende offerte is opgenomen: “dat de vloer ten behoeve van het contactgeluid geïsoleerd moet worden.” Dat beide onderburen na de verbouwing over geluidsoverlast klagen, maakt op zichzelf nog niet dat de vloer gebrekkig is aangelegd.
Het deskundigenbericht – de 10dB-norm
In 2024 heeft deze rechtbank in een verzoekschriftprocedure met het verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht de deskundige benoemd die de nieuwe vloer heeft onderzocht. Deze deskundige komt tot de conclusie dat door het forse verschil in dikte van de vloer, de nodige openingen / sparingen ter plaatse van de woningscheidende wand en onvoldoende duidelijkheid over welke materialen precies op welke locatie zijn toegepast, het niet mogelijk is om te meten met hoeveel dB de vloer dempt. Daarnaast staat in het deskundigenbericht dat de 10dB-norm, waar [eiser] zich op beroept, waarvan overigens niet kan worden vastgesteld dat deze is overeengekomen, ook niet op deze situatie toegepast kan worden. In bijlage 8 van het deskundigenbericht is namelijk informatie van de Nederlandse Stichting Geluidshinder (hierna: NSG) opgenomen waarin staat dat zij deze norm hebben geïntroduceerd voor appartementsgebouwen met een basisvloer van beton. Het appartement van [eiser] bevat echter een basisvloer van houten planken. De deskundige concludeert vervolgens dat er ook geen Unifloor producten met NSG geluidskenmerk beschikbaar zijn voor de parket vloerafwerking die [eiser] heeft gebruikt. Uit de informatie van de NSG volgt verder dat de meeste misverstanden optreden bij woningen met houten draagvloeren. Maatregelen zoals het verend leggen van een dekvloer bereiken niet het gewenste resultaat. Volgens de deskundige volgt uit deze bijlage 8 dat het nagenoeg onmogelijk is om een goede geluidsdemping te realiseren op een houten vloer. De enige optie zou zijn het leggen van zware platen rechtstreeks op de houten ondervloer. Vervolgens heeft de deskundige met ingenieur Van Althuis besproken dat de constructieve draagkracht van de bestaande vloerconstructie niet sterk genoeg is om een dergelijke zware vloer aan te leggen.
De rechtbank leidt hieruit af dat het dus niet goed mogelijk is om in het appartement van [eiser] een nieuwe vloer aan te leggen die voor wat betreft contactgeluidisolatie beter zal presteren dan de vorige vloer. Met het verend aanleggen van de dekvloer kan namelijk niet het gewenste resultaat worden behaald. Dat had wel het geval kunnen zijn door het aanleggen van een dikke en zware zwevende vloer, maar dit is niet mogelijk omdat de constructie van het gebouw dit gewicht niet kan dragen. Volgens het deskundigenbericht, dat zich hiervoor baseert op de informatie van de NSG, is eigenlijk de enige mogelijke optie om contactgeluid te voorkomen; het aanleggen van een vrijdragend gipsplafond aan de onderzijde bij de onderburen.
[eiser] heeft hiertegen ingebracht dat Top Expertise wel heeft kunnen vaststellen dat de vloer niet zwevend is aangebracht en daarmee niet aan de 10dB-norm voldoet, maar dit kan niet tot een andere conclusie leiden. Uit het rapport van TOP Expertise blijkt immers slechts dat uit de productomschrijving van de EPS platen die [gedaagden] heeft gebruikt niet blijkt dat deze aan de 10dB-norm voldoet. Dat dit niet uit de productomschrijving blijkt, betekent echter nog niet dat die EPS platen daadwerkelijk niet aan die norm voldoen. Daar komt nog bij dat uit het deskundigenbericht blijkt dat ook de door Top Expertise voorgestelde andere oplossingen niet tot het gewenste resultaat konden leiden. Top Expertise stelt namelijk voor dat zachtere minerale wol of ander specifiek hiervoor geproduceerde zachtere mineralen gebruikt hadden moeten worden, terwijl NSG juist stelt dat dit bij een houten ondervloer niet het gewenste effect heeft. Voor de andere suggestie, een natte zwevende dekvloer, is de constructie niet sterk genoeg. Kortom, de deskundige heeft dus op basis van onderzoek van NSG vastgesteld dat ook een 10dB dempende ondervloer het probleem van het contactgeluid niet opgelost zou hebben.
Het deskundigenbericht – het rechtens verkregen niveau
Omdat niet vastgesteld kan worden dat de 10dB-norm contractueel is overeengekomen, deze kennelijk ook niet op deze situatie kan worden toegepast en de deskundige heeft vastgesteld dat de contactgeluidisolatie in deze situatie niet veel beter gemaakt kan worden, komt de rechtbank toe aan de vraag of de contactgeluidisolatie van de vloer in ieder geval niet slechter is geworden. Nu contractueel is overeengekomen dat de vloer ‘ten behoeve van contactgeluid geïsoleerd moet worden’, mag immers tenminste van [gedaagden] verwacht worden dat de contactgeluidisolatie van de vloer niet slechter is geworden dan in de oude situatie het geval was (het ‘rechtens verkregen niveau’ conform het Bouwbesluit).
