Verbintenissenrecht

Kredietovereenkomst. Borg. Betalingsregeling. Geen hoofdelijkheid.

Rechtbank Amsterdam, 30 september 2026

Zaakgegevens

Op 30 september 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 september 2026
Datum publicatie
2 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/784308 / HA ZA 26-214
Procedure
Bodemzaak
Advocaat
mr. G.T. Poot, mr. J.G.A. Linssen
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:9822
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kredietovereenkomst. Borg. Betalingsregeling. Geen hoofdelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/784308 / HA ZA 26-214

Vonnis van 30 september 2026

in de zaak van

ASSET MANAGING PARTNERS B.V.,

gevestigd te Wassenaar,

eisende partij,

hierna te noemen: AMP,

advocaat: mr. G.T. Poot,

tegen

1 [gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] en afzonderlijk [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

advocaat: mr. J.G.A. Linssen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 9 februari 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord van 22 april 2026, met producties,

- het tussenvonnis van 27 mei 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 augustus 2026 met de daarin genoemde stukken, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde 1] heeft een rijwielhandel. [gedaagde 2] is bestuurder van [gedaagde 1] .

2.2.

[gedaagde 1] is op 15 januari 2025 een leningsovereenkomst aangegaan met Nordiska Kreditmarknadsaktiebolaget (hierna: Nordiska) voor een bedrag van € 120.000,-. [gedaagde 2] heeft zich borg gesteld voor het volledige bedrag.

2.3.

In de kredietovereenkomst staat onder andere het volgende:

“ Zakelijk krediet met een persoonlijk zekerheidsrecht (borgstelling)
Contractnummer [nummer 1]
(…)

Statutaire naam: [gedaagde 1] B.V.
KvK-nummer: [nummer 2]

(…)
Het maandelijkse aflossingsbedrag bestaat uit een deel aflossing van het kredietbedrag van € 5.000, en de betaling van de vaste maandelijkse prijs (zie punt 4).

(…)
De maandelijkse prijs is € 2.640,00. De maandelijkse prijs voor het Krediet wordt aan het eind van de maandtermijn gefactureerd. Voor iedere nieuwe maand dat u gebruikmaakt van de lening, brengen wij de maandelijkse prijs in rekening. Dit is van toepassing totdat het Krediet volledig is afgelost.

(…)
Bij een betalingsachterstand heeft de Kredietverstrekker het recht om vertragingsrente van 2,5% per maand in rekening te brengen.

Daarnaast kan er een vertragingsvergoeding van €20,- in rekening worden gebracht bij een betalingsachterstand van meer dan zes (6) dagen.

Ook kunnen er nog verdere eventuele incassokosten in rekening worden gebracht in overeenstemming met de wet.”

2.4.

Op 1 juli 2025 heeft Nordiska een e-mail gestuurd aan [gedaagden] waarin onder andere het volgende staat:

“(…)

Nieuwe eigenaar van jouw lening

Beste [gedaagde 2] ,


Wij informeren je dat Bankaktiebolaget Nordiska (publ.) ( [nummer 3] ) al zijn rechten en verplichtingen onder de kredietovereenkomst met [gedaagde 1] B.V. (inclusief het recht om betalingen te ontvangen) heeft overgedragen aan Qred Bank AB, Zweden (org. [nummer 4] ) (“Qeld”).
(…)”

2.5.

Qeld heeft op 27 juli 2025 de vordering opgeëist.

2.6.

Qeld heeft in de periode daarna Mariënbergh Incasso Services B.V. (hierna: Mariënbergh) opdracht gegeven om de vordering voor haar te incasseren.

2.7.

Op 14 november 2025 hebben [gedaagden] een e-mail ontvangen waarin onder meer staat:

“U heeft eerder een bedrijfslening afgesloten bij Qred Bank AB, ook bekend als Qeld Bedrijfsleningen (hierna: ‘Qeld’). U heeft deze lening niet volledig terugbetaald, waardoor er een schuld is ontstaan. Deze schuld is door Qeld op 6 november 2025 overgedragen aan Asset Managing Partners B.V. (hierna: ‘AMP’).”

2.8.

