Verbintenissenrecht
Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Huur van apparatuur. Omzettingsverklaring 6:87 BW. Voor…
Rechtbank Amsterdam, 4 september 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:9461 · Rechtbank Amsterdam · 4 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/bodemzaak/ecli-nl-rbams-2026-9461
Zaakgegevens
Op 4 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 september 2026
- Datum publicatie
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- 11444373 \ CV EXPL 24-15758
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- BodemzaakBodemzaakDe gewone procedure waarin de rechter definitief over het geschil beslist, in tegenstelling tot een kort geding of voorlopige voorziening.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:9461
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Huur van apparatuur. Omzettingsverklaring 6:87 BW. Voor beoordeling van belang zijnde feiten niet naar waarheid aangevoerd. Vordering afgewezen op grond van artikel 21 Rv.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11444373 \ CV EXPL 24-15758
Vonnis van 4 september 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ELBUCO B.V.,
gevestigd te Culemborg,
eisende partij,
gemachtigde: LegalSteps B.V.,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats],
gedaagde partij,
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 november 2024, met producties,
- het tegen gedaagde partij verleende verstek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De beoordeling
Eisende partij stelt in de dagvaarding dat partijen op 18 oktober 2023 en op 20 oktober 2023 een huurovereenkomst hebben gesloten op grond waarvan gedaagde partij een Sony Playstation 5 met toebehoren en een Sony LED-TV (hierna: het gehuurde) van eisende partij huurt. De huurovereenkomsten hebben een minimale looptijd van 60 maanden. De huur bedraagt in totaal € 69,90 per maand. Eisende partij stelt aan haar informatieplichten te hebben voldaan. Gedaagde partij heeft niet alle verschuldigde huur betaald en schiet daardoor tekort in haar contractuele verplichtingen, reden waarom eisende partij de na te melden vorderingen instelt.
Eisende partij vordert, samengevat:
-
ontbinding van de overeenkomst met ingang van de datum van het eindvonnis,
-
veroordeling tot van gedaagde partij tot betaling van € 699,00 aan vervallen huur tot aan de datum van de dagvaarding, vermeerderd met het aantal maanden huur vanaf datum dagvaarding tot de datum van het eindvonnis, vermeerderd met wettelijke rente,
-
veroordeling van gedaagde partij tot inlevering van het gehuurde binnen 8 dagen na vonnisdatum, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag(deel), met een maximum van € 600,00,
-
veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 75,00 aan ophaalkosten indien binnen 8 dagen na vonnisdatum een afspraak wordt gemaakt voor het retourneren van het gehuurde,
-
veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 1.567,00 aan boete dan wel schadevergoeding, indien afgifte van het gehuurde uitblijft, waarop het ontvangen bedrag aan dwangsom in mindering strekt, vermeerderd met wettelijke rente,
-
veroordeling van gedaagde partij in de proceskosten.
De overeenkomsten die aan de vordering ten grondslag liggen zijn gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. De overeenkomsten moeten onder meer worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
De kantonrechter constateert dat de gemachtigde van eisende partij op 3 juni 2024 een brief heeft gestuurd aan gedaagde partij. Uit deze brief kan worden afgeleid dat eisende partij de overeenkomsten op dat moment al eenzijdig had beëindigd, omdat in de brief staat dat gedaagde partij € 478,00 moet betalen, een betalingsafspraak met eisende partij niet is nagekomen en het gehuurde niet heeft geretourneerd.
In de brief van de gemachtigde van eisende partij die achter de laatste productie zit, voorzien van hetzelfde kenmerk als de in de vorige overweging genoemde brief, wordt aanspraak gemaakt op een bedrag van € 2.583,54. Dit bedrag is meer dan de gehele geldvordering en omvat dus ook een vergoeding voor de verhuurde goederen. Dat is een omzettingsverklaring als bedoeld in artikel 6:87 van het Burgerlijk Wetboek.
In de dagvaarding doet eisende partij echter overkomen alsof zij de overeenkomst nog niet tussentijds had opgezegd. Zij vordert immers ontbinding van de overeenkomst per datum vonnis. Daarmee heeft eisende partij de voor de beoordeling van belang zijnde feiten niet naar waarheid aangevoerd en in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat geeft aanleiding de vordering af te wijzen.
Ten overvloede merkt de kantonrechter op dat artikel 9.4 van de algemene voorwaarden, waarop eisende partij zich beroept of had kunnen beroepen voor tussentijdse beëindiging, een oneerlijk beding is. Op basis daarvan kan eisende partij namelijk al bij een enkel vermoeden of het onbetaald laten van een zeer gering bedrag de overeenkomst eenzijdig beëindigen. Dit beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, omdat daaruit volgt dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen. Daar zit een bepaalde redelijkheidstoets in, die het beding niet kent. Op grond van het beding kan eisende partij bij iedere vorm van wanbetaling of dreiging insolvent te worden tot buitengerechtelijke ontbinding overgaan, ook als zo’n ontbinding met haar gevolgen, gelet op de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn.
Voor tussentijdse beëindiging – inclusief de daarmee samenhangende (geld)vorderingen – zou dan ook geen ruimte zijn.
Met afwijzing van de vordering wordt eisende partij als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde partij worden begroot op nihil.