Verbintenissenrecht

Tussenvonnis; opleidingsovereenkomst. Eisende partij krijgt de gelegenheid om nader te onderbouwen dat er een…

Rechtbank Amsterdam, 30 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
30 oktober 2026
Datum publicatie
5 november 2026
Zaaknummer
11831761 \ CV EXPL 25-10910
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10929
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Tussenvonnis; opleidingsovereenkomst. Eisende partij krijgt de gelegenheid om nader te onderbouwen dat er een overeenkomst tot stand is gekomen met gedaagde partij. Voor zover zij daarin slaagt, wordt het 'no show'beding, op grond waarvan een consument alle kosten van de opleiding verschuldigd is, als oneerlijk beschouwd. Eisende partij mag zich daarover uitlaten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht

Kantonrechter

Zaaknummer: 11831761 \ CV EXPL 25-10910

Vonnis van 30 oktober 2026

in de zaak van

ICT NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Barendrecht,

eisende partij,

gemachtigde: [gemachtigde] (Trust Advocaten),

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard op 29 juli 2025. Gedaagde partij is niet verschenen en heeft ook niet schriftelijk gereageerd. Tegen haar is daarom verstek verleend.

1.2.

Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

Volgens eisende partij is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen voor het volgen van de training iSAQB Foundation in Software Testing, inclusief examen. Gedaagde partij heeft zich op 21 oktober 2024 via de website van eisende partij ingeschreven en eisende partij heeft de inschrijving op 5 november 2024 bevestigd aan gedaagde partij. Op de overeenkomst zijn de Algemene verkoop- en leveringsvoorwaarden ICT Netherlands B.V. van toepassing (hierna: de algemene voorwaarden).

2.2.

Eisende partij heeft de kosten van de training, een bedrag van € 2.081,20, op 18 november 2024 gefactureerd aan gedaagde partij. Op de eerste dag van de training, 18 november 2024, is gedaagde partij niet verschenen.

2.3.

Door het uitblijven van een (tijdige) annulering is gedaagde partij gehouden de kosten van de training te betalen. Eisende partij verwijst in dat verband naar artikel 32.6 van de algemene voorwaarden. Eisende partij vordert daarom van gedaagde partij een bedrag van € 2.081,20 aan hoofdsom, een bedrag van € 312,18 aan buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente.

2.4.

Hoewel eisende partij stelt dat een overeenkomst is gesloten tussen partijen, blijkt uit de dagvaarding dat dit wordt betwist door gedaagde partij. Zij stelt dat zij enkel informatie over de training heeft opgevraagd en geen betalings- of telefonische bevestiging heeft ontvangen. Tegenover deze betwisting heeft eisende partij ter onderbouwing van haar stellingen onvoldoende gesteld. De e-mail met omschrijving ‘nieuwe inschrijving’, die naar [internetsite] is gestuurd (productie 2) en de e-mail van 5 november 2024 aan gedaagde partij zijn in ieder geval onvoldoende om daaruit een overeenkomst tussen partijen af te leiden. Daarbij is van belang dat artikel 32.3 van de algemene voorwaarden bepaalt dat de overeenkomst tussen partijen tot stand komt door de schriftelijke bevestiging van eisende partij van de door gedaagde partij aangevraagde opleiding middels een door gedaagde partij ondertekend inschrijfformulier, offerte of opdrachtbevestiging. Het zou dus voor eisende partij eenvoudig moeten zijn om een document te overleggen dat door gedaagde partij is ondertekend. Eisende partij dient dan ook nader toe te lichten en te onderbouwen met stukken dat een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen.

2.5.

Voor zover vast komt te staan dat een overeenkomst tot stand is gekomen, geldt het volgende. Eisende partij is een handelaar. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn. In dat geval moet ambtshalve worden getoetst aan het consumentenrecht. De kantonrechter moet onder meer onderzoeken of eisende partij haar informatieverplichtingen heeft nageleefd. Ook moet de overeenkomst worden getoetst aan de Richtlijn oneerlijke bedingen.

2.6.

Eisende partij stelt dat gedaagde partij zich via de website van eisende partij heeft ingeschreven. Eisende partij dient nader toe te lichten en te onderbouwen welke informatieplichten van toepassing zijn en hoe zij daaraan heeft voldaan.

2.7.

Voor zover blijkt dat een overeenkomst tot stand is gekomen en eisende partij heeft voldaan aan de toepasselijke informatieplichten, dient de overeenkomst te worden getoetst aan de richtlijn oneerlijke bedingen. Hiervoor is van belang dat eisende partij zich wat betreft de vordering beroept op artikel 32.6 van de algemene voorwaarden. Daarnaast is artikel 32.7 van belang in het kader van de beoordeling van de vordering. Deze artikelen luiden:

[afbeelding niet beschikbaar]

2.8.

Op grond van deze artikelen kan eisende partij in het geval als in deze procedure kennelijk aan de orde is, een ‘no show’, het gehele bedrag in rekening brengen. Het betreft hier een beding als bedoeld in artikel 6:237 onder i BW en wordt daarom vermoed onredelijk bezwarend te zijn, tenzij het een redelijke vergoeding betreft voor het door eisende partij geleden verlies of gederfde winst. Deze regeling is van dwingend recht.

2.9.

Eisende partij heeft niets aangevoerd om dit vermoeden te weerleggen. De kantonrechter is daarom voornemens de bedingen van artikel 32.6 en 32.7 van de algemene voorwaarden als onredelijk bezwarend te beschouwen, zodat deze de consument niet binden. Dit betekent dat eisende partij op de bedingen geen beroep kan doen. Als sprake is van een onredelijk bezwarend (oneerlijk) beding, kan ook geen aanspraak meer worden gemaakt op de wettelijke regeling die zonder het beding van toepassing zou zijn geweest.

2.10.

Eisende partij zal in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over het buiten toepassing laten van de bedingen vanwege de oneerlijkheid ervan. Ook mag eisende partij zich uitlaten over wat hiervoor is overwogen ten aanzien van het bestaan van een overeenkomst en de informatieplichten (zie hiervoor onder 2.4. en verder). De zaak wordt hiervoor verwezen naar de rol over vier weken.

2.11.

Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partijuiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.

2.12.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van donderdag 26 november 2026 om 10:00 uur voor het nemen van een akte door eisende partij over wat is vermeld onder 2.4. en verder,

3.2.

bepaalt dat eisende partij de akte tenminste twee weken voor deze rolzitting aan gedaagde partij moet sturen, zoals hiervoor is overwogen onder 2.11.,

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2026.

57327

Richtlijn 93/13/EEG. Zie de uitspraken van het Europees Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en van 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).