Verbintenissenrecht
Boekhoudkundige werkzaamheden. Deel van de facturen is verjaard. De niet verjaarde facturen moeten worden…
Rechtbank Amsterdam, 22 mei 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6356 · Rechtbank Amsterdam · 22 mei 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-6356
Zaakgegevens
Op 22 mei 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 mei 2026
- Datum publicatie
- 23 juni 2026
- Zaaknummer
- 12007662 \ CV EXPL 25-17077
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6356
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Boekhoudkundige werkzaamheden. Deel van de facturen is verjaard. De niet verjaarde facturen moeten worden betaald, omdat niet is betwist dat tussen partijen een overeenkomst heeft bestaan op grond waarvan eisende partij boekhoudkundige werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de onderneming van gedaagde partij.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12007662 \ CV EXPL 25-17077
991
Vonnis van 22 mei 2026
in de zaak van
[eiser] , handelend onder de naam [handelsnaam eiser] ( [handelsnaam eiser] ),
wonende en zaakdoende te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 december 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het instructievonnis van 15 januari 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de dagbepaling van de mondelinge behandeling.
[eiser] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een aanvullende productie overgelegd.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. [eiser] is verschenen, met [naam] namens de gemachtigde. [gedaagde] is in persoon verschenen. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] heeft in de periode van 1 april 2019 tot en met oktober 2021 boekhoudkundige werkzaamheden verricht ten behoeve van (de inmiddels opgeheven onderneming van) [gedaagde] .
Voor de boekhoudkundige werkzaamheden heeft [eiser] facturen opgemaakt. De facturen dateren van 12 juli 2019, 13 februari 2020, 1 augustus 2020 en 3 november 2021 en bedragen respectievelijk € 258,46, € 33,40, € 1.512,50 en € 221,79. De facturen zijn als volgt geadresseerd: [adres] , [postcode] , [woonplaats] .
[gedaagde] heeft voornoemde facturen niet betaald. [eiser] heeft meerdere aanmaningen gestuurd, die gelijk zijn geadresseerd als de facturen (zie 2.2).
Op 24 februari 2025 heeft [eiser] via WhatsApp een bericht aan [gedaagde] gestuurd, waarbij hij reclameert over de facturen. Als bijlage zat een overzicht met de openstaande vordering. Op dit bericht heeft [gedaagde] gereageerd.
3 Het geschil
[eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:
-
€ 2.026,15 aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 3 december 2025 tot de dag van betaling,
-
€ 1.253,13 aan vervallen wettelijke handelsrente tot 3 december 2025,
-
€ 303,92 aan invorderingskosten (buitengerechtelijke kosten),
-
e proceskosten.
[eiser] stelt dat hij in opdracht en voor rekening van (de eenmanszaak van) [gedaagde] boekhoudkundige werkzaamheden heeft verricht, hij daarvoor de onder 2.2 genoemde facturen heeft gestuurd en dat [gedaagde] deze facturen onbetaald heeft gelaten.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Volgens [gedaagde] zijn de vorderingen uit 2019 en 2020 verjaard. Er heeft geen geldige stuiting plaatsgevonden. Alle brieven zijn gestuurd naar een niet bestaand fysiek adres en een latere e-mail heeft [gedaagde] niet bereikt. De factuur uit 2021 is onterecht, omdat de onderneming van [gedaagde] per 31 december 2020 is opgeheven, [gedaagde] in 2021 geen opdracht aan [eiser] heeft verstrekt en ook geen werkzaamheden zijn afgenomen. Bij gebrek van verzuim en een correcte 14-dagenbrief zijn de gevorderde rente en kosten niet verschuldigd.
Op de (overige) stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
De kantonrechter heeft ter zitting beslist dat de aanvullende productie van [eiser] (zie 1.2) buiten beschouwing blijft vanwege strijd met de goede procesorde, nu deze minder dan 24 uur voorafgaand aan de mondelinge behandeling is ingediend en [gedaagde] daar niet adequaat op heeft kunnen reageren.
