Verbintenissenrecht
Partijen twisten over de verdeling van de netto-verkoopopbrengst van hun voormalige echtelijke woning…
Rechtbank Rotterdam, 28 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:15295 · Rechtbank Rotterdam · 28 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/civiel-recht/verbintenissenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbrot-2026-15295
Zaakgegevens
Op 28 oktober 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- C/10/711068 / HA ZA 25-1041
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. V.T.E. Kuijpers, mr. S. Broekzitter-Nieuwland
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:15295
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Partijen twisten over de verdeling van de netto-verkoopopbrengst van hun voormalige echtelijke woning. Partijen hebben hier een afspraak over gemaakt, maar zij zijn het oneens over de uitleg van die afspraak. De rechtbank oordeelt dat de afspraak moet worden uitgelegd op de wijze die de vrouw voorstaat.
Uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team haven en handel
Zaaknummer: C/10/711068 / HA ZA 25-1041
Vonnis van 28 oktober 2026
in de zaak van
[de man] ,
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. V.T.E. Kuijpers,
tegen
[de vrouw] ,
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S. Broekzitter-Nieuwland.
1 De zaak in het kort.
Partijen twisten over de verdeling van de netto-verkoopopbrengst van hun voormalige echtelijke woning. Partijen hebben hier een afspraak over gemaakt, maar zij zijn het oneens over de uitleg van die afspraak. De rechtbank oordeelt dat de afspraak moet worden uitgelegd op de wijze die de vrouw voorstaat.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding d.d. 3 november 2025, met producties 1 t/m 6;
- het herstelexploot d.d. 19 november 2025;
- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie, met producties 1 t/m 9;
- de akte nadere onderbouwing van vorderingen en verweer en overlegging producties (10 t/m 27), van de vrouw;
- de brief van mr. Kuijpers d.d. 19 juni 2026, met producties A t/m C;
- de mondelinge behandeling, gehouden op 30 juni 2026;
- de pleitaantekeningen van mr. Kuijpers.
Op de mondelinge behandeling heeft de rechter het bezwaar van de vrouw tegen de door de man als productie bij dagvaarding overgelegde correspondentie tussen de advocaten afgewezen als zijnde een tuchtrechtelijke kwestie, en heeft bepaald dat deze stukken tot het procesdossier behoren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
in conventie en in reconventie
De man en de vrouw zijn op [datum 1] met elkaar gehuwd en inmiddels van elkaar gescheiden.
Voorafgaand aan het huwelijk, op 19 januari 2016, hebben partijen huwelijkse voorwaarden gesloten. Daarin is onder meer bepaald dat geen sprake zal zijn van een gemeenschap van goederen, maar dat partijen de vermeerdering van beider vermogens die gedurende het huwelijk heeft plaatsgevonden na ontbinding van het huwelijk zullen delen.
Tijdens het huwelijk hebben partijen gewoond in de woning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning), die eigendom is van de vrouw.
In de bij de huwelijkse voorwaarden behorende staat van huwelijkse aanbrengsten is over de woning opgenomen:
"Ten huwelijk wordt aangebracht door:
(…)
[de vrouw] :
(…)
woonhuis aan [adres] , [postcode]
[plaats] , WOZ waarde € 175.000,00
Hypothecaire lening bij Argenta Spaarbank N.V.,
hypotheek op [datum 2] -/- € 134.627,00
rente aflossing 2015 -/- € 3.958,00"
De echtscheiding tussen partijen is uitgesproken bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van [datum 3] (hierna: de echtscheidingsbeschikking). De echtscheidingsbeschikking is op [datum 4] ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
In de echtscheidingsbeschikking is onder meer opgenomen:
"4.5 neemt op in deze beschikking de onderlinge regeling die partijen ter zake de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden hebben getroffen, te weten:
- de woning gelegen aan [adres] te ( [postcode] ) [plaats] zal worden verkocht,
- de man zal hiertoe de woning voor 11 januari 2024 verkoop klaar maken, welke kosten geheel door de man worden gedragen,
(…)
- partijen gaan uit van een aanvangswaarde van de woning van € 175.000,00, zodat de vrouw vanuit de verkoopopbrengst € 175.000,00 toekomt, het mindere voor rekening en risico van de vrouw komt en het meerdere aan ieder van partijen voor de helft toekomt,
- vanaf de datum dat de vrouw de woning verlaat zullen de eigenaarslasten door partijen ieder voor de helft worden betaald, tot deze datum worden deze door de vrouw voldaan,
- partijen stellen vast dat ieder onder zich heeft hetgeen van hem/haar is en dat voor het overige geen verdeling of verrekening hoeft plaats te vinden,
(…)."
