Europees strafrecht

Vervolgings-EAB Duitsland. Overlevering toegestaan.

Rechtbank Amsterdam, 25 juni 2019

Zaakgegevens

Op 25 juni 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
25 juni 2019
Datum publicatie
10 juli 2019
Zaaknummer
13/751491-19
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2019:4926
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgings-EAB Duitsland. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751491-19

RK nummer: 19/3463

Datum uitspraak: 25 juni 2019

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 5 juni 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 31 mei 2019 door het Amtsgericht Lüneburg (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [plaats detentie],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 25 juni 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. de Klerk, advocaat te Velserbroek en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel, te weten een arrest warrant ordering detention pending trial van 29 maart 2019 van het Amtsgericht Dannenberg (11 Ls 5106 Js 13140/18, 4/18).

Et Het EAB is uitgevaardigd oor

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Duitsland strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

Feit 1:

  • overtreding van artikel 41, eerste lid, aanhef en onder d van de Wegenverkeerwet 1994;

  • overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994;

  • overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

Feit 2:

  • schuldheling;

  • poging tot mishandeling, meermalen gepleegd;

  • mishandeling;

  • wederspannigheid.

4 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

5 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 45, 180, 184, 300 en 417bis Wetboek van Strafrecht, 8, 41,107, 176 en 177Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

6 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan het Amtsgericht Lüneburg (Duitsland) ten behoeve van het in Duitsland tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en M. van Mourik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 9 juli 2019.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.