Verbintenissenrecht
Rechtbank Amsterdam · Bodemzaak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Amsterdam, 6 maart 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3099 · Rechtbank Amsterdam · 6 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-3099
Zaakgegevens
Op 6 maart 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 maart 2026
- Datum publicatie
- 26 maart 2026
- Zaaknummer
- 11829693 \ CV EXPL 25-10791
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:3099
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Nakomen overeenkomst
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11829693 \ CV EXPL 25-10791
Vonnis van 6 maart 2026
in de zaak van
PROXIMEDIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
hierna te noemen: Proximedia,
gemachtigde: PUURNouta,
tegen
[gedaagde] (H.O.D.N. [handelsnaam gedaagde] ),
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [handelsnaam gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 juli 2025 met producties 1 tot en met 17,
- de conclusie van antwoord van [handelsnaam gedaagde] ,
- het tussenvonnis van 18 november 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van 23 januari 2026 van Proximedia met producties 18 en 19,
- de mondelinge behandeling van 6 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die zich in het procesdossier bevinden. Bij de mondelinge behandeling is [handelsnaam gedaagde] niet verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
Proximedia heeft met [handelsnaam gedaagde] op 22 september 2022 een overeenkomst gesloten voor de duur van 24 maanden. Deze overeenkomst houdt in dat Proximedia aan [handelsnaam gedaagde] verschillende prestaties op het internet levert voor een maandelijkse bijdrage.
Proximedia heeft in verband met de overeenkomst aan [handelsnaam gedaagde] maandelijks facturen gestuurd. [handelsnaam gedaagde] heeft deze niet betaald. Proximedia heeft vervolgens geprobeerd een regeling met [handelsnaam gedaagde] te treffen, maar dit is niet gelukt.
Op 10 november 2023 heeft Proximedia de vordering ter incasso gegeven aan haar gemachtigde. Zij heeft dit medegedeeld aan [handelsnaam gedaagde] . Ook heeft zij medegedeeld dat op basis van artikel 8.3 van de overeenkomst alle vorderingen uit hoofde van de overeenkomst onmiddellijk opeisbaar zijn.
3 Het geschil
Proximedia vordert een bedrag van € 7.882,69. Dit bedrag bestaat uit € 3.565,87 aan onbetaalde facturen, € 2.189,00 aan resterende maandbijdragen per 10 november 2023, € 1.404,59 aan wettelijke handelsrente tot 10 juli 2025 en € 723,23 aan op grond van de overeenkomst verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten (€ 863,23 - € 140,00 aan door [handelsnaam gedaagde] na sommatie betaald bedrag).
[handelsnaam gedaagde] voert aan dat hij het niet eens is met de vordering. Volgens [handelsnaam gedaagde] is hij door Proximedia benaderd in een kwetsbare en instabiele periode. Ook heeft hij meermalen bij Proximedia gemeld dat hij geen gebruik wilde maken van hun diensten. Hij heeft nauwelijks ruimte voor extra uitgaven.
4 De beoordeling
De kantonrechter zal de vordering van Proximedia toewijzen. [handelsnaam gedaagde] krijgt geen gelijk. Zij zal hierna uitleggen waarom zij dit doet.
[handelsnaam gedaagde] betwist niet dat hij de overeenkomst heeft gesloten, maar voert aan dat hij is benaderd in een kwetsbare en instabiele periode. Voor zover hij hiermee wil stellen dat Proximedia misbruik van zijn omstandigheden heeft gemaakt, geldt dat [handelsnaam gedaagde] dit volledig niet heeft onderbouwd en dat zijn stelling dus geen doel treft.
[handelsnaam gedaagde] stelt verder dat hij meermalen heeft gemeld dat hij geen gebruik wilde maken van de diensten van Proximedia. Dit bevrijdt [handelsnaam gedaagde] alleen niet van zijn verplichtingen. [handelsnaam gedaagde] is namelijk een bedrijf dat voor zijn bedrijfsvoering een overeenkomst van 24 maanden heeft gesloten. In de overeenkomst staat duidelijk aangegeven dat dit een onherroepelijke termijn is. [handelsnaam gedaagde] is dan ook gehouden tot nakoming van deze overeenkomst. Dat [handelsnaam gedaagde] , naar eigen stelling, nauwelijks ruimte heeft voor extra uitgaven, maakt dit niet anders.
buitengerechtelijke incassokosten
Ook de door Proximedia gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen. [handelsnaam gedaagde] heeft de verschuldigdheid daarvan op grond van de tussen hen gesloten overeenkomst namelijk niet betwist en er zijn geen redenen om (ambtshalve) tot matiging van de gevorderde vergoeding over te gaan.
wettelijke handelsrente
Proximedia heeft € 1.404,59 aan wettelijke handelsrente tot 10 juli 2025 gevorderd en een veroordeling van [handelsnaam gedaagde] tot betaling van de wettelijke handelsrente vanaf 10 juli 2025 tot aan de dag van algehele voldoening over € 5.754,87. Deze vordering wordt als onweersproken toegewezen.
proceskosten
[handelsnaam gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Proximedia worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
131,53 |
|
|
- griffierecht |
€ |
543,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
720,00 |
(2 punten × € 360,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
|
|
Totaal |
€ |
1.538,53 |
|
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [handelsnaam gedaagde] om aan Proximedia te betalen een bedrag van € 7.882,69, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 5.754,87, met ingang van 10 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [handelsnaam gedaagde] in de proceskosten van € 1.538,53, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [handelsnaam gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Sullivan, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.