De deskundige heeft aan de hand van geluidmetingen en berekeningen vastgesteld dat wat betreft contactgeluidisolatie de nieuwe vloer 4 tot 7dB beter presteert dan de oude vloer. De deskundige heeft de uitkomst van de geluidmetingen van de nieuwe vloer vergeleken met de op basis van een computermodel gereconstrueerde geluidsmeting van de oude vloer, die is gebaseerd op de opbouw van de oude vloer zoals die is opgenomen in de oorspronkelijke bouwtekeningen. De deskundige is er daarbij van uitgegaan dat de oude vloer bestond uit een magnesiet vloerafwerking, houten planken, balkconstructie en gipsplaten. [eiser] heeft hier in zijn reactie op het deskundigenbericht tegen ingebracht dat de oude vloer een andere vloeropbouw had die afwijkt van de oorspronkelijke bouwtekeningen. Volgens [eiser] zat er boven de magnesiet dekvloer en tussen de magnesiet dekvloer en de houten balken nog een isolatielaag. [eiser] heeft dit onderbouwd met zes foto’s waarop dit te zien zou zijn. De deskundige heeft op basis van deze foto’s zijn berekeningen niet aangepast, omdat hij op basis van deze foto’s niet kan vaststellen of, en waar, deze isolatie heeft gezeten en hoe dik deze is geweest. De deskundige heeft zijn berekeningen hierdoor niet aangepast. Dit maakt dat [eiser] niet heeft kunnen aantonen dat de vorige vloer een betere contactgeluidisolatie had dan de huidige vloer, waardoor niet is vast komen te staan dat de norm van het rechtens verkregen niveau niet is gehaald.
[eiser] heeft in zijn antwoordakte in reactie op het deskundigenbericht er voor het eerst over geklaagd dat ook de luchtgeluidisolatie, dus naast zijn klachten over de contactgeluidisolatie, van de vloer onder de maat is. Hierbij beroept [eiser] zich op het deskundigenbericht waarin staat dat uit de geluidmetingen en berekeningen blijkt dat de luchtgeluidisolatie met 9dB slechter is geworden. De deskundige merkt hier echter over op dat de berekeningen van de geluidsisolatie van de oude vloer uitsluitend betrekking hebben op de isolatiewaarde van de bouwkundige constructie zelf. In deze berekeningen is geen rekening gehouden met de geluidslekken als gevolg van schachten en doorvoeren, aangezien deze niet nauwkeurig kunnen worden ingeschat en berekend. Bij de uitgevoerde metingen daarentegen zijn de werkelijke omstandigheden beoordeeld, inclusief de invloed van dergelijke geluidslekken en flankerende geluidsoverdracht. De meetresultaten representeren daarmee de ‘worst case’- situatie. Dit geldt in versterkte mate voor luchtgeluidsisolatie, aangezien luchtgeluid zich beter verplaatst via lekkages zoals schachten en doorvoeren. Enkel met deze berekening kan dus niet worden vastgesteld dat de luchtgeluidisolatie van de nieuwe vloer slechter is dan de oude vloer.
De aangebrachte randisolatie rondom de vloer
Daarnaast stelt [eiser] dat de door [gedaagden] aangebrachte randisolatie onvoldoende is om contactgeluid te isoleren. Hoewel [gedaagden] aanvankelijk geen randisolatie had geplaatst, heeft zij dit naderhand alsnog gedaan. In het rapport van Top Expertise staat hier slechts over: “(…) Wij twijfelen eraan of er daadwerkelijk achteraf in alle lagen van de constructie randisolatie aangebracht is. Dus ook ter plaatse van de houten balken die tegen de wanden aanliggen (…), de houten osb-platen onder de hardschuim eps-platen die strak tegen de wanden aan liggen voordat daar de hardschuim eps-platen overheen zijn gelegd (…) tot en met de eps-platen die zoals op de foto’s is te zien tegen de wanden aanliggen (…).” Dit betreft echter slechts een vermoeden van Top Expertise, dat verder niet wordt onderbouwd. [gedaagden] heeft op de mondelinge behandeling desgevraagd aangegeven dat zij de randisolatie overal heeft aangebracht. Gelet hierop heeft [eiser] zijn stelling onvoldoende onderbouwd.
[gedaagden] heeft haar waarschuwingsplicht niet geschonden
Ten slotte stelt [eiser] over de vloer dat [gedaagden] de op haar rustende waarschuwingsplicht heeft geschonden. Voor zover [gedaagden] meende dat de geoffreerde natte zwevende vloer constructief niet uitvoerbaar was, rustte op haar als professioneel aannemer de plicht om [eiser] daarvoor tijdig en duidelijk te waarschuwen en slechts met een aantoonbaar gelijkwaardig alternatieve opbouw af te wijken van het geoffreerde systeem. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] echter toegelicht dat partijen niet voor een andere vloeropbouw hebben gekozen omdat [gedaagden] meende dat de geoffreerde natte zwevende vloer constructief niet uitvoerbaar was, maar vanwege een andere reden. Pas later is uit het deskundigenbericht gebleken dat de constructie van het gebouw een dikke en harde ondervloer niet kan dragen. [eiser] heeft hierover nog gesteld dat dit met een verzwaring van de houten vloer opgelost zou kunnen worden onder verwijzing naar het rapport van Top Expertise. Daarin staat dat het niet ingewikkeld is om de balkenlaag te verzwaren om deze voldoende draagkracht te geven voor het aanbrengen van een ‘natte’ dekvloer en dat het niet uitgesloten is dat er andere (droge) oplossingen te vinden zijn zonder aanpassing van de balkenlaag. Hieruit blijkt echter niet of, en hoe, het bouwkundig mogelijk zou zijn om de constructie van het gebouw dusdanig aan te passen dat deze een dergelijk zware vloer zou kunnen dragen. Dat heeft [eiser] verder ook niet onderbouwd. Dit alles maakt dat niet de conclusie kan worden getrokken dat [gedaagden] haar waarschuwingsplicht heeft geschonden.
