Verbintenissenrecht

Onbetaalde facturen. Vordering grotendeels toegewezen. Partijen hebben met elkaar overeenkomst van opdracht…

Rechtbank Rotterdam, 6 november 2026

Zaakgegevens

Op 6 november 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
6 november 2026
Datum publicatie
30 oktober 2026
Zaaknummer
12270412 CV EXPL 26-15066
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:15051
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Onbetaalde facturen. Vordering grotendeels toegewezen. Partijen hebben met elkaar overeenkomst van opdracht gesloten en gedaagde is een redelijk loon verschuldigd nu zij daadwerkelijk diensten heeft afgenomen bij eiseres. De verweren van gedaagde, waaronder over verjaring en verrekening. slagen niet.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12270412 CV EXPL 26-15066

datum uitspraak: 6 november 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres], h.o.d.n. [bedrijf eiseres], tevens h.o.d.n. [bedrijf eiseres],

woonplaats: [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: Bill incasso B.V.,

tegen

[gedaagde] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats],

gedaagde,

gemachtigde: [gemachtigde 1].

Partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 29 juli 2025, met bijlagen;

  • het antwoord van 6 augustus 2025;

  • de nadere producties van [eiseres] van 25 september 2026.

1.2.

Op 29 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:

  • [eiseres];

  • [persoon A] namens de gemachtigde van [eiseres];

  • [persoon B] namens [gedaagde];

  • De gemachtigde van [gedaagde].

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

Partijen werken sinds 2019 met elkaar samen. [eiseres] heeft in opdracht van [gedaagde] administratieve en fiscale werkzaamheden uitgevoerd. Daaronder vielen de loonbelasting, de btw-aangiften, de vennootschapsbelasting en het opmaken van de jaarstukken. Partijen hebben voor deze werkzaamheden geen schriftelijke overeenkomst van opdracht gesloten en ook niet vooraf schriftelijk prijsafspraken gemaakt. [eiseres] heeft tussen februari 2021 en oktober 2024 meerdere facturen aan [gedaagde] gestuurd. Een deel daarvan is onbetaald gebleven, in totaal € 4.094,75 aan hoofdsom.

2.2.

[eiseres] vordert dat [gedaagde] € 4.094,75 aan hoofdsom betaalt met buitengerechtelijke incassokosten van € 534,48 en de wettelijke handelsrente die tot 29 juli 2025 € 879,19 bedraagt. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Zij stelt zich op het standpunt dat de vordering moet worden afgewezen, dan wel verrekend.

Conclusie

2.3.

De kantonrechter geeft [eiseres] grotendeels gelijk. [gedaagde] moet de openstaande facturen van in totaal € 3.876,95 betalen met kosten en rente. Hierna wordt deze beslissing verder uitgelegd.

Onbekende stukken

2.4.

De gemachtigde van [gedaagde] heeft op de zitting verwezen naar diverse stukken die niet in het geding zijn gebracht. Omdat het beginsel van hoor en wederhoor zich ertegen verzet dat onbekende stukken ter zitting voor het eerst als bewijs worden opgevoerd, neemt de kantonrechter deze niet mee in de beoordeling.

De overeenkomst en de facturen

2.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] werkzaamheden heeft uitgevoerd voor [gedaagde]. [gedaagde] betwist de vorderingen primair met het verweer dat er geen schriftelijke overeenkomst is. De kantonrechter overweegt dat een overeenkomst van opdracht (artikel 7:400 van het Burgerlijk Wetboek (BW)) vormvrij is en dus ook mondeling of stilzwijgend tot stand komen. [gedaagde] heeft van de door [eiseres] aangeboden dienstverlening, waaronder het indienen van belastingaangiften, gebruik gemaakt. Daarmee staat vast dat er een overeenkomst tussen partijen is.

2.6.

Dat er geen specifieke prijzen zouden zijn afgesproken, leidt niet tot afwijzing van de vordering. Op grond van artikel 7:405 lid 2 BW is de opdrachtgever in dat geval een redelijk loon verschuldigd. De gefactureerde bedragen, variërend van € 157,30 tot € 1.173,80, komen de kantonrechter voor deze specifieke administratieve werkzaamheden niet onredelijk voor. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de tarieven onredelijk zouden zijn.

