Verbintenissenrecht

Verstek. Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming woning toegewezen. Betaling huurachterstand met rente en…

Rechtbank Rotterdam, 4 november 2026

Zaakgegevens

Op 4 november 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over verbintenissenrecht.

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats
Rotterdam
Datum uitspraak
4 november 2026
Datum publicatie
21 oktober 2026
Zaaknummer
12092347 CV EXPL 26-4213
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
ECLI
ECLI:NL:RBROT:2026:14429
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Verstek. Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming woning toegewezen. Betaling huurachterstand met rente en kosten ook toegewezen. Vernietiging opslagbeding omdat een opslagpercentage van minstens 3% bovenop de CPI oneerlijk is.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 12092347 CV EXPL 26-4213

datum uitspraak: 4 november 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres] ,

vestigingsplaats: [vestigingsplaats],

eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde],

tegen

1 [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

woonplaats: [woonplaats],

gedaagden,

die niet in de procedure zijn verschenen.

Eiseres wordt hierna ‘[eiseres]’ genoemd en gedaagden worden hierna gezamenlijk ‘[gedaagden]’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 28 januari 2026, met bijlagen;

  • de rolbeslissing van 18 maart 2026;

  • de akte van [eiseres] van 28 april 2026 met een eiswijziging.

1.2.

Tegen [gedaagden] is verstek verleend (artikel 139 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagden] huren sinds 11 maart 2013 de woning aan de [straatnaam] in [locatie] (hierna: de woning) van [eiseres]. Op dit moment is er een huurachterstand. [eiseres] eist dat [gedaagden] de huurachterstand met rente, proceskosten en de lopende huur betalen. Zij eist ook de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning.

2.2.

De kantonrechter oordeelt dat [gedaagden] de huurachterstand van € 7.618,46 met rente en proceskosten moeten betalen en de woning moeten verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarop deze beslissing is gebaseerd.

De kantonrechter vernietigt het opslagbeding

2.3.

In artikel 9.3 van de huurovereenkomst is bepaald dat de huurprijs jaarlijks kan worden verhoogd met een opslagpercentage dat minimaal 3% bedraagt, bovenop de consumentenprijsindex (CPI), voor het eerst per 1 juli 2013. De kantonrechter oordeelt dat het opslagbeding in artikel 9.3 van de huurovereenkomst oneerlijk is, omdat daarmee de huurprijs, bovenop de indexatie, kan worden verhoogd met een extra opslagpercentage dat de verhuurder eenzijdig kan bepalen zonder dat dit is gemaximeerd tot 3%. [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom dat in dit geval anders zou zijn. De kantonrechter vernietigt daarom het opslagbeding.

Huurachterstand

2.4.

[eiseres] heeft gespecificeerd dat de huurachterstand begon te ontstaan vanaf september 2025. Zij heeft vervolgens bij akte toegelicht dat de kale huur per 1 juli 2025 is verhoogd naar € 1.229,38, terwijl deze op basis van de CPI maximaal € 1.098,28 mocht bedragen. Daarmee heeft zij in de periode van 1 september 2025 tot 1 februari 2026 (5 maanden) maandelijks € 131,10 (€ 1.229,38 - € 1.098,28) te veel bij [gedaagden] in rekening gebracht, in totaal € 655,50 (5 x € 131,10). De kantonrechter volgt [eiseres] in deze berekening en acht de daarbij gegeven toelichting juist. Dit betekent dat op het moment van dagvaarden, bij vernietiging van het opslagbeding, tot 1 februari 2026 een huurbedrag van € 4.297,22 verschuldigd was.

2.5.

Op het moment dat [eiseres] haar akte van 28 april 2026 indiende, zijn ook de huurtermijnen voor de maanden februari tot en met april 2026 verschuldigd geworden. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat deze huurtermijnen niet zijn betaald, zodat de huurachterstand tot 1 mei 2026 € 7.618,46 bedraagt. [gedaagden] worden hoofdelijk veroordeeld om dit bedrag aan [eiseres] te betalen.

Ontbinding huurovereenkomst

2.6.

De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagden] verplicht waren om de huur op tijd te betalen en dat niet hebben gedaan (artikel 6:265 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen.

Ontruiming en gebruiksvergoeding

2.7.

Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moeten [gedaagden] de woning met al hun spullen verlaten. De kantonrechter geeft [gedaagden] twee maanden de tijd om de woning te ontruimen. Deze termijn vindt de kantonrechter passend, omdat er minderjarige kinderen in de woning wonen. Zo hebben [gedaagden] meer tijd om ergens anders onderdak te zoeken.

2.8.

[gedaagden] worden hoofdelijk veroordeeld om vanaf 1 mei 2026 tot en met de dag van de ontruiming de huur c.q. een gebruiksvergoeding te betalen van € 1.107,08 (inclusief servicekosten) per maand (artikel 7:225 BW). [eiseres] heeft niet uitgelegd waarom [gedaagden] een vergoeding moeten betalen voor het eventueel resterende gedeelte van de maand na de dag van ontruiming. Als de woning voor het einde van de maand wordt ontruimd, hoeven [gedaagden] voor die laatste dagen van de maand geen vergoeding te betalen (naar rato). Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.

Verdere ambtshalve toetsing

2.9.

De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.

Rente

2.10.

De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagden] dat niet hebben betwist.

Proceskosten

2.11.

[gedaagden] worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgen (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagden] aan [eiseres] moeten betalen op € 154,09 aan dagvaardingskosten, € 529,- aan griffierecht, € 288,- aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.115,09. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.12.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagden] daar geen bezwaar tegen hebben gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eiseres] te betalen € 7.618,46 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 28 april 2026 tot de dag dat volledig is betaald;

3.2.

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagden] om binnen twee maanden na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de [straatnaam] in [locatie] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagden] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;

3.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om vanaf mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiseres] te betalen € 1.107,08 per maand met de verhoging die is toegestaan;

3.4.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.115,09;

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.

53954

Hoge Raad 29 november 2024: ECLI:NL:HR:2024:1780 Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810