Tussenconclusie
De conclusie van het voorgaande is dat niet kan worden vastgesteld dat [gedaagden] voor de vloer is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. De daarvoor gevorderde vervangende schadevergoeding en ook de subsidiaire vordering tot herstel van de vloer zijn daarom niet toewijsbaar. Ook de aanvullende schadevergoeding voor kosten die verband houden met het herstel van de gestelde gebrekkige vloer worden afgewezen. Dit betreft de gevorderde kosten voor het verwijderen van (inbouw)meubels en het demonteren van de vloer (€ 74.935,30), het tijdelijk elders opslaan van de meubels met bijkomende kosten zoals opslag- en transportkosten (€ 2.969,68), vergunningskosten voor het in- en uitladen van spullen (€ 491,-), het opnieuw leggen van een parketvloer en het aanbrengen van plinten (€ 5.547,37) en verblijfskosten in een andere woning tijdens de uitvoering van de werkzaamheden (€ 5.000,-).
[gedaagden] had de overeengekomen werkzaamheden moeten afronden en moet de schade die [eiser] daardoor lijdt vergoeden
In de tweede plaats vordert [eiser] vervangende schadevergoeding, dan wel nakoming, voor overige werkzaamheden die gebrekkig zijn afgerond.
Voor toewijzing van vervangende schadevergoeding is vereist dat [gedaagden] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en zij ten tijde van het uitbrengen van de omzettingsverklaring in verzuim was. Dat is naar het oordeel van de rechtbank het geval, zoals blijkt uit het volgende.
[eiser] heeft met het rapport van Top Expertise voldoende onderbouwd dat [gedaagden] haar werkzaamheden niet (goed) heeft afgerond. Daarin is opgesomd welke punten niet (goed) zijn uitgevoerd:
-
lichtarmaturen zijn zonder schakelaars gemonteerd;
-
intercom en deurbel zijn niet gemonteerd;
-
lichtschakelaar trappenhuis werkt niet naar behoren;
-
verlichtingsarmaturen zijn niet gemonteerd;
-
de thermostaten in de woon- en slaapkamer zijn niet gemonteerd;
-
de thermostaat, wandcontactdoos en de schakelaar van de verlichting in de badkamer zijn niet gemonteerd;
-
de beamer is onjuist onder het plafond gemonteerd;
-
gebrekkig stucwerk;
gebrekkige afwerking plinten;
slotplaat woningdeur foutief gemonteerd; en
schuifdeur opent en sluit niet goed.
[gedaagden] heeft hierover ter zitting verklaard dat slechts een deel hiervan wordt erkend. Zij heeft voor de gebreken die betwist worden verwezen naar haar brief van 17 juni 2022 aan [eiser] . Daarin heeft [gedaagden] aangevoerd dat het afmaken van de verlichting in de erker (hierboven onder d.) buiten de offerte valt. Uit het rapport van Top Expertise volgt echter dat dit binnen de offerte ‘elektra aanpassing en overige bekabeling’ valt. Voor de overige betwiste punten heeft [gedaagden] slechts aangevoerd dat dit deugdelijk is uitgevoerd. Dat kan in het licht van het rapport van Top Expertise niet worden gezien als een voldoende gemotiveerde betwisting van de door [eiser] gestelde gebreken. Dat brengt mee dat vast is komen te staan dat [gedaagden] voor de hiervoor opgesomde gebreken is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
[gedaagden] heeft nog aangevoerd dat Top Expertise een zogenoemde partijdeskundige is. Dat wil echter op zichzelf nog niet zeggen dat aan de inhoud van het door haar opgestelde rapport moet worden voorbijgegaan. Het staat de rechter namelijk vrij om bij de beoordeling van een geschil een dergelijk rapport tot uitgangspunt te nemen, ook als in het partijdebat bezwaren zijn geuit tegen de wijze van totstandkoming of de inhoud daarvan. Dat Top Expertise er belang bij heeft om in het voordeel van [eiser] te oordelen en als gevolg daarvan onjuiste conclusies heeft genomen, is niet gebleken. Dat heeft [gedaagden] ook niet concreet toegelicht of onderbouwd. Het enkele feit dat de deskundige van Top Expertise tijdens het onderzoek ter plaatse zich niet had voorgesteld aan [eiser] en zijn gemachtigde en daarom het vermoeden bestaat dat zij elkaar al kenden, is onvoldoende om te oordelen dat de conclusies over bovengenoemde punten onjuist zijn. [gedaagden] heeft zich bovendien tegen het rapport kunnen verweren. Het verweer tegen (de totstandkoming van) het rapport van Top Expertise, slaagt dan ook niet.