De woning is verkocht voor een bedrag van € 370.000,00 en aan de kopers geleverd op 6 oktober 2025. Na aftrek van alle kosten en aflossing van de hypotheek resteert een netto-verkoopopbrengst van € 263.232,00.
De man heeft conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de notaris op de netto-verkoopopbrengst van de woning tot een bedrag van € 113.408,00.
4 Het geschil
in conventie
De vordering van de man luidt - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een bedrag van € 113.408,00, de buitengerechtelijke kosten van € 2.309,99 en de wettelijke rente vanaf de datum van betekening aan de vrouw van de dagvaarding (3 november 2026);
II. de vrouw te veroordelen tot vergoeding aan de man van de gemaakt beslagkosten, vooralsnog groot € 742,35;
III. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten met wettelijke rente.
Het verweer van de vrouw strekt tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van de procedure en in de nakosten met wettelijke rente.
in reconventie
De vordering van de vrouw luidt - zakelijk weergegeven - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. het in opdracht van de man ten laste van de vrouw gelegde conservatoir derdenbeslag op te heffen;
II. voor recht te verklaren dat het derdenbeslag onrechtmatig is;
III. te bepalen dat krachtens de echtscheidingsbeschikking en op basis van de nota van afrekening d.d. 6 oktober 2025 aan de man € 44.116,03 en aan de vrouw € 219.116,03 toekomt;
IV. de man te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de echtscheidingsbeschikking, in die zin dat hij onverwijld, uiterlijk binnen 2 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, zijn medewerking verleent aan uitkering van een bedrag van € 69.291,97 aan de vrouw door de notaris, op straffe van een dwangsom;
V. te bepalen dat indien de man niet voldoet aan de sub IV genoemde veroordeling, het
vonnis zo nodig in de plaats treedt van de eventueel vereiste toestemming/medewerking van de man om het bedrag van € 69.291,97 door de notaris aan de vrouw te doen uitkeren;
VI. de man te veroordelen om aan de vrouw de wettelijke rente te betalen over het beslagene ten belope van € 69.291,97, vanaf 6 oktober 2025;
VII. de man te veroordelen om € 15.000,00 aan de vrouw terug te betalen inzake de in bewaring gegeven letselschade-uitkering, alsmede de wettelijke rente vanaf 15 november 2025;
VIII. de man primair te veroordelen aan de vrouw terug te leveren de legoverzameling van
de minderjarige zoon [minderjarige] , dan wel - bij onmogelijkheid daartoe - subsidiair de man te veroordelen aan de vrouw de waarde ervan te vergoeden, welke is begroot op € 3.300,00;
IX. de man te veroordelen om aan de vrouw te voldoen € 2.1490,10 als schadevergoeding voor de nodeloos gevoerde kortgedingprocedure en de hiermee gemoeide advocaatkosten;
X. de man te veroordelen in de proceskosten alsmede de nakosten.
Ter zitting heeft de vrouw haar vorderingen sub VIII en IX ingetrokken.
Het verweer van de man strekt tot afwijzing van de (gehandhaafde) vorderingen van de vrouw.
5 De beoordeling
in conventie
De man stelt dat uit de staat van huwelijkse aanbrengsten blijkt dat de aanbreng van de vrouw voor wat betreft de woning netto (€ 175.000,00 -/- € 134.627,00 -/- € 3.958,00 = ) € 36.415,00 bedraagt. Volgens de man komt de netto-verkoopopbrengst van de woning tot dat bedrag daarom aan de vrouw toe, en moet het meerdere (de vermogensvermeerdering) tussen partijen 50/50 worden gedeeld. Dat betekent dat volgens de man (€ 263.323,00 -/- € 36.415,00 =) € 226.817,00 tussen partijen 50/50 moet worden gedeeld. Daarom vordert de man betaling van de helft van dat bedrag (€ 113.408,00) van de vrouw.