In december 2025 zijn partijen een betalingsregeling overeengekomen. Op 16 december 2025 heeft Mariënbergh aan [gedaagde 1] hierover een e-mail gestuurd waarin staat:

“In dit dossier hebben wij uw voorstel aan cliënte overgelegd. Cliënte kan akkoord gaan met uw verzoek maar wel onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat u gedagvaard zult gaan worden en dat er ook beslag op de woning gelegd zal gaan worden. De kosten hiervan komen er bij uw schuld bij. Dit ter zekerheid. Zolang de regeling wordt nagekomen zal er niet tot veiling overgegaan worden.

Wilt u ons nog even laten weten wanneer wij deze maand € 1.000,- van u zullen ontvangen? Wilt u ons ook laten weten wanneer de aflossingen van minimaal € 2.500,- zullen gaan beginnen?(…)”

2.9.

Op 18 december 2025 heeft [gedaagde 1] hierop geantwoord:

“Ons hoog seizoen is in de maanden April t/m September.
Het laag seizoen is in de overige maanden, echter weersafhankelijk.

Als blijk van goede wil maak ik vandaag al €1000 naar Uw derdengeld rekening over.”

3 Het geschil

3.1.

AMP vordert na eiswijziging - samengevat – om bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de volgende bedragen:

i. een bedrag van € 116.216,86 ten aanzien van de hoofdsom;

ii. wettelijke handelsrente over de hoofdsom (tot de eerst dienende dag berekend op een bedrag van € 5.146,24);

iii. de beslagkosten van € 1.535,50;

iv. de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.370,12;

II. [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, plus de wettelijke rente daarover.

3.2.

[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van AMP, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van AMP in de kosten van deze procedure.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Cessie

4.1.

AMP heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat [gedaagde 1] op grond van de kredietovereenkomst die zij (oorspronkelijk) met Nordiska heeft gesloten zijn betalingsverplichtingen moet nakomen aan AMP, omdat Nordiska haar vorderingen uit hoofde van die overeenkomst heeft gecedeerd aan Qeld, die op haar beurt de vorderingen weer heeft gecedeerd aan AMP. [gedaagde 1] is haar verplichtingen niet nagekomen, waardoor het krediet beëindigd is en op grond van de algemene voorwaarden het hele openstaande bedrag is opgeëist.

4.2.

[gedaagde 1] heeft aangevoerd dat zij niet hoeft te betalen aan AMP, omdat er geen sprake is geweest van een rechtsgeldige cessie tussen Nordiska en Qeld. AMP heeft de vorderingsrechten op haar beurt daarom niet van Qeld verkregen en kon daardoor de lening niet opeisen. In de overeenkomst tot overdracht van het vorderingsrecht door Nordiska of in de aangehechte bijlage wordt [gedaagde 1] niet genoemd. Daarin wordt uitsluitend [gedaagde 2] zelf genoemd (zie 2.4). Omdat de eerste cessie niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden, betekent dit dat de tweede cessie tussen Cred Bank AB en AMP ook niet rechtsgeldig is.

4.3.

Het verweer van [gedaagde 1] slaag niet. Daartoe geldt het volgende.

4.4.

Het gaat in deze zaak om een cessie die niet in een authentieke of geregistreerde akte is vastgelegd. Voor een geldige cessie is daarom vereist een daartoe bestemde (onderhandse) akte en mededeling daarvan aan degene tegen wie het recht kan worden uitgeoefend. Uit de akte moet blijken dat zij tot levering van de daarin bedoelde vordering(en) is bestemd, vereist is ondertekening door de vervreemder (cedent). De aanvaarding kan vormvrij geschieden. De tot levering strekkende verklaring van de cedent hoeft niet met zoveel woorden in de akte te zijn opgenomen. Voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel in onderling verband en samenhang met andere akten of feiten, kan worden vastgesteld dat de akte is bestemd tot levering van de daarin bedoelde vordering(en). Voldoende is dat de verkrijger van de vordering(en) redelijkerwijs uit de akte mag begrijpen dat zij tot levering is bedoeld.

4.5.