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagden] met haar werkzaamheden is gestopt toen [eiser] zich begin december 2021 zorgen begon te maken over de vloer en daarom de betaling van de openstaande facturen opschortte. [gedaagden] heeft het overeengekomen werk dus niet op de juiste wijze afgemaakt, terwijl zij dat contractueel wel verplicht was om te doen. [gedaagden] heeft ter zitting aangegeven dat zij niet meer gehouden was het werk af te maken als [eiser] niet eerst alle facturen betaalde. De rechtbank volgt [gedaagden] niet in dit standpunt, aangezien nergens uit blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat [gedaagden] het werk pas hoefde af te ronden als [eiser] eerst alle facturen had betaald. Op [gedaagden] rust een doorlopende verplichting om goed en deugdelijk werk te leveren en daaraan gekoppeld een doorlopende verplichting om niet deugdelijk uitgevoerd werk alsnog deugdelijk uit te voeren. Bovendien had [eiser] gedeeltelijk gelijk in zijn klachten over de vloer, omdat [gedaagden] geen randisolatie had aangebracht en dit pas na herhaaldelijk klagen van [eiser] alsnog heeft gedaan. Het standpunt dat [gedaagden] nooit in verzuim is gekomen omdat zij altijd heeft aangegeven het werk af te willen maken, maar dit niet kon doen omdat zij eerst de gevolgschade van [eiser] moest vergoeden volgt de rechtbank ook niet. [gedaagden] is namelijk op 6 april 2022 verzocht het werk af te maken en op 18 mei 2022 hiervoor formeel in gebreke gesteld. [gedaagden] heeft hierop op 17 juni 2022 gereageerd dat zij geen werkzaamheden meer hoefde te verrichten omdat het overeengekomen werk deugdelijk is afgerond en dat wat [eiser] vordert meerwerk betreft. Daarnaast is de eis dat [gedaagden] eerst het bedrag aan schadevergoeding zou moeten betalen voordat zij de gebreken mocht herstellen pas voor het eerst in december 2022 gesteld, terwijl [gedaagden] toen al bijna een jaar de tijd had om de werkzaamheden af te maken. [gedaagden] werd hiertoe verzocht en is hiervoor in gebreke gesteld, maar zij heeft zelf steeds aangegeven dat zij geen werk meer hoefde te verrichten. Hierdoor mocht [eiser] er vanuit gaan dat [gedaagden] dit werk niet meer zou afmaken en mocht hij in oktober 2023 zijn vordering tot nakoming omzetten in een vordering tot vervangende schadevergoeding.
De omvang van de vervangende schadevergoeding
[eiser] vordert € 4.397,65 aan vervangende schadevergoeding voor het laten herstellen van de vastgestelde gebreken. Ter onderbouwing hiervan verwijst [eiser] naar de door Top Expertise begrote herstelkosten. [gedaagden] betwist de omvang van de schade en heeft ter zitting aangevoerd dat nergens uit blijkt dat [eiser] daadwerkelijk de begrote herstelkosten heeft gemaakt. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat inmiddels een groot deel van de herstelwerkzaamheden zijn uitgevoerd en dat hij daarvan een deel zelf heeft verricht. Volgens [eiser] moet voor de hoogte van de schadevergoeding alsnog aansluiting worden gezocht bij de door Top Expertise begrote herstelkosten, omdat niet van belang is of hij de begrote kosten daadwerkelijk gaat maken of heeft gemaakt.
Vervangende schadevergoeding treedt in de plaats van de niet geleverde prestatie en gaat om vergoeding van de waarde van de uitgebleven prestatie. De omvang daarvan is gelijk aan de vermogensvermindering die door [eiser] is geleden ten tijde van de niet-nakoming door [gedaagden] ten opzichte van de situatie waarin hij zou zijn geraakt bij behoorlijke nakoming. Om de waarde vast te stellen moet worden gekeken naar wat het kost om alsnog de prestatie te verrichten. Daarbij geldt dat als feitelijk geen herstel plaatsvindt of als [eiser] de gebreken zelf heeft (laten) herstellen, dit geen gevolgen heeft voor de berekening van de gevorderde vervangende schadevergoeding. Van belang is slechts wat de kosten zijn indien de overeenkomst alsnog deugdelijk wordt nagekomen. Daarbij staat het de rechter vrij om de schade te begroten op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is.
Met inachtneming van het voorgaande heeft [eiser] naar het oordeel van de rechtbank met het rapport van Top Expertise per gebrek voldoende onderbouwd wat het zou kosten om deze werkzaamheden alsnog (deugdelijk) uit te voeren. [gedaagden] heeft niet concreet aangegeven waarom de door Top Expertise vastgestelde bedragen te hoog zijn, welke bedragen dan wel redelijk zijn of voor welke bedragen [gedaagden] deze werkzaamheden had kunnen uitvoeren. De rechtbank neemt daarom voor de begroting van de schade het rapport van Top Expertise als uitgangspunt. Dat leidt tot de conclusie dat de door Top Expertise begrote herstelkosten voor de vastgestelde gebreken van € 4.397,65 toewijsbaar is.