De vrouw betwist de vordering van de man. De vrouw stelt dat partijen met de afspraken die zij hebben gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek en die zijn opgenomen in de echtscheidingsbeschikking, zijn afgeweken van de regeling in de huwelijkse voorwaarden. Volgens die afspraken wordt voor het bepalen van de vermogensvermeerdering uitgegaan van een aanvangswaarde van de woning van € 175.000,00, zonder rekening te houden met de aangebrachte hypotheekschuld, zodat aan de vrouw uit de netto-verkoopopbrengst van de woning € 175.000,00 toekomt, en het meerdere boven € 175.000,00 tussen partijen 50/50 moet worden gedeeld. Dat betekent dat volgens de vrouw van de netto-verkoopopbrengst slechts (€ 262.232,05 -/- € 175.000,00 = € 88.232,05 : 2 =) € 44.116,03 aan de man toekomt.
De achtergrond van de afwijking van het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden is volgens de vrouw als volgt. De man was volgens de huwelijkse voorwaarden verplicht om alle kosten van de huishouding en van het onderhoud en de opvoeding van de kinderen, en alle (overige) kosten die uit de inkomsten plegen te worden voldaan, voor zijn rekening te nemen, maar heeft dat niet gedaan. De man heeft zowel voorafgaand aan de scheiding als gedurende de echtscheidingsprocedure nagenoeg niets bijgedragen aan deze kosten. Pas een maand voorafgaand aan de echtscheidingsbeschikking zijn partijen een bijdrage in de kosten van de kinderen overeengekomen en is de man deze gaan betalen. Daarnaast heeft de vrouw altijd de woonlasten betaald en het leeuwendeel van de investeringen in de woning gefinancierd. Uitsluitend de vrouw heeft bijgedragen aan de vermogensvermeerdering van de woning, onder meer door een hypotheekaflossing van € 32.700,00 en door het betalen van de kosten van verbouwingswerkzaamheden. De vrouw heeft nimmer gebruik gemaakt van het recht om verrekening te vorderen van de betalingen die zij heeft gedaan maar die volgens de huwelijkse voorwaarden voor rekening van de man komen. De vrouw heeft ook geen aanspraak gemaakt op haar aandeel in de vermogensvermeerdering van de onderneming van de man. Om al deze redenen hebben partijen afgesproken dat aan de vrouw uit de netto-verkoopopbrengst van de woning € 175.000,00 toekomt, en dat uitsluitend het meerdere boven € 175.000,00 tussen partijen 50/50 moet worden gedeeld, aldus de vrouw.
Subsidiair, voor het geval de rechtbank de redenering van de man zou volgen, betoogt de vrouw dat krachtens artikel 1:142 BW de vermogens van partijen moeten worden gewaardeerd per de datum van indiening van het echtscheidingsverzoek, te weten 12 oktober 2022. Per die datum bedroeg de overwaarde van de woning volgens de vrouw slechts € 94.459,00.
Het draait in dit geschil om de uitleg van de in de echtscheidingsbeschikking opgenomen afspraken, met name de clausule die luidt: “partijen gaan uit van een aanvangswaarde van de woning van € 175.000,00, zodat de vrouw vanuit de verkoopopbrengst € 175.000,00 toekomt, het mindere voor rekening en risico van de vrouw komt en het meerdere aan ieder van partijen voor de helft toekomt” (hierna: de clausule). Hoewel in de clausule niet is opgenomen dat de door de vrouw aangebrachte hypotheekschuld in mindering komt op de aanvangswaarde van € 175.000,00, was dit volgens de man wel de bedoeling van partijen. Volgens de vrouw is de door haar aangebrachte hypotheekschuld bewust buiten beschouwing gelaten.
