Verbintenissenrecht
effectenlease, geen duisenbergregeling overeengekomen
Rechtbank Amsterdam, 16 april 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7116 · Rechtbank Amsterdam · 16 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-7116
Zaakgegevens
Op 16 april 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 april 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- 11911334 CV 25-13647
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:7116
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
effectenlease, geen duisenbergregeling overeengekomen
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Privaatrecht
Zaaknummer 11911334 CV 25-13647
vonnis van de kantonrechter van 16 april 2026
in de zaak van
[eiser 1] en [eiser 2] ,
beiden wonende te [woonplaats] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.
Partijen worden hierna [eiser] (mannelijk enkelvoud) en Dexia genoemd.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
-
de dagvaarding van 1 oktober 2025;
-
de conclusie van antwoord;
-
de conclusie van repliek;
-
de conclusie van dupliek;
De bij dupliek overgelegde productie wordt buitenbeschouwing gelaten omdat [eiser] niet in de gelegenheid is geweest daarop te reageren.
Hierna is vonnis bepaald.
2 De feiten
[eiser] heeft de volgende leaseovereenkomst (hierna: de overeenkomst) ondertekend met als wederpartij (de rechtsvoorganger van) Dexia:
|
Nr |
Contractnr. |
Datum |
Naam overeenkomst |
|
I. |
[nummer] |
25 mei 2001 |
AEX Plus Effect |
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
|
Nr. |
Datum eindafrekening |
Resultaat |
Betaald |
|
I. |
16 -03-2006 |
€ 2.048,65 |
?? |
[eiser] heeft op grond van de overeenkomst – al dan niet bij wijze van vooruitbetaling – in totaal een bedrag van € 15.791,66 aan maandtermijnen aan Dexia betaald.
3 De vorderingen en het verweer
[eiser] vordert (samengevat) dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
? voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] en/of toerekenbaar is tekort geschoten,
? voor recht zal verklaren dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en Dexia gehouden is die schade te vergoeden,
? Dexia zal veroordelen tot voldoening aan [eiser] van al datgene dat [eiser] aan Dexia heeft betaald onder de overeenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente daarover,
? Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiser] , met rente,
? Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met rente.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
4
4. De beoordeling
algemeen
4.1. Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie [eiser] .
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend.Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
-
er is sprake van huurkoop;
-
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
-
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
-
[eiser] heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
-
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
Dexia voert aan dat [eiser] in 2006 akkoord is gegaan met de zogeheten Duisenbergregeling waarmee aldus een vaststellingsovereenkomst is ontstaan waarbij [eiser] afstand heeft gedaan van de onderhavige vorderingen. De vorderingen dienen dan ook te worden afgewezen.
[eiser] heeft er zake onder meer gesteld dat geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen omdat het desbetreffende aanmeldingsformulier niet tijdig door Dexia is ontvangen namelijk niet uiterlijk op 1 februari 2006. Hij is er dan ook altijd vanuit gegaan dat er geen sprake was van een schikking.
Dexia heeft niet meer op dit standpunt van [eiser] gereageerd. De kantonrechter moet dan ook aannemen dat geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Het verweer van Dexia wordt daarom verworpen.
Dexia heeft de vorderingen voor het overige niet betwist.
De vorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor en zullen daarom worden toegewezen, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Niet is immers gebleken dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, zijn genoemd.
Voor recht zal worden verklaard dat Dexia met betrekking tot de overeenkomst waarover het in deze procedure gaat, onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en dat Dexia de als gevolg daarvan door [eiser] geleden schade aan [eiser] zal moeten vergoeden. Wat die schade is, kunnen partijen inmiddels zelf berekenen. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door [eiser] betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
Dexia zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiser] gevallen. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 (2 x € 288,00)
- nakosten € 144,00
Totaal € 954,47.
De gevorderde rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.
5 De beslissing
De kantonrechter
verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [eiser] gesloten overeenkomst met nummer [nummer] onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door [eiser] als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon [eiser] niet alleen als klant aanbracht maar [eiser] tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
verklaart voor recht dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van het onrechtmatige handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is om deze schade aan [eiser] te vergoeden,
veroordeelt Dexia om aan [eiser] te betalen de schade, vermeerderd met de wettelijke rente daarover zoals weergegeven in r.o. 4.8.,
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47 gevallen aan de zijde van [eiser] , te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en op 16 april 2026 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.