De overige kostenposten worden grotendeels afgewezen
Ten slotte vordert [eiser] aanvullende schadevergoeding voor verschillende kostenposten. Dat betreft gevorderde kosten voor gebrekkig schilderwerk, vertragingsschade voor uitstel van de levering van de keuken, dubbele woonlasten en reparatie van het gemeenschappelijk trappenhuis. Deze vorderingen worden hierna besproken.
(i) Gebrekkig schilderwerk
[eiser] vordert kosten om gebrekkig schilderwerk als gevolg van het slechte stucwerk te herstellen. Voor de omvang van de schade verwijst [eiser] naar het rapport van Top Expertise, waaruit volgt dat de herstelkosten € 7.742,30 bedragen. [gedaagden] betwist de omvang van de schade.
Omdat [eiser] met het rapport van Top Expertise voldoende heeft onderbouwd dat het schilderwerk gebrekkig is als gevolg van de door [gedaagden] uitgevoerde werkzaamheden en [gedaagden] hiertegen onvoldoende heeft ingebracht, is [gedaagden] aansprakelijk voor de herstelkosten daarvan. Daarvoor is het niet nodig dat [gedaagden] door middel van een ingebrekestelling in verzuim is geraakt, zoals [gedaagden] betoogt. [eiser] had deze schade namelijk niet geleden als [gedaagden] meteen deugdelijk had gepresteerd en deze schade kan niet meer worden weggenomen door de opdracht alsnog goed uit te voeren.
Bij de begroting van de herstelkosten is Top Expertise uitgegaan van de situatie dat de gehele woning (wanden en plafonds) opnieuw geschilderd moet worden omdat tijdens de vervanging van de vloer en de de-/montage van de inbouwmeubels beschadigingen zullen ontstaan. Nu [gedaagden] niet kan worden aangesproken voor herstel van de vloer, kan zij ook niet worden aangesproken voor de kosten voor het volledig opnieuw schilderen van de woning. Duidelijk is dus dat de herstelkosten voor het gebrekkig schilderwerk lager zullen uitvallen. Top Expertise heeft echter in de begroting van de herstelkosten geen onderscheid gemaakt tussen het volledig opnieuw schilderen van de woning en het herstel van alleen de reeds aanwezige schade. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en raamt de toewijsbare schadevergoeding op € 2.000,-.
(ii) Vertragingsschade en dubbele woonlasten
De vorderingen voor het uitstel van de levering van de keuken (€ 1.200,-) en dubbele lasten vanwege het behouden van zijn oude woning (€ 6.152,-) worden afgewezen. [eiser] legt hieraan ten grondslag dat partijen een opleverdatum hebben afgesproken en dat [gedaagden] deze opleverdatum niet heeft gehaald. [gedaagden] betwist dit. In het licht hiervan heeft [eiser] zijn standpunt onvoldoende onderbouwd, waardoor de rechtbank hier niet vanuit gaat. [eiser] heeft namelijk alleen gewezen op een WhatsApp-bericht van 8 juli 2021 waarin hij heeft aangegeven dat hij het idee heeft dat: “de afspraak dat de vloer er zou liggen voor de bouwvak niet gehaald gaat worden”, maar dat is onvoldoende. Hieruit blijkt immers niet dat een fatale termijn is afgesproken, laat staan dat hieruit een afspraak volgt dat als deze opleverdatum niet wordt gehaald, [gedaagden] de extra kosten die [eiser] hierdoor moet maken zou vergoeden.
(iii) Reparatie gemeenschappelijke trappenhuis
Ook de vordering voor de reparatie van het gemeenschappelijk trappenhuis (€ 900,-) wordt afgewezen. [gedaagden] heeft namelijk betwist dat zij schade aan het gemeenschappelijk trappenhuis heeft veroorzaakt en [eiser] heeft in het geheel niet onderbouwd dat dit het geval is.
Het beroep van [gedaagden] op eigen schuld slaagt niet
[gedaagden] heeft nog aangevoerd dat [eiser] niet aan zijn schadebeperkingsplicht heeft voldaan, maar dit verweer slaagt niet. [gedaagden] heeft hiervoor namelijk slechts betoogd dat de gevorderde schade te hoog is en dat [eiser] geen rekening heeft gehouden met de belangen van [gedaagden] . Dat is onvoldoende om te kunnen concluderen dat er sprake is van omstandigheden die in het kader van eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW aan [eiser] kunnen worden toegerekend.
De indexering van de schadevergoeding wordt afgewezen
De gevorderde indexatie met de CBS bouw inputprijsindex wordt afgewezen omdat [eiser] de herstelwerkzaamheden grotendeels zelf heeft uitgevoerd. Daardoor ligt het niet voor de hand dat [eiser] meer heeft moeten betalen dan de door Top Expertise begrote herstelkosten.
Conclusie
Uit het voorgaande volgt dat [gedaagden] aan schadevergoeding (€ 4.397,65 + € 2.000,- =) € 6.397,65 aan [eiser] moet betalen. [eiser] heeft echter een beroep gedaan op verrekening. Dit bedrag wordt daarom verrekend met het bedrag dat [eiser] nog aan [gedaagden] is verschuldigd. Dat wordt hierna bij de beoordeling van de vordering in reconventie besproken.