De vordering dient in voldoende mate door de akte te worden bepaald, bijvoorbeeld aan de hand van cessielijsten waarnaar in de akte wordt verwezen. AMP heeft de akte van de eerste cessie tussen Nordiska en Cred Bank AB overgelegd waarbij ook een cessielijst is opgenomen. In deze cessielijst staat de vordering op [gedaagde 1] beschreven, onder vermelding van het contractnummer ( [nummer 1] ), klantnummer ( [nummer 2] ) en de hoogte van de vordering (117,049). Deze gegevens komen overeen met de gegevens opgenomen in de kredietovereenkomst. Daarmee is voldaan aan het criterium dat de vordering met voldoende bepaaldheid dient te zijn omschreven. De rechtbank stelt vast dat de akte ook verder voldoet aan het bepaalde in 4.4 hiervoor, zodat sprake is van een rechtsgeldige cessie tussen Nordiska en Cred Bank AB. Nu het verweer van [gedaagde 1] enkel ziet op gebreken aan de eerste cessie en dat verweer niet slaagt, betekent dit dat de rechtsgeldigheid van de tweede cessie tussen Cred Bank AB en AMP daarmee niet meer in geschil is.

Betalingsafspraak onder voorwaarde

4.6.

Niet in geschil is verder dat, ingeval van rechtsgeldige overdracht, het gehele openstaande bedrag onder de lening opeisbaar was. Partijen hebben nadere afspraken gemaakt over de terugbetaling daarvan en zijn een betalingsregeling overeengekomen van
€ 1.000,- per maand in het laagseizoen en € 2.500,- in het hoogseizoen. Zij zijn het erover eens dat deze betalingsregeling tot nu toe wordt nagekomen. Bij het aangaan van de betalingsregeling is afgesproken dat AMP ondertussen wel zou gaan dagvaarden en ook beslag zou leggen op de woning van [gedaagde 2] , waarvan [gedaagde 1] de kosten zou dragen (zie 2.8). Partijen zijn het erover eens dat deze afspraken zijn gemaakt om AMP zowel een titel als zekerheid voor het verhaal van haar vordering te bieden, voor het geval de betalingsregeling niet meer wordt nagekomen.

4.7.

Waar partijen over verschillen is de vraag of de betalingsveroordelingen in deze zaak ook onder die voorwaarde moeten worden toegewezen, omdat deze nog niet opeisbaar zijn. [gedaagde 1] stelt dat de afspraken zijn gemaakt onder de voorwaarde dat er weliswaar wordt gedagvaard en beslag op de woning van [gedaagde 2] wordt gelegd, maar dat er alleen kan worden geëxecuteerd indien de betalingsregeling niet wordt nagekomen. In het verlengde daarvan, moet een veroordelend vonnis ook voorwaardelijk uitgesproken worden. AMP bestrijdt dit. Volgens haar moeten de afspraken zo worden uitgelegd, dat AMP met het vonnis een onvoorwaardelijke titel krijgt, maar dat zij deze vervolgens zelf niet ten uitvoer zal leggen zolang [gedaagde 1] aan de betalingsregeling blijft voldoen.

4.8.

De rechtbank dient in dit geval te beoordelen hoe de overeenkomst moet worden uitgelegd. Bij deze uitleg wordt gekeken naar hoe AMP en [gedaagde 1] in de gegeven omstandigheden elkaars verklaringen en gedragingen moesten begrijpen en wat zij daarbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Ook de bewoordingen, de aard en de strekking van de overeenkomst worden hierbij in aanmerking genomen.

4.9.

Partijen hebben voor de onderbouwing van hun uitleg allebei gewezen op de e-mail van Mariënberg van 16 december 2025 waarin staat: “Cliënte kan akkoord gaan met uw verzoek maar wel onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat u gedagvaard zult gaan worden en dat er ook beslag op de woning gelegd zal gaan worden. De kosten hiervan komen er bij uw schuld bij. Dit ter zekerheid. Zolang de regeling wordt nagekomen zal er niet tot veiling overgegaan worden.” Nu partijen allebei wijzen op de bovenstaande e-mail, zal de rechtbank deze bewoordingen voorop stellen bij de uitleg van de afspraken. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de woorden ‘Dit ter zekerheid. Zolang de regeling wordt nagekomen zal er niet tot veiling overgegaan worden’ mee dat [gedaagde 1] erop mocht vertrouwen dat het gaat om een opeisbaarheid (en verhaal) van het gehele openstaande bedrag onder voorwaarde. Dus zolang [gedaagde 1] voldoet aan de betalingsregeling, zal AMP het gehele bedrag niet kunnen opeisen en ook geen stappen kunnen ondernemen om de woning van [gedaagde 2] uit te winnen. Dit bestrijdt AMP ook niet met zoveel woorden, zij voert aan dit niet meebrengt dat de betalingsveroordelingen ook onder die voorwaarde moeten worden uitgesproken. De rechtbank volgt dat betoog niet. Een partij die onder een voorwaarde tot iets is gehouden, kan onder die voorwaarde daartoe worden veroordeeld. Dit betekent dat de rechtbank aan de betalingsveroordeling een voorwaarde kan verbinden, ook als die voorwaarde niet (expliciet) in het petitum is opgenomen. Dit brengt mee dat de rechtbank de betalingsveroordelingen voorwaardelijk zal toewijzen, als bedoeld in artikel 3:296 lid 2 BW. Meer specifiek, onder de voorwaarde dat de betalingsregeling niet of niet tijdig wordt nagekomen.