Het betreft hier afspraken die weliswaar onderdeel uitmaken van een rechterlijke beschikking, maar die niet hebben te gelden als rechterlijke oordeel, maar als een (uitsluitend) tussen partijen onderling gesloten overeenkomst.
Bij de uitleg van een overeenkomst komt het niet alleen aan op een zuiver taalkundige uitleg, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en wat zij ten aanzien daarvan redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-norm). Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, in hun onderlinge samenhang bezien.
Vooropgesteld wordt dat een zuiver taalkundige uitleg van de clausule leidt tot de conclusie dat de door de vrouw aangebrachte hypotheekschuld niet op de aanvangswaarde van de woning in mindering moet worden gebracht. Die hypotheekschuld wordt immers niet genoemd in de clausule. Dit sluit echter niet uit dat partijen wel hebben bedoeld de door de vrouw aangebrachte hypotheekschuld in de verrekening te betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank is dat echter niet het geval.
Tussen partijen is voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek uitvoerig gecorrespondeerd, onder andere over de verdeling van de overwaarde van de woning.
In een e-mail van 19 juni 2023, anderhalf jaar voor de mondelinge behandeling van het echtscheidingsverzoek, schrijft de advocaat van de man aan de advocaat van de vrouw:
“(…)
Met betrekking tot de woning geeft cliënt twee opties:
• Het huis wordt direct in de verkoop gezet en de overwaarde vanaf € 170.000 wordt verdeeld, of;
• het huis wordt op gezamenlijke kosten getaxeerd, onder toezicht van cliënt en uw cliënte, verdeling van de overwaarde vanaf het bedrag van € 170.000.
(…)”
Ter zitting heeft de advocaat van de man verklaard dat met “overwaarde” in deze e-mail is bedoeld de netto-verkoopopbrengst van de woning. In deze e-mail stelt de man dus voor om uitsluitend de netto-verkoopopbrengst boven € 170.000,00 in de verdeling te betrekken.
In een e-mail aan de vrouw van 13 oktober 2023, ongeveer vier maanden later dus, schrijft de man:
“(…)
Dit is ook de reden dat ik in niets meewerk met jouw onkosten. Je hebt immers al enorm voordeel dat ik pas vanaf € 175 000 meedeel
(…)”.
Uit deze e-mail blijkt dat partijen het er op dat moment over eens waren dat uitsluitend de overwaarde boven € 175.000,00 zou worden gedeeld. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij hier met “voordeel” bedoelde dat de woning in de staat van aanbrengsten is gewaardeerd op € 175.000,00 terwijl die in werkelijkheid slechts € 146.000,00 waard was, maar dit is door de man niet met concrete feiten of stukken onderbouwd (de man verwijst naar een e-mail aan de rechtbank in het kader van de echtscheidingsprocedure, die niet is overgelegd) en deze uitleg verhoudt zich niet met de in 5.9 genoemde e-mail van de advocaat van de man, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
In een WhatsApp-bericht aan de vrouw van 2 juni 2024 schrijft de man
“(…)
Ik wil het gerust afmaken en deel dan mee vanaf 175
(…)”.
Ook hieruit blijkt dat de man bereid was om slechts in de overwaarde van de woning boven € 175.000,00 te delen.
Uit de correspondentie tussen partijen kan dus niet anders worden geconcludeerd dan dat partijen voorafgaand aan de mondelinge behandeling al een regeling hebben besproken waarin zou worden afgeweken van het bepaalde in de huwelijkse voorwaarden en waarin de man slechts in de overwaarde zou delen voor zover die meer dan € 175.000,00 zou bedragen.
Daar komt bij dat de man weliswaar stelt dat hij heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding en de kosten van de kinderen, maar volgens de huwelijkse voorwaarden was de man niet slechts gehouden tot bijdragen in die kosten; de man was gehouden ál die kosten te betalen, en de man betwist niet dat hij aan díe verplichting niet heeft voldaan. Er was dus, zoals de vrouw stelt, een reden om af te wijken van de huwelijkse voorwaarden. Bovendien zijn partijen in de regeling zoals vastgelegd in de echtscheidingsbeschikking op meerdere punten afgeweken van de huwelijkse voorwaarden. Zo hebben partijen, in afwijking van de huwelijkse voorwaarden, afgezien van verevening van pensioenrechten.
Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de clausule de overeenstemming tussen partijen juist weergeeft. Als de man al een van de tekst van de clausule afwijkende bedoeling had, dan heeft de vrouw dat niet behoeven te begrijpen, en dan kan daar tegenover de vrouw geen beroep op worden gedaan.
Ingevolge de overeenkomst tussen partijen zoals vastgelegd in de clausule, komt aan de vrouw uit de netto-verkoopopbrengst van de woning € 175.000,00 toe en moet het meerdere boven € 175.000,00 tussen partijen 50/50 worden gedeeld. De vordering van de man is dus slechts toewijsbaar tot een bedrag van € 44.116,03.
Het subsidiaire standpunt van de vrouw behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen bespreking meer.
De vordering van de man tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen omdat de vrouw al voorafgaand aan deze procedure bereid was om aan de man het hem toekomende deel van € 44.116,03 te voldoen, en zij dit ook aan de man en aan de notaris heeft medegedeeld. Deze kosten, als daar al sprake van is, zijn dus onnodig gemaakt.
De vordering tot vergoeding van wettelijke rente zal ook worden afgewezen. De vrouw heeft, voor de levering van de woning, aan de man en aan de notaris kenbaar gemaakt dat zij bereid was mee te werken aan verdeling van de opbrengst van de woning conform de afspraak zoals verwoord in de echtscheidingsbeschikking. De man heeft geweigerd hieraan mee te werken. Het is dus niet aan verzuim van de vrouw te wijten dat het bedrag van € 44.116,03 door de notaris niet aan de man is uitgekeerd.
in reconventie
De hoofdvorderingen van de vrouw - na vermindering van eis - bestaan uit vorderingen die zien op de verdeling van de netto-verkoopopbrengst van de woning (vorderingen I - VI), en een vordering die geen verband houdt met de woning (vordering VII).
Vorderingen I - VI
Onder punt I van haar eis in reconventie vordert de vrouw opheffing van het door de man onder de notaris gelegde beslag. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de vrouw in conventie worden veroordeeld tot betaling aan de man van een bedrag van € 44.116,03. Het beslag rust, zo is ter zitting gebleken, op een bedrag van € 113.408,00. Het beslag moet dus worden opgeheven voor zover het rust op een bedrag of vordering groter dan € 44.116,03. De rechtbank zal aldus oordelen.
Onder punt II vordert de vrouw een verklaring voor recht dat het beslag onrechtmatig is, en onder punt VI vordert de vrouw betaling van de
wettelijke rente over het beslagene ten belope van € 69.291,97, vanaf 6 oktober 2025, de datum van de beslaglegging.
Ingevolge vaste rechtspraak handelt degene die een beslag legt daarmee op eigen risico en dient diegene, bijzondere omstandigheden daargelaten, de door het beslag geleden schade te vergoeden indien het beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, zulks ook in het geval dat hij, op verdedigbare gronden van het bestaan van zijn vorderingsrecht overtuigd, bij het leggen van het beslag niet lichtvaardig heeft gehandeld. Bijzondere omstandigheden daargelaten, is de beslaglegger wiens beslag ten onrechte blijkt te zijn gelegd, aansprakelijk uit onrechtmatige daad jegens degene op wiens recht het beslag inbreuk heeft gemaakt.
Het beslag is onnodig en dus ten onrechte gelegd omdat de vrouw al voorafgaand aan deze procedure bereid was om aan de man het hem toekomende deel van € 44.116,03 te voldoen, en zij dit ook aan de man en aan de notaris heeft medegedeeld. Bijzondere omstandigheden zijn door de man niet gesteld. De man moet dus de schade van de vrouw als gevolg van het beslag vergoeden. Die schade is gelijk aan de wettelijke rente over het ten onrechte beslagen bedrag, € 69.291,97, vanaf de dag van de beslaglegging, 6 oktober 2025, tot aan de dag van opheffing van het beslag, dat is de dag van dit vonnis. De rechtbank zal de man, zoals door de vrouw gevorderd, veroordelen tot betaling van die wettelijke rente. De gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen omdat de vrouw geen belang bij die vordering heeft gesteld.