De expertisekosten
[eiser] vordert verder hoofdelijke betaling van de kosten van de deskundigenonderzoeken van € 700,- voor [naam] en € 2.722,50 voor Top Expertise. De gevorderde expertisekosten voor [naam] worden volledig afgewezen omdat dit rapport alleen ziet op de door [eiser] gestelde gebreken aan de vloer en niet is vast komen te staan dat [gedaagden] op dat punt is tekortgeschoten. De gevorderde expertisekosten voor Top Expertise zijn gedeeltelijk toewijsbaar op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW, omdat de inhoud daarvan ook betrekking heeft op andere gebreken en het redelijk is dat [eiser] deze kosten heeft gemaakt. Dat [eiser] een rechtsbijstandsverzekering heeft (zoals [gedaagden] betoogt) maakt dit niet anders, nu niet is gebleken dat [eiser] in verhouding tot zijn rechtsbijstandsverzekeraar recht heeft op behoud van een door de rechter toegewezen vergoeding van expertisekosten. Deze vordering wordt schattenderwijs tot een bedrag van € 1.300,- toegewezen, omdat het rapport voor het overige op de vloer zag waarvan niet is vast komen te staan dat [gedaagden] op dat punt is tekortgeschoten. Dit bedrag wordt hoofdelijk toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde en niet betwiste wettelijke rente vanaf 22 december 2022. Hoofdelijk betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Wat de één betaalt hoeft de ander niet meer te betalen.
De buitengerechtelijke incassokosten
[eiser] vordert hoofdelijk een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom wordt een bedrag van € 694,88 hoofdelijk toegewezen.
de tegenvorderingen van [gedaagden] (in reconventie)
De gevorderde betaling van de onbetaalde facturen
[gedaagden] vordert betaling van € 62.316,10 voor nog openstaande facturen. Een deel daarvan ziet op het onbetaald gebleven restant van de aanneemsom en het andere deel op meerwerk.
[eiser] heeft erkend hij in totaal nog € 28.275,- aan [gedaagden] moet betalen. Daarvan ziet € 26.399,85 op het nog openstaande deel van de aanneemsom en € 1.875,15 voor overeengekomen meerwerk voor het plaatsen van isolatie in het keukenplafond en de parkeerkosten van oktober en november 2021. [eiser] heeft hiervoor een beroep gedaan op verrekening. De rechtbank oordeelt dat [eiser] in ieder geval dit bedrag aan [gedaagden] moet betalen, met aftrek van het hiervoor in conventie toegewezen bedrag aan schadevergoeding van € 6.397,65 dat wordt verrekend. Het overige deel van de openstaande facturen van € 34.041,10 wordt door [eiser] betwist en komt hierna aan de orde.
Factuur [factuurnummer 24] over stucwerk van € 269,17 en factuur [factuurnummer 25] parkeerkosten juni, juli, aug en sept van € 461,51
Voor deze gevorderde posten stelt [gedaagden] dat de btw van de facturen onbetaald is gebleven. Omdat [eiser] vindt dat hij het verschuldigde bedrag wel volledig heeft betaald, moet hij dit bewijzen. [eiser] verwijst hiervoor naar een overzicht dat hij zelf heeft gemaakt, maar dit toont niet aan dat de volledige facturen zijn voldaan. Dat is dan ook niet komen vast te staan, zodat [eiser] gehouden is om het openstaande bedrag alsnog te betalen. [eiser] moet voor deze facturen dus nog (€ 269,17 + € 461,51=) € 730,68 aan [gedaagden] betalen.
Meerwerk en oneerlijke handelspraktijk
De overige gevorderde meerwerkposten hoeft [eiser] niet te betalen. Over de facturen en de meerwerkfacturen van [gedaagden] staat tussen partijen het volgende vast. In 2021 zijn [gedaagden] en [eiser] zes offertes overeengekomen voor de verbouwing van het appartement van [eiser] . Gedurende 2021 zijn de werkzaamheden uitgevoerd en zijn er conform deze offertes facturen aan [eiser] gestuurd. Daarnaast zijn er in 2021 vier facturen voor de parkeerkosten van [gedaagden] gestuurd. In eerste instantie betaalde [eiser] de door [gedaagden] gestuurde facturen. Toen het werk eind 2021 bijna was afgerond, is [eiser] gestopt met het betalen van de facturen omdat hij vreesde dat de vloer gebrekkig was en hij dacht een grote tegenvordering op [gedaagden] te hebben. [gedaagden] heeft er eind 2021 en begin 2022 steeds alleen op aangedrongen dat [eiser] de door [gedaagden] gestuurde facturen alsnog zou betalen. Nadat [eiser] begin 2022 bleef klagen over de vloer en de werkzaamheden die nog afgerond moesten worden, stuurde [gedaagden] op 29 april 2022 maar liefst zevenentwintig meerwerkfacturen. [eiser] betwist dat sprake is van meerwerk en voert aan dat een groot aantal van de gevorderde meerwerkposten al onderdeel uitmaken van de zes overeengekomen offertes. Voor het overige betwist hij dat hij opdracht heeft gegeven om meerwerk uit te voeren, dan wel dat [gedaagden] heeft gewaarschuwd voor een prijsverhoging.
