Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam · Bodemzaak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam, 7 augustus 2026

Zaakgegevens

Op 7 augustus 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
7 augustus 2026
Datum publicatie
10 augustus 2026
Zaaknummer
12158575 \ CV EXPL 26-4631
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:7979
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Opeising lening.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 12158575 \ CV EXPL 26-4631

Vonnis van 7 augustus 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonend in [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde] ,

wonend in [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 20 maart 2026, met producties;

- het proces-verbaal van het mondelinge antwoord op de rolzitting van 10 april 2026;

- het tussenvonnis van 24 april 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald;

- de mondelinge behandeling van 24 juli 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt die aan het dossier zijn toegevoegd.

1.2.

[gedaagde] heeft de dag voor de mondelinge behandeling van 24 juli 2026 een e-mail naar de kantonrechter gestuurd met een toelichting op zijn persoonlijke omstandigheden en een voorstel voor een betalingsregeling. De kantonrechter heeft de inhoud hiervan op zitting op hoofdlijnen aan [eiser] voorgehouden.

1.3.

Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat de kantonrechter op 7 augustus 2026 uitspraak doet.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft in 2023 een bedrag van opgeteld € 14.980 aan [gedaagde] uitgeleend.

2.2.

[eiser] heeft [gedaagde] per brief van 24 februari 2026 in gebreke gesteld en hem gesommeerd om het geleende bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 november 2024, binnen veertien dagen terug te betalen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 14.980. Hij legt hieraan ten grondslag dat hij dit bedrag aan [gedaagde] heeft geleend, partijen daarbij mondeling hebben afgesproken dat [gedaagde] dit bedrag binnen een jaar na de laatste deelbetaling zou terugbetalen, en [gedaagde] vandaag de dag nog geen euro heeft terugbetaald.

3.2.

[eiser] heeft in zijn dagvaarding ook de wettelijke rente vanaf 21 november 2024, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten gevorderd, maar heeft op zitting verklaard – vanwege de persoonlijke omstandigheden van [gedaagde] – afstand te doen van de gevorderde wettelijke rente vanaf 21 november 2024 tot heden.

3.3.

[gedaagde] erkent dat hij het door [eiser] gevorderde bedrag moet terugbetalen. Hij kan zich niet herinneren dat partijen een terugbetalingstermijn van een jaar hebben afgesproken, maar wil het bedrag zo snel mogelijk terugbetalen. Door persoonlijke omstandigheden is dat hem nog niet gelukt. Op dit moment kan hij het verschuldigde bedrag ook niet in één keer terugbetalen. Hij vraagt daarom om extra tijd of een betalingsregeling en om hem niet in de proceskosten te veroordelen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] een bedrag van € 14.980 aan [gedaagde] heeft geleend en dat [gedaagde] dit bedrag moet terugbetalen. De kantonrechter zal [gedaagde] dan ook veroordelen tot terugbetaling van de lening, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis. De kantonrechter kan geen rekening houden met de lastige financiële en persoonlijke situatie van [gedaagde]. Ook kan de kantonrechter geen betaling in termijnen of een betalingsregeling opleggen.

4.2.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat niet is gesteld dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht.

4.3.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De financiële situatie van [gedaagde] is geen reden om hem vrij te stellen van proceskosten. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

153,02

- griffierecht

€

753,00

- reis-, verblijf- en verletkosten

€

50,00

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.100,02

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 14.980,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.100,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.T. Kruis, kantonrechter, bijgestaan door mr. W.B. Fonville, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026.