Onder punt III vordert de vrouw dat de rechtbank bepaalt dat van de netto-opbrengst van de woning aan de man € 44.116,03 toekomt, en aan de vrouw € 219.116,03. Deze vordering zal worden afgewezen omdat uit de beslissing in conventie blijkt dat aan de man € 44.116,03 toekomt, en aan de vrouw het overige. De vrouw heeft dus geen belang bij deze vordering of, als zij een belang heeft, heeft zij dat niet, althans onvoldoende onderbouwd.
Onder punt IV vordert de vrouw veroordeling van de man tot medewerking aan uitkering van een bedrag van € 69.291,97 aan de vrouw door de notaris, op straffe van een dwangsom. Onder punt V vordert de vrouw te bepalen dat indien de man niet voldoet aan de sub IV genoemde veroordeling, het vonnis zo nodig in de plaats treedt van de eventueel vereiste toestemming/medewerking van de van de man.
De vrouw heeft niet duidelijk gemaakt waaruit de medewerking van de man aan die uitkering moet bestaan. Zoals overwogen in 5.20 zal het beslag onder de notaris, voor zover het is gelegd op een bedrag of vordering groter dan € 44.116,03, worden opgeheven. Op het bedrag dat aan de vrouw toekomt rust na die opheffing dus geen beslag meer. De notaris kan dat bedrag dan zonder medewerking van de man aan de vrouw uitkeren. Deze vordering van de vrouw zal daarom wegens gebrek aan belang worden afgewezen.
Vordering VII
Onder punt VII vordert de vrouw veroordeling van de man tot betaling van € 15.000,00 met rente. De vrouw stelt dat zij dit bedrag aan de man in bewaring heeft gegeven. De man erkent dat de vrouw dit bedrag op zijn rekening heeft overgemaakt. Volgens de man was de achtergrond dat de vrouw wilde voorkomen dat zij dit bedrag zou vergokken. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij nooit heeft geweten dat hij dit bedrag zou moeten terugbetalen. De man heeft ook verklaard dat ten minste € 6.000,00 van dit bedrag aan de vrouw is terugbetaald. Wat er met de resterende € 9.000,00 is gebeurd, weet de man niet.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de overboeking van het bedrag van € 15.000,00 heeft de vrouw “in bewaring” vermeld. De man moet dus, mede gelet op de door hem geschetste achtergrond van de overboeking, begrepen hebben dat hij dit bedrag op verzoek van de vrouw moest terugbetalen. Dat de man enig deel van dit bedrag aan de vrouw heeft terugbetaald, is een bevrijdend verweer waarvan de man de bewijslast draagt. De vrouw heeft echter betwist dat de man enig bedrag heeft terugbetaald en de man heeft dat verweer op geen enkele wijze onderbouwd. Daarom wordt aan bewijslevering niet toegekomen en zal de vordering van de vrouw worden toegewezen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de conclusie waarbij deze vordering is ingesteld, te weten 14 januari 2026, omdat gesteld noch gebleken is dat de vrouw eerder terugbetaling heeft gevorderd.
in conventie en in reconventie
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten, inclusief de beslagkosten, tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Het vonnis zal zowel in conventie als in reconventie, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard omdat dat is gevorderd en daartegen geen (gemotiveerd) verweer is gevoerd.
6 De beslissing
De rechtbank
in conventie
heft op het ten laste van de vrouw door de man onder [notaris] gelegde conservatoir derdenbeslag, voor zover het bedrag of de vordering onder dat beslag groter is dan € 44.116,03;
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag gelijk aan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 69.291,97 van 6 oktober 2025 tot aan de datum van dit vonnis;
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 15.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente van 14 januari 2026 tot aan de dag van volledige betaling;
in conventie en in reconventie
verklaart de veroordelingen in dit vonnis en de opheffing van het beslag uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, inclusief de beslagkosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
|
Dit vonnis is gewezen door mr. W.A.M. Schellekens. Het is getekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2026. 2111/3310 |
||