Op grond van artikel 7:755 BW kan [gedaagden] alleen aanspraak maken op betaling van meerwerk wanneer [gedaagden] van [eiser] de opdracht tot het meerwerk heeft gekregen en [gedaagden] [eiser] tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een daaruit voortvloeiende prijsverhoging, tenzij [eiser] die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen. Op [gedaagden] rust hiervan de stelplicht, en zo nodig de bewijslast, nu zij betaling van het meerwerk vordert.
Omdat [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat hij de facturen voor het meerwerk is verschuldigd, ligt het op de weg van [gedaagden] om het gestelde meerwerk op een deugdelijke wijze te onderbouwen. Daarin is zij voor de hierna genoemde meerwerkposten niet geslaagd, aangezien [gedaagden] haar stelling dat voor het gestelde meerwerk opdracht is gegeven en is gewaarschuwd voor meerwerk en extra kosten in de meeste gevallen niet voldoende heeft onderbouwd. Ook heeft [gedaagden] onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat [eiser] zich van een prijsverhoging bewust moet zijn geweest. De volgende gevorderde meerwerkposten zijn om deze reden al niet toewijsbaar:
|
Factuurnummer |
Omschrijving meerwerk |
Openstaand bedrag |
|
[factuurnummer 1] |
Balkondeuren inkorten |
€ 181,50 |
|
[factuurnummer 2] |
Verlaagd plafond erker |
€ 1.660,10 |
|
[factuurnummer 3] |
Constructief |
€ 584,20 |
|
[factuurnummer 4] |
Plafond isolatie toilet |
€ 875,70 |
|
[factuurnummer 5] |
Muren voorbereiding Xinnix |
€ 1.264,40 |
|
[factuurnummer 6] |
Tegels |
€ 363,00 |
|
[factuurnummer 7] |
Keuken plafond |
€ 1.568,47 |
|
[factuurnummer 8] |
Los stucwerk eetkamer |
€ 591,90 |
|
[factuurnummer 9] |
Stucwerk bovenburen |
€ 583,26 |
|
[factuurnummer 10] |
Balk t.b.v. stalen vouwdeur |
€ 716,49 |
|
[factuurnummer 11] |
Overleg loodgieter |
€ 290,40 |
|
[factuurnummer 12] |
Kranen |
€ 217,80 |
|
[factuurnummer 13] |
Ventilatie bespreken |
€ 145,20 |
|
[factuurnummer 14] |
Keuze glazen wand badkamer |
€ 254,10 |
|
[factuurnummer 15] |
Xinnix |
€ 5.715,82 |
|
[factuurnummer 16] |
Schade boven wand cv ketel |
€ 361,40 |
|
[factuurnummer 17] |
Houtrot achter in uitbouw |
€ 142,91 |
|
[factuurnummer 18] |
Stukadoor |
€ 3.338,24 |
|
[factuurnummer 19] |
Schuifdeur rail |
€ 566,12 |
|
[factuurnummer 20] |
Portaal uittimmeren |
€ 806,69 |
|
[factuurnummer 21] |
Nis woonkamer muur |
€ 249,50 |
|
[factuurnummer 22] |
Raamkozijn aftimmeren |
€ 316,44 |
Voor zover [eiser] wel opdracht tot meerwerk zou hebben gegeven, waarbij dat het geval zou kunnen zijn bij de facturen (i) [factuurnummer 23] wanden/binnendeur kozijnen van € 2.740,00, (ii) [factuurnummer 26] verwijderen hardhouten kozijnen van € 201,50, (iii) [factuurnummer 27] puin en afval badkamer van € 443,01, (iv) [factuurnummer 28] elektra van € 21.260,90 en (v) [factuurnummer 29] Hue ledstrip en Casambi verlichting van € 392,37, kunnen de kosten alsnog niet worden toegewezen. [eiser] heeft namelijk een beroep gedaan op gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst omdat er wat betreft het meerwerk sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. Daarvoor voert [eiser] aan dat vooraf onvoldoende duidelijkheid is verschaft over de prijs van het meerwerk. De rechtbank oordeelt dat dit verweer slaagt vanwege het volgende.
De aanneemovereenkomst is gesloten tussen een professionele partij ( [gedaagden] ) en een consument ( [eiser] ). Daarom is de afdeling 6.3.3A BW (oneerlijke handelspraktijken) van toepassing. Op grond van artikel 6:193j lid 3 BW is een overeenkomst die als gevolg van een oneerlijke handelspraktijk tot stand is gekomen, vernietigbaar. Uit artikel 6:193b lid 3 sub a BW volgt dat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk als een aannemer een misleidende handelspraktijk verricht. Daarvan is sprake als de aannemer essentiële informatie welke een gemiddelde consument nodig heeft om een geïnformeerd besluit te nemen weglaat, waardoor de gemiddelde consument een besluit over een overeenkomst neemt of kan nemen dat hij anders niet had genomen (artikel 6:193d lid 2 BW).
