Verbintenissenrecht

Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. In strijd met de waarheid gesteld dat de schermafdrukken…

Rechtbank Amsterdam, 19 maart 2026

Zaakgegevens

Op 19 maart 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
19 maart 2026
Datum publicatie
7 april 2026
Zaaknummer
12093820 \ CV EXPL 26-1680
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:3430
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. In strijd met de waarheid gesteld dat de schermafdrukken dateren van de datum van de bestelling. Deze dateren van een ander jaar. Hierdoor kan niet worden getoetst of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de informatieplichten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12093820 \ CV EXPL 26-1680

Vonnis van 19 maart 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOL.COM B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde: Van Lith Gerechtsdeurwaarders en Incasso,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 januari 2026, met producties,

- het tegen gedaagde partij verleende verstek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).

2.2.

Vorenbedoeld onderzoek is niet mogelijk, omdat eisende partij de voor de beoordeling van belang zijnde feiten niet volledig c.q. naar waarheid heeft aangevoerd.

2.3.

De overeenkomst is gesloten in 2025. Getoetst moet worden of eisende partij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft voldaan aan haar informatieplichten. Eisende partij stelt in dit verband in de dagvaarding, kort gezegd, dat zij aan haar informatieplichten heeft voldaan. In punt 21 van de dagvaarding stelt zij het volgende:
Bol.com stelt nadrukkelijk dat de schermafdrukken en de bestelbevestiging zoals weergegeven in productie 2 dateren van 16 februari 2025 (de datum van de bestelling, ktr) en sindsdien ongewijzigd zijn gebleven. De bijgevoegde schermafdrukken betreffen dus het bestelproces dat de gedaagde heeft doorlopen op het moment van het aangaan van de overeenkomst.

2.4.

Deze stelling is in strijd met de waarheid, omdat uit de overgelegde schermafdrukken volgt dat deze dateren van 2024. Dat blijkt uit de schermafdruk bij stap 2.1 en uit de combinatie van de schermafdrukken bij stappen 5.1 en 6.2. Eisende partij heeft de kantonrechter dan ook onjuist voorgelicht. Bovendien kan aan de hand van de overgelegde schermafdrukken niet worden getoetst of eisende partij ten tijde van het sluiten van de overeenkomst heeft voldaan aan haar informatieplichten (vgl. ECLI:NL:HR:2021:1677, overweging 3.1.17), omdat deze dateren van een ander jaar. Naar vast beleid volstaan uitsluitend schermafdrukken van hetzelfde kalenderjaar als het jaar waarin de bestelling is geplaatst.

2.5.

Door de voor de beoordeling van belang zijnde feiten niet volledig en niet naar waarheid aan te voeren, heeft eisende partij het de kantonrechter onmogelijk gemaakt om het ambtshalve onderzoek op juiste wijze uit te voeren. Dat geeft aanleiding de vordering af te wijzen op grond van artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

2.6.

Eisende partij wordt bij deze uitkomst als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

wijst de vordering af,

3.2.

veroordeelt eisende partij in de proceskosten, begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.

991