[gedaagde] heeft niet betwist dat tussen partijen een overeenkomst heeft bestaan, op grond waarvan [eiser] ten behoeve van haar (inmiddels opgeheven) onderneming boekhoudkundige werkzaamheden heeft verricht. Het betreft een zakelijke overeenkomst, zodat ambtshalve toetsing aan het consumentenrecht niet aan de orde is.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de facturen uit 2019 en 2020 zijn verjaard. In dat kader is de adressering van de facturen en de betalingsherinneringen van belang. Deze adressering is niet bestaand. De combinatie van de postcode en de plaatsnaam maakt dat het onaannemelijk is dat deze [gedaagde] (via de post) hebben bereikt. [eiser] heeft in dat kader ter zitting aangevoerd dat de facturen per e-mail zijn verstuurd, maar dat standpunt heeft hij, tegenover de gemotiveerde betwisting van ontvangst door [gedaagde] en bij gebreke van stukken waaruit dat blijkt, onvoldoende onderbouwd. Ter zitting heeft [eiser] verder aangevoerd dat hij op 24 februari 2025 een WhatsApp bericht met een overzicht van de openstaande facturen aan [gedaagde] heeft gestuurd (zie 2.4), waarop [gedaagde] heeft gereageerd. In haar reactie heeft [gedaagde] volgens [eiser] onder meer te kennen gegeven dat zij betalingsproblemen ondervindt en dat waarschijnlijk een betalingsregeling noodzakelijk is. [gedaagde] heeft dit ter zitting erkend. Dat maakt dat op dat moment een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden, die [gedaagde] heeft bereikt, zodat van verjaring van de facturen van 1 augustus 2020 en 3 november 2021 geen sprake kan zijn. De facturen van 12 juli 2019 en 13 februari 2020 zijn, gelet op het voorgaande, wel verjaard.
Het verweer van [gedaagde] dat zij de factuur van 3 november 2021 niet is verschuldigd omdat haar onderneming per 31 december 2020 is opgeheven wordt verworpen, nu dit verweer door [eiser] voldoende gemotiveerd is weersproken. Bovendien betreft het boekhoudkundige werkzaamheden, die naar hun aard vaak achteraf plaatsvinden, zodat de omstandigheid dat na opheffing van de onderneming werkzaamheden hebben plaatsgevonden niet direct hoeft te leiden dat deze niet zijn verricht ten behoeve van de onderneming. Dat [gedaagde] geen opdracht zou hebben gegeven voor de werkzaamheden is door [eiser] , mede onder verwijzing naar de reactie van [gedaagde] op het hiervoor besproken WhatsApp bericht, voldoende gemotiveerd weersproken. Het overige verweer van [gedaagde] , waaronder dat zij geen weet had van de facturen omdat haar man haar altijd uit de wind hield bij dit soort kwesties en haar moeilijke (financiële) situatie, kan niet leiden tot het oordeel dat de niet verjaarde facturen niet verschuldigd zijn.
Dit leidt tot de conclusie dat [gedaagde] de facturen van 1 augustus 2020 en 3 november 2021 moet betalen. Deze bedragen in totaal € 1.734,29.
Nu niet is komen vast te staan dat [gedaagde] eerder dan 24 februari 2025 kennis heeft genomen van de facturen, wordt de wettelijke handelsrente vanaf die datum toegewezen over het hiervoor genoemde bedrag. Dat betekent, nu twee van de vier facturen zijn verjaard, dat het gevorderde bedrag van € 1.253,12 aan vervallen wettelijke handelsrente wordt afgewezen.
De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar, nu [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Een brief als bedoeld in artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is in dit geval niet vereist, nu het gaat om een zakelijke overeenkomst. Het gevorderde bedrag wordt gematigd naar het bedrag dat voortvloeit uit het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten bij de toegewezen hoofdsom. Dat vertaalt zich naar een bedrag van € 260,14.
[gedaagde] is bij deze uitkomst grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
123,16 |
|
|
- griffierecht |
€ |
257,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
434,00 |
(2 punten × € 217,00) |
|
- nakosten |
€ |
72,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
886,16 |
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.734,29 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over dit bedrag, met ingang van 24 februari 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 260,14 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 886,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
991