Geen hoofdelijkheid

4.10.

Verder verschillen partijen, in het kader van gevorderde hoofdelijke veroordeling tot betaling, van mening of [gedaagde 2] rechtstreeks kan worden aangesproken tot betaling. AMP stelt dat zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] partij zijn bij de getroffen betalingsregelingen dat dit betekent dat AMP haar vordering op zowel [gedaagde 1] als op [gedaagde 2] kan verhalen als de regeling niet wordt nagekomen. AMP heeft dit onderbouwd door te verwijzen naar de correspondentie tussen partijen waarbij [gedaagde 2] akkoord is gegaan met het leggen van beslag op zijn woning. Daarmee heeft [gedaagde 2] volgens haar bedoeld om als medeschuldenaar mee tekenen voor de schuld van [gedaagde 1] . [gedaagden] hebben betwist dat de betalingsregeling ook met [gedaagde 2] is afgesproken. [gedaagde 2] is weliswaar akkoord gegaan met het leggen van beslag gelegd op zijn woning, maar dat betekent niet dat [gedaagde 2] daarmee in plaats van borg schuldenaar is geworden.

4.11.

Ook op dit punt dient de rechtbank te beoordelen hoe deze afspraak uitgelegd moet worden. Bij het aangaan van de kredietovereenkomst heeft [gedaagde 2] zich borg gesteld. Artikel 7:855 lid 1 BW bepaalt dat de borg niet gehouden is tot nakoming, voordat de hoofdschuldenaar in de nakoming van zijn verbintenis is tekortgeschoten. Dit is het subsidiaire karakter van een borgstelling. De vraag is of AMP erop mocht vertrouwen dat zij in afwijking hiervan, gelijktijdig [gedaagde 1] en [gedaagde 2] mag aanspreken op grond van de later gemaakte (betaal)afspraken. Voor de onderbouwing daarvan verwijst AMP wederom naar de e-mail van Mariënberg (zie 2.8) en het feit dat er daadwerkelijk beslag is gelegd op de woning van [gedaagde 2] . De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat er beslag is gelegd als onderdeel van de betalingsregeling met [gedaagde 1] , niet maakt dat zij erop mocht vertrouwen dat [gedaagde 2] zich niet langer als borg maar als medeschuldenaar verbond tot terugbetaling. Dat [gedaagde 2] zich bij de betalingsregeling hiertoe heeft verbonden, volgt in ieder geval niet uit de e-mails waar AMP op wijst. Uit die e-mails blijkt dat [gedaagde 2] als onderdeel van de betalingsregeling op verzoek van AMP zekerheid heeft geboden, in de vorm van (het dulden van) beslag op zijn woning. Dat hij deze zekerheid in een andere hoedanigheid dan als borg verstrekte en zich als medeschuldenaar tot terugbetaling verbond, is niet gebleken. AMP wordt dan ook niet gevolgd in haar lezing.

Conclusie

4.12.

Het voorgaande betekent dat de vordering onder i. niet hoofdelijk zal worden uitgesproken. In plaats daarvan zal alleen [gedaagde 1] voorwaardelijk (zoals geoordeeld in 4.9) worden veroordeeld tot betaling, namelijk indien en voor zover de betalingsregeling niet wordt nagekomen door [gedaagde 1] .

Wettelijke handelsrente

4.13.