Hoofdsom aangepast naar € 3.876,95

2.7.

In het petitum van de dagvaarding heeft [eiseres] een hoofdsom van € 4.094,75 geëist. De in het lichaam van de dagvaarding genoemde factuurbedragen zijn echter bij elkaar opgeteld in totaal € 3.876,95. De kantonrechter gaat daarom uit van een schuld van € 3.876,95.

Jaarrekeningen

2.8.

[gedaagde] voert verder aan dat de openstaande facturen niet als crediteurenpost zijn opgenomen in de jaarrekeningen die [eiseres] zelf heeft opgesteld. Dat zou wijzen op een boekhoudkundige inconsistentie en op onjuiste facturen. [eiseres] heeft dit op de zitting gemotiveerd weersproken onder verwijzing naar de door haar ingediende producties (jaarstukken 2023) waaruit blijkt dat onder de post “Andere kosten”, “Accountants- en administratiekosten” wel degelijk een schuld aan [eiseres] is opgenomen. [gedaagde] heeft dit vervolgens ter zitting niet afdoende kunnen weerleggen. Haar verweer slaagt daarom niet.

Verjaring en late facturatie

2.9.

Het beroep op verjaring (artikel 3:307 BW) slaagt ook niet. De oudste factuur is van 12 februari 2021. De verjaringstermijn van vijf jaar was op het moment van de dagvaarding (29 juli 2025) nog niet verstreken. Dat facturen laat zijn verstuurd of dat aangiften, zoals de vennootschapsbelasting, pas laat zijn ingediend, ontslaat [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting voor de uitgevoerde werkzaamheden.

Verrekening met producten

2.10.

[gedaagde] beroept zich op verrekening (artikel 6:127 BW) omdat zij cosmetische producten aan [eiseres] zou hebben gestuurd, ter waarde van ongeveer € 3.000,-. [eiseres] betwist dat en stelt dat zij de producten via de reguliere webshop heeft besteld en betaald. Op grond van artikel 6:136 BW kan de rechter een beroep op verrekening passeren als niet eenvoudig is vast te stellen of dit beroep gegrond is. [gedaagde] heeft haar beroep op verrekening op geen enkele wijze onderbouwd met bijvoorbeeld facturen, bestelbonnen of afleverbewijzen. Daarmee is haar tegenvordering niet eenvoudig vast te stellen en wordt het beroep op verrekening gepasseerd.

Nieuwe accountant

2.11.

[gedaagde] stelt dat zij kosten moet maken voor een nieuwe accountant, naar schatting € 4.000,- tot € 6.000,-. Voor zover dit is bedoeld als een eis in reconventie (tegeneis) wordt hieraan voorbijgegaan nu dit niet als een formele reconventionele vordering is ingesteld. Voor zover het als verweer is bedoeld, heeft [gedaagde] dit onvoldoende onderbouwd, zodat ook dit verweer niet slaagt.

Hoofdsom

2.12.

Nu de verweren van [gedaagde] niet slagen, zal de hoofdsom van € 3.876,95 worden toegewezen. [gedaagde] wordt veroordeeld om dit bedrag aan [eiseres] te betalen.

Incassokosten

2.13.

[eiseres] vordert ook een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Deze vergoeding wordt toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om de buitengerechtelijke incassokosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De vergoeding wordt berekend volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, passend bij de toegewezen hoofdsom. Dit bedrag komt uit op € 512,70.

Rente

2.14.

De gevorderde wettelijke handelsrente (artikel 6:119a BW) wordt toegewezen over de toegewezen hoofdsom van € 3.876,95, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld dat sprake is van een handelsovereenkomst en van verzuim. [gedaagde] heeft dat niet betwist.

Proceskosten

2.15.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 119,40 aan dagvaardingskosten, € 265,- aan griffierecht, € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.104,40. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.16.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen 3.876,95 aan hoofdsom met de wettelijke handelsrente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over dat bedrag vanaf de vervaldata van de facturen tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 512,70 aan buitengerechtelijke incassokosten;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.104,40;

3.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.M.J. Arts en in het openbaar uitgesproken.

53954