Verbintenissenrecht

Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Huurovereenkomst roerende zaken. Oneerlijk beding…

Rechtbank Amsterdam, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
4 november 2026
Zaaknummer
11034011 \ CV EXPL 24-3589
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10814
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Huurovereenkomst roerende zaken. Oneerlijk beding proceskosten. Na arrest HvJ EU van 1 oktober 2026, waarin de door de Hoge Raad gestelde vraag wordt beantwoord, wordt aanleiding gezien de proceskosten te matigen tot nihil, op de voet van artikel 237 lid 1 en 238 lid 2 Rv.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11034011 \ CV EXPL 24-3589

Vonnis van 30 oktober 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 maart 2024, met producties,

- het tegen [gedaagde] verleende verstek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

[eiser] vordert, kort gezegd, ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en veroordeling van [gedaagde] tot retournering van het gehuurde, alsmede veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 6.788,10 aan hoofdsom, te vermeerderen met € 199,65 aan huur/gebruiksvergoeding per week vanaf 23 februari 2024, de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

2.2.

[eiser] stelt dat zij op 16 juni 2023 met [gedaagde] een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft gesloten met betrekking tot bouwmaterialen, te weten een steiger en een aanhanger. De huur bedraagt € 199,65 inclusief btw per week. Op de overeenkomst zijn algemene voorwaarden van toepassing verklaard. Hierin staan volgens [eiser] geen oneerlijke bedingen. De overeenkomst is gesloten binnen de verkoopruimte. [eiser] stelt te hebben voldaan aan de informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW).

2.3.

De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).

2.4.

Gelet op de gestelde wijze van totstandkoming van de overeenkomst, zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing. [eiser] heeft in de dagvaarding voldoende gesteld dat zij aan deze informatieplichten heeft voldaan.

2.5.

De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een prijsbeding, dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Ambtshalve toetsing van die bedingen is ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn alleen aan de orde als deze niet duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd. Nu het onderhavige beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde.

2.6.

In de op de huurovereenkomst van toepassing verklaarde algemene voorwaarden staan bedingen die voor de onderhavige vordering van belang zijn, omdat [eiser] daarop een beroep doet of had kunnen doen. Op grond van de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter, ook als [eiser] zich in de procedure niet beroept op (een bepaald beding in) de overeenkomst, maar op de wet, ambtshalve onderzoeken of het beding in de voorwaarden waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien een beding als oneerlijk wordt aangemerkt, kan ingevolge deze arresten geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest en moet de vordering op dat punt worden afgewezen.

2.7.

Verder is gelet op de vordering de volgende bepaling in de algemene voorwaarden van belang:

“ ARTIKEL 9. FINANCIEEL

(…)

4. Indien tijdige betaling achterwege blijft, vervallen eventuele overeengekomen kortingen en treedt het verzuim van Huurder van rechtswege in. Vanaf de dag dat het verzuim van Huurder intreedt, is Huurder, over het openstaande bedrag, een rente van 1,5% per maand verschuldigd, waarbij een gedeelte van een maand als volledige maand wordt aangemerkt. In afwijking van de vorige zin, geldt in plaats van de daar bedoelde contractuele rente, de wettelijke rente, indien Huurder een natuurlijke persoon is die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

5. Ook zal [eiser] in dat geval aan Huurder in rekening mogen brengen zijn buitengerechtelijke incassokosten, die hierbij worden vastgesteld op 15% van het bedrag van de hoofdsom van de vordering, onverminderd het bepaalde bij art. 6:96 lid 4 BW in geval van een handelsovereenkomst als in die bepaling bedoeld. In afwijking van de vorige zin gelden echter in het geval dat Huurder een natuurlijk persoon is die bij de Overeenkomst niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, de regels van art. 6:96 lid 5 tot en met lid 7 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Verder zal Huurder in geval van een procedure tussen partijen in verband met de Overeenkomst, indien hij daarbij geheel of in hoofdzaak in het ongelijk wordt gesteld, alle door [eiser] gemaakte proceskosten dienen te betalen, ook voor zover deze een proceskostenveroordeling volgens de daarbij gebruikelijke tarieven overtreffen.”

2.8.

De bedingen in deze bepaling met betrekking tot rente en buitengerechtelijke incassokosten zijn niet oneerlijk, omdat wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke regelingen daarover.

2.9.

Het beding met betrekking tot de gerechtelijke kosten (proceskosten) in deze bepaling wordt in navolging van het arrest van de Hoge Raad als oneerlijk aangemerkt, nu is bedongen dat alle door [eiser] gemaakte proceskosten voor rekening van [gedaagde] als huurder komen, óók als deze een proceskostenveroordeling volgens de daarbij gebruikelijke tarieven overtreffen. Het beding zorgt daardoor voor een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van partijen, ten nadele van gedaagde partij als consument. Het beding geeft [eiser] immers de mogelijkheid om altijd alle door haar gemaakte kosten in rechte bij de consument in rekening te brengen. Dus ook de volledige kosten van bijvoorbeeld een advocaat. Dat is normaal gesproken slechts het geval wanneer sprake is van misbruik van recht of onrechtmatig handelen.

2.10.

Uit het recente arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 1 oktober 2026 volgt dat de oneerlijkheid van het proceskostenbeding niet in de weg staat aan toepassing van de wettelijke regeling met betrekking tot proceskosten, omdat deze regeling geen nationale bepaling van aanvullend recht is, aangezien deze niet een andersluidende regeling tussen de partijen is die wordt verondersteld het door de nationale wetgever nagestreefde evenwicht tot uitdrukking te brengen tussen alle rechten en verplichtingen van de partijen bij bepaalde overeenkomsten. De wettelijke regeling is uitsluitend gericht tot de rechter die zich moet uitspreken over de verdeling van de kosten in het kader van een gerechtelijke procedure.

2.11.

Het HvJ EU overweegt in het hiervoor aangehaalde arrest voorts dat de rechter op grond van het nationale recht kennelijk een matigingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de proceskosten. Ook wijst het HvJ EU op de langetermijndoelstelling in artikel 7 van de richtlijn om een eind te maken aan het gebruiken van oneerlijke bedingen. Deze doelstelling komt volgens het HvJ EU niet in gevaar bij toepassing van de wettelijke regeling met betrekking tot de proceskosten, omdat de rechter het bedrag aan proceskosten (verder) kan matigen (dan het liquidatietarief).

2.12.

Als de handelaar een oneerlijk proceskostenbeding zoals het onderhavige hanteert, terwijl deze handelaar steeds als gebruikelijk de proceskosten conform de liquidatietarieven toegewezen krijgt, dan wordt naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende recht gedaan aan de hiervoor aangehaalde beginselen. De handelaar kan zich dan weliswaar niet op het beding beroepen in een procedure bij de rechter, maar wél in alle andere geschillen met consumenten. De handelaar kan dan onrechtmatig voordeel blijven behalen uit het oneerlijke beding, terwijl de richtlijn dat beoogt tegen te gaan. De kantonrechter begrijpt uit de overwegingen van het arrest van het HvJ EU dan ook dat bij het hanteren van een oneerlijk proceskostenbeding, ingevolge artikel 237 lid 1 jo. 238 lid 2 Rv verdere matiging dan het liquidatietarief aangewezen is, ter waarborging van de eerder aangehaalde langetermijndoelstelling van de richtlijn. Anders zou voor de handelaar immers geen enkele prikkel bestaan om het oneerlijke beding uit haar overeenkomsten te halen.

2.13.

Nu het beding in het bijzonder oneerlijk is omdat daarin expliciet is bepaald dat de huurder ook na een (gematigde) proceskostenveroordeling door de rechter, alle door [eiser] daadwerkelijk gemaakte proceskosten moet betalen, is de kantonrechter voornemens in dit geval de proceskosten te matigen tot nihil.

2.14.

Voordat de kantonrechter het hiervoor besproken beding buiten toepassing laat en daaraan genoemde gevolgen verbindt, wordt [eiser] in de gelegenheid gesteld zich daarover, alsmede over de oneerlijkheid van het beding, uit te laten.

2.15.

De zaak wordt voor akte uitlating aan de zijde van [eiser] verwezen naar de rol. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

verwijst de zaak naar de rol van vrijdag 27 november 2026 om 10.00 uur voor akte uitlating door [eiser] ,

3.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.

991

ECLI:NL:HR:2025:820. ECLI:EU:C:2026:810.