Omdat [eiser] heeft aangevoerd dat onvoldoende duidelijkheid door [gedaagden] is verschaft over de kosten van het meerwerk, rust op grond van artikel 6:193j lid 1 BW op [gedaagden] de bewijslast van de materiële juistheid en volledigheid van de informatie die zij heeft verstrekt. [gedaagden] heeft echter niet alleen onvoldoende onderbouwd dat zij vooraf op een voldoende duidelijke en voor [eiser] kenbare wijze heeft gewezen op de noodzaak van de prijsverhogingen, maar ook heeft zij niet kunnen aantonen dat duidelijkheid is verstrekt over de prijs van het meerwerk. Dat maakt dat de aanneemovereenkomst gedeeltelijk, namelijk wat betreft het overeengekomen meerwerk, moet worden vernietigd omdat sprake is van een oneerlijke handelspraktijk. [eiser] is daarom de gevorderde meerwerkposten niet verschuldigd.
Wel moet [eiser] nog € 1.500,- (inclusief btw) aan [gedaagden] betalen voor de stelposten voor de drie deuren van ‘factuur [factuurnummer 23] wanden/binnendeur kozijnen’. Vast staat namelijk dat [eiser] de drie deuren heeft afgenomen, maar dat deze stelposten zijn gecrediteerd. Dat [eiser] niet veroordeeld kan worden om het hogere, als meerwerk, in rekening gebrachte bedrag voor deze deuren te betalen, neemt niet weg dat hij nog wel het lagere bedrag van de stelposten moet betalen.
Conclusie
De slotsom van het voorgaande is dat [eiser] gehouden is om aan [gedaagden] te betalen (€ 28.275,- + € 730,68 + € 1.500,- = ) € 30.505,68, waarop nog € 6.397,65 (zie 5.32) in mindering komt. Uiteindelijk leidt dat ertoe dat de vordering onder I van [gedaagden] tot een bedrag van € 24.108,03 wordt toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde en niet betwiste wettelijke rente vanaf 5 december 2021.
De buitengerechtelijke incassokosten
[gedaagden] vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Omdat [eiser] een consument is, moet de rechtbank controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagden] heeft aan [eiser] een aanmaning gestuurd die niet voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, omdat het toepasselijke wettelijke tarief niet is vermeld. De gevorderde vergoeding wordt daarom afgewezen.
De expertisekosten
[gedaagden] maakt verder aanspraak op betaling van de kosten voor het deskundigenbericht. [eiser] heeft hiertegen ingebracht dat een grondslag voor het toewijzen van deze vordering ontbreekt, omdat – zoals de rechtbank dit verweer begrijpt – de deskundige is ingeschakeld op verzoek van [gedaagden] ter onderbouwing van haar betwisting van de aansprakelijkheid, en de kosten niet vallen onder proceskosten nu het gaat om een andere procedure.
De rechtbank oordeelt dat de kosten voor het voorlopig deskundigenbericht in het kader van de proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. In een verzoekschriftprocedure tot een voorlopig deskundigenbericht wordt namelijk geen oordeel gegeven over de aansprakelijkheid en wie uiteindelijk de kosten van het deskundigenbericht moet dragen. Dat is nu juist iets wat in deze bodemprocedure is vastgesteld. De partij die in het ongelijk wordt gesteld, moet dan alsnog de kosten van de deskundige betalen. Dit deel van de vordering wordt daarom hierna bij de beoordeling van de proceskosten in conventie meegenomen.
de vordering en de tegenvordering (in conventie en in reconventie) voorts
Proceskosten in conventie
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Dat betekent dat [eiser] ook de kosten van de deskundige moet dragen. De kosten van de deskundige zijn € 16.080,90. Daarvan hebben beide partijen bij wijze van voorschot elk de helft betaald. Het door [eiser] betaalde deel komt definitief ten laste van hem, terwijl het door [gedaagden] betaalde deel van het voorschot ook voor rekening van [eiser] komt. Wel houdt de rechtbank bij de vaststelling van het toewijsbare bedrag er rekening mee dat het onderzoek niet alleen betrekking had op de vloer, maar ook op de constructieve doorbraak in de woning van [eiser] , wat geen onderdeel is van deze procedure. De rechtbank stelt de kosten voor dit deel van het onderzoek schattenderwijs vast op € 2.000,-, zodat dit bedrag in mindering strekt op het totale voorschot van het deskundigenbericht. Daarom is in onderstaande begroting van de proceskosten een bedrag van € 7.040,45 voor de kosten van de deskundige opgenomen.
De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
|
- griffierecht |
€ |
5.737,00 |
|
|
- kosten deskundigen |
€ |
7.040,45 |
|
|
- salaris advocaat |
€ |
1.306,00 |
(2 punten × € 653,00) |
|
- nakosten |
€ |
148,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
14.231,45 |
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen, die vanwege de verwevenheid met de vordering in conventie wordt gehalveerd en begroot op:
|
- salaris advocaat |
€ |
836,00 |
(2 punten × factor 0,5 × € 836,00) |
|
- nakosten |
€ |
148,00 |
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
984,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordelingen worden, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.
6 De beslissing
De rechtbank
de vordering (in conventie)
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.300,00 aan expertisekosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 22 december 2022 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 694,88 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 14.231,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
de tegenvordering (in reconventie)
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagden] te betalen een bedrag van € 24.108,03, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 5 december 2021 tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 984,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
de vordering en de tegenvordering (in conventie en in reconventie) voorts
veroordeelt [eiser] tot betaling van € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis wat betreft de hierboven genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Versteeg, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026. |
||