[gedaagde 1] stelt dat er sprake is van dubbeltelling van rente, namelijk zowel contractuele (boete)rente als wettelijke rente. AMP heeft tijdens de mondelinge behandeling uitgelegd hoe de rente is opgebouwd. Bij een betalingsachterstand wordt er een vertragingsrente in rekening gebracht van 2,5%. De vertragingsrente is in rekening gebracht tot het opeisen van de vordering. De wettelijke handelsrente is gevorderd ten aanzien van de periode daarna. Daarmee is dus geen sprake van een dubbeltelling, maar gaat het om twee opvolgende perioden.

4.14.

De rechtbank kan die uitleg van AMP volgen. Zij constateert verder dat AMP in deze procedure de wettelijke handelsrente over het gehele openstaande bedrag onder de kredietovereenkomst vordert. Het gaat zowel om openstaande hoofdsom, de daarover verschuldigde rente en vertragingsrente. De rechtbank overweegt dat wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) enkel verschuldigd is over de geldelijke tegenprestatie voor geleverde goederen of diensten, zoals in dit geval kredietverlening, op grond van een handelsovereenkomst. Het gaat daarbij om de primaire betalingsverplichting uit de handelsovereenkomst. De wettelijke handelsrente ziet dus niet op andere geldelijke verplichtingen waartoe zo’n overeenkomst aanleiding kan geven. Dat leidt ertoe dat de wettelijke handelsrente enkel verschuldigd is over de rentebetalingen uit hoofde van de geldlening (€ 7.913,72,- ten tijde van het moment van opeisen), omdat dit de primaire betalingsverplichting betreft. Over dat bedrag wordt de wettelijke handelsrente toegewezen. De verschuldigde aflossingen op de lening en de overeengekomen vertragingsrente kwalificeren niet als zodanig, zodat hierover enkel de wettelijke rente van artikel 6:119 BW wordt toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.15.

AMP vordert vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat de AMP voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. [gedaagde 1] heeft erop gewezen dat indien de vordering onder i. voorwaardelijk wordt toegewezen en dit tot gevolg heeft dat de buitengerechtelijke incassokosten ook voorwaardelijk moeten worden toegewezen. Die kosten zijn namelijk reeds voor het afspreken van de betalingsregeling gemaakt en maken geen deel uit van de betalingsregeling. Dit brengt mee dat volgens [gedaagde 1] ook deze kosten pas zijn verschuldigd indien en voor zover zij die betalingsregeling niet nakomt. De rechtbank gaat hierin mee. Dit betekent dat de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.370,12 ook voorwaardelijk zullen worden toegewezen.

Beslagkosten en proceskosten

4.16.

AMP vordert een bedrag van € 1.535,50 voor beslagkosten. [gedaagde 1] heeft aangegeven dat partijen ook afspraken hebben gemaakt over de verschuldigdheid daarvan, namelijk dat [gedaagde 1] enkel € 351,85,- is verschuldigd voor het laten leggen van beslag op de woning van [gedaagde 2] . Voor het overige geldt dat [gedaagde 1] dat pas verschuldigd is voor zover en indien zij de betalingsregeling niet nakomt en AMP betaling van het gehele bedrag van opeisen en zo nodig uitwinnen. Ook hier gaat de rechtbank in mee. Dit betekent dat [gedaagde 1] zal worden veroordeeld om een bedrag van € 351,85 te betalen. De rest zal voorwaardelijk worden opgelegd.

4.17.

[gedaagde 1] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van AMP worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

157,49

- griffierecht

€

7.062,00

- salaris advocaat

€

4.102,00

(2 punten × € 2.051,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

11.510,49

4.18.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan AMP te betalen het bedrag van
€ 116.216,86 onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] niet of niet tijdig voldoet aan de betalingsregeling zoals genoemd in 4.6, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 7.913,72,- en de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het overige deel van het bedrag tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] in de beslagkosten van € 351,85, en daarnaast onder de voorwaarde dat [gedaagde 1] niet of niet tijdig voldoet aan de betalingsregeling zoals genoemd in 4.6 in de beslagkosten van € 1.183,65,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten van € 11.510,49,- te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan AMP te betalen een bedrag van € 2.370,12 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van volledige betaling,

5.6.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.F. de Groot, rechter, bijgestaan door mr. S.C.C. Valk, griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.

Zie Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158 (Haviltex) HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106