Europees strafrecht

Executie-EAB uit Zweden. Geen verweer gevoerd. Overlevering toegestaan.

Rechtbank Amsterdam, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
13-231076-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10408
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Zweden. Geen verweer gevoerd. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-231076-26

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 25 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 31 juli 2026 door the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime, Zweden, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Zweden) op [geboortedag] 1997,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieadres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. J.H. de Krijger, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft op

24 september 2026 afstand gedaan van het recht om bij de behandeling op zitting aanwezig te zijn. Zij is vertegenwoordigd door mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht, die daartoe gemachtigd is.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.

De raadsman heeft geen verweer gevoerd.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Zweedse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Södertörn District Court van 26 juni 2026, met referentie B 13233-22.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van acht jaren. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en zij moet deze straf ondergaan in Zweden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zeven jaren, elf maanden en dertien dagen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.

5 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:

moord en doodslag, zware mishandeling.

Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Zweden een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Swedish Prosecution Authority, National Public Prosecution Department, National Unit Against Organised Crime (Zweden) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en A. Pahladsingh, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB.