Europees strafrecht
Executie-EAB uit Griekenland. Na tussenuitspraken. Geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis omdat er in het…
Rechtbank Amsterdam, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10555 · Rechtbank Amsterdam · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-10555
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-248279-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10555
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executie-EAB uit Griekenland. Na tussenuitspraken. Geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis omdat er in het geheel geen strafrestant meer is. Overlevering geweigerd.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-248279-25
Datum uitspraak: 27 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 april 2025 door the Prosecutor's Office of the Appeal Court of
Thessaloniki, Griekenland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1960 in [geboorteplaats] (Griekenland),
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden – in aanwezigheid van partijen – op de zittingen van 24 december 2025 en 10 maart 2026. Het Openbaar Ministerie is vertegenwoordigd door mr. A. Keulers. De opgeëiste persoon is bijgestaan door mr. B.J. Korver (zitting van 24 december 2025) en mr. N. Stegerhoek (zitting van 10 maart 2026), beiden advocaat in Amsterdam en beiden waarnemend voor mr. M.L. van Gessel, eveneens advocaat in Amsterdam. Bij tussenuitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank besloten om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) en heeft om die reden het onderzoek heropend en geschorst voor bepaalde tijd tot 29 april 2026.
De rechtbank heeft vervolgens een prejudiciële vraag in concept aan partijen voorgelegd. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om hun standpunten over de concept-prejudiciële vraag schriftelijk aan de rechtbank mee te delen, van welke gelegenheid zij gebruik hebben gemaakt. De rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten.
Op 29 april 2026 heeft de rechtbank, met toestemming van partijen, het onderzoek enkelvoudig gesloten en bepaald dat op 6 mei 2026 uitspraak wordt gedaan.
Bij tussenuitspraak van 6 mei 2026 heeft de rechtbank een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. Tevens heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op het overleveringsverzoek moet beslissen op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder a, OLW met 60 dagen verlengd.
Bij beschikking van 2 juli 2026 heeft het Hof van Justitie de prejudiciële vraag beantwoord.
Op 10 juli 2026 is in raadkamer de beslistermijn met 60 dagen verlengd op grond artikel 22, vierde lid, aanhef en onder a, OLW onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Ter zitting van 25 augustus 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. J.I.P. Hofstee, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. B.J. Korver, advocaat in Amsterdam, die waarneemt voor mr. M.L. van Gessel, eveneens advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Griekse taal.
Voor sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank op grond van artikel 22, vierde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op het overleveringsverzoek moet beslissen met 30 dagen verlengd.
Op 8 september 2026 heeft de rechtbank bij einduitspraak de officier van justitie niet ontvankelijk verklaard ten aanzien van het gedeelte van het EAB dat ziet op vervolging van de opgeëiste persoon. De rechtbank heeft daarnaast de overlevering geweigerd voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) met betrekking tot de beslissingen met zaaknummers 1819/2015, 1747/2017 en 1194/2015 van het gedeelte van het EAB dat ziet op de executie van straffen.
Tegelijkertijd heeft de rechtbank tussenuitspraak gedaan ten aanzien van het gedeelte van het EAB dat ziet op executie van straffen (met betrekking tot de beslissing met zaaknummer 1880/2018) waarbij de rechtbank een algemeen gevaar voor een schending van grondrechten aangenomen voor de detentie-instelling in Drama.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting heropend en geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om een individuele detentiegarantie op te vragen voor de opgeëiste persoon nu de rechtbank een algemeen reëel gevaar voor een schending van grondrechten heeft aangenomen voor de detentie-instelling in Drama.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW met dertig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Ter zitting van 24 september 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van
mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. B.J. Korver en door een tolk in de Griekse taal.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor onbepaalde tijd aangehouden om de antwoorden op de door het Internationaal Rechtshulp Centrum met het oog op artikel 11 OLW gestelde vragen van 14 september 2026 af te wachten.
Ter zitting van 22 oktober 2026 heeft de rechtbank – met instemming van partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van
mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. B.J. Korver en door een tolk in de Griekse taal.
Hetgeen de rechtbank in de voornoemde tussenuitspraken heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Griekse nationaliteit heeft.
3 Geen voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis
Inleiding
De rechtbank stelt vast dat zij alleen nog een beslissing dient te nemen op het overleveringsverzoek voor zover het EAB ziet op de tenuitvoerlegging van the final decision
no. 1880/21.09.2018 of the Second One-Member Misdemeanors Court of Kateríni. Uit onderdeel C.2) van het EAB volgt dat voor deze beslissing, met zaaknummer 1880/2018, de overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van Griekenland.
Uit het proces-verbaal van voorlopige aanhouding blijkt dat de opgeëiste persoon op 27 oktober 2025 in Rotterdam voorlopig is aangehouden op grond van artikel 17, tweede lid, OLW.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard moet worden vanwege de detentieomstandigheden na een eventuele overlevering. De verdediging heeft (subsidiair) aangevoerd dat, indien de rechtbank de overlevering toestaat, feitelijke overlevering aan Griekenland niet meer aan de orde is omdat de opgeëiste persoon vanaf 27 oktober 2026 de resterende straf geheel in Nederland heeft uitgezeten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft aangevoerd dat het feit dat de opgeëiste persoon op 27 oktober 2026 de aan hem in Griekenland opgelegde straf van één jaar, in overleveringsdetentie heeft uitgezeten, niet maakt dat de rechtbank geen uitspraak meer kan doen. Een EAB kan worden uitgevaardigd als een straf is opgelegd van meer dan vier maanden. In de OLW wordt niets gezegd over de reststraf. Als de in het EAB genoemde resterende straf in zijn geheel is uitgezeten in overleveringsdetentie, stelt het Openbaar Ministerie de opgeëiste persoon in vrijheid en wordt hij niet overgeleverd. Dit staat echter los van de vraag of de overlevering kan worden toegestaan of niet. De overlevering moet dus worden toegestaan. Dit is ook van belang in het kader van de vraag of de opgeëiste persoon schadevergoeding kan vragen voor de tijd die hij in overleveringsdetentie heeft doorgebracht. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt, dat er nog een termijn moet worden geboden aan de Griekse autoriteiten om de detentieomstandigheden aan de orde te stellen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon sinds zijn aanhouding op 27 oktober 2025 tot aan de uitspraak van deze rechtbank op 27 oktober 2026, de resterende straf van één jaar in overleveringsdetentie heeft uitgezeten. Nu er in het geheel geen strafrestant meer is, is de rechtbank van oordeel dat de beslissing met zaaknummer 1880/2018 niet langer voor tenuitvoerlegging vatbaar is, zoals bedoeld in artikel 2, tweede lid, onder c, OLW, zodat de overlevering – wegens ongenoegzaamheid van het EAB – dient te worden geweigerd. De rechtbank komt niet meer toe aan de bespreking van het (primaire) verweer van de raadsman in het kader van artikel 11 OLW, nu het EAB reeds op grond van artikel 2 OLW wordt geweigerd.
4 Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB, voor zover het overleveringsverzoek ziet op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die aan de opgeëiste persoon is opgelegd in de zaak met nummer 1880/2018, niet voldoet aan alle eisen van artikel 2 OLW, dient de overlevering te worden geweigerd.
5 Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 2 OLW.
6 Beslissing
WEIGERT de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Prosecutor's Office of the Appeal Court of Thessaloniki (Griekenland) voor het feit met betrekking tot de beslissing met zaaknummer 1880/2018 zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [de opgeëiste persoon].
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.