Verbintenissenrecht
Kredietovereenkomst. Achtergebleven betalingen. Gedaagde heeft de vordering erkend. Vordering toegewezen.
Rechtbank Amsterdam, 3 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6873 · Rechtbank Amsterdam · 3 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-6873
Zaakgegevens
Op 3 juli 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 3 juli 2026
- Datum publicatie
- 7 juli 2026
- Zaaknummer
- 12024018 \ CV EXPL 25-17684
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:6873
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kredietovereenkomst. Achtergebleven betalingen. Gedaagde heeft de vordering erkend. Vordering toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12024018 \ CV EXPL 25-17684
Vonnis van 3 juli 2026
in de zaak van
SVEA CREDIT B.V., handelend onder de naam YEAZ
Gevestigd te Gouda,
eisende partij,
hierna te noemen: Yeaz,
gemachtigde: mr. M.A. van den Brink,
tegen
[gedaagde] , v.h.o.d.n. [bedrijf]
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 15 december 2025, met producties,
- het antwoord van [gedaagde] van 3 februari 2026,
- het aanvullend antwoord van [gedaagde] van 3 maart 2026, met producties,
- het tussenvonnis van 17 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 4 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij de spreekaantekeningen van mr. van den Brink aan het dossier zijn gevoegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De gronden van de beslissing
Partijen hebben op 29 maart 2023 een doorlopend kredietovereenkomst gesloten tegen een rente van 28,56% per jaar.
Het totaal verstrekte kredietsaldo bedraagt per 30 september 2025 € 24.999,72.
[gedaagde] is achtergebleven met het betalen van de termijnen. Nadat Yeaz [gedaagde] ingebreke heeft gesteld en betaling uitbleef, is Yeaz overgegaan tot dagvaarden.
Yeaz vordert, - samengevat – en na vermindering van eis ter zitting, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 24.999,72 plus de contractuele rente na dagvaarding en de proceskosten.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling de vordering geheel erkend en aangegeven dat hij niet kan betalen.
Nu [gedaagde] de vordering heeft erkend, zal deze worden toegewezen. Dit geldt ook voor de niet betwiste rente van 28,56% per jaar op de wijze zoals in het dictum vermeld. De kantonrechter overweegt dat het weliswaar om een hoog percentage gaat, maar dat dit inherent is aan het soort krediet.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Deze kosten worden begroot op:
|
- kosten van de dagvaarding |
€ |
149,71 |
|
|
- griffierecht |
€ |
1.504,00 |
|
|
- salaris gemachtigde |
€ |
1.154,00 |
(2 punten × € 577,00) |
|
- nakosten |
€ |
144,00 |
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
|
Totaal |
€ |
2.951,71 |
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Yeaz te betalen een bedrag van € 24.999,72 te vermeerderen met de overeengekomen rente van 28,56% per jaar over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 december 2025, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.951,71, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Sullivan, kantonrechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.