Europees strafrecht

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: afzien van weigeren. Overlevering toegestaan.

Rechtbank Amsterdam, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
23 oktober 2026
Zaaknummer
13-146934-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10406
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. Artikel 12 OLW: afzien van weigeren. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-146934-26

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 7 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 25 maart 2026 door the Regional Court in Opole, Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieadres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. J.H. de Krijger, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Opole van 25 april 2024, met kenmerk III K 78/23. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van

20 augustus 2026 volgt dat sprake is geweest van een procedure in hoger beroep bij the Court of Appeal in Wrocław die heeft geleid tot een arrest van 24 juli 2025.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vier jaren en zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest van the Court of Appeal in Wrocław. Van deze straf resteren volgens het EAB nog drie jaren, tien maanden en 26 dagen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat niet duidelijk is op welke wijze de opgeëiste persoon is opgeroepen voor de procedure in hoger beroep en of sprake is geweest van een gemachtigd advocaat die ter zitting het woord heeft gevoerd. De opgeëiste persoon heeft de oproepingen niet in persoon ontvangen en er is geen afschrift van de oproepingen naar de advocaat verzonden. Hoewel de opgeëiste persoon bij zijn eerste verhoor schriftelijk is gewezen op de verplichting iedere adreswijziging door te geven, moet dit worden bezien in het licht van zijn toestand op dat moment. De opgeëiste persoon heeft last gehad van psychoses en schizofrenie tijdens de verhoren. Van iemand in deze toestand kan niet worden verwacht dat hij de reikwijdte van een formele schriftelijke waarschuwing over betekeningsregels heeft begrepen. Daarnaast is de verstrekte informatie wisselend. Uit het EAB volgt dat de opgeëiste persoon bij de zitting aanwezig is geweest en dat geen hoger beroep zou zijn ingesteld. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 augustus 2026 en 6 oktober 2026 blijkt echter dat de voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon is opgeheven en dat hij niet in persoon aanwezig is geweest bij de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van de zittingsdatum in hoger beroep en heeft dat ook niet vernomen van de advocaat. Er is dan ook geen sprake van een bewuste keuze om niet te verschijnen. Daarnaast is geen sprake geweest van een gemachtigd advocaat. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 6 oktober 2026 blijkt dat de machtiging van de advocaat Przemysław Duda ‘covered representation at all stages of the criminal case pending before the Regional Court in Opole, 3rd Criminal Division (case file no. III K 78/23)’. Nu hier het kenmerk van de procedure in eerste aanleg wordt genoemd, ziet de machtiging dus niet op de procedure in hoger beroep bij the Court of Appeal in Wrocław.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht af te zien van toepassing van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW. Uit onderdeel D) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg in persoon aanwezig is geweest bij de zitting, waardoor hij op de hoogte was van de lopende procedure. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 augustus 2026 blijkt dat het hoger beroep is ingesteld door de advocaat van de opgeëiste persoon. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 6 oktober 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon vervolgens een nieuwe advocaat, Przemysław Duda, heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. De opgeëiste persoon is gedurende het voorbereidend onderzoek gewezen op zijn rechten en plichten en hij heeft een adresinstructie ondertekend. Hij heeft twee adressen opgegeven, maar hij heeft nagelaten de oproepingen voor de zitting op deze adressen op te halen. De opgeëiste persoon is kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.

Oordeel van de rechtbank

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Court of Appeal in Wrocław van 24 juli 2025 toetsen aan artikel 12 OLW.

De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. In onderdeel D) van het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid en dat hij niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft aangetekend. Dit onderdeel D) heeft kennelijk alleen betrekking op de eerste aanleg. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 augustus 2026 blijkt namelijk dat het vonnis in eerste aanleg onherroepelijk is geworden op

25 juli 2025 door het arrest van the Court of Appeal in Wrocław van 24 juli 2025. Bij die aanvullende informatie is een ingevuld D-formulier gevoegd. Hieruit blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De rechtbank is verder niet gebleken dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces.

Ook de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW is niet aan de orde vanwege het volgende. Uit de aanvullende informatie van 6 oktober 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat, Przemysław Duda, heeft gemachtigd om zijn verdediging tijdens het proces in hoger beroep te voeren. Daarover is namelijk vermeld dat deze advocaat door de opgeëiste persoon is aangewezen met een ‘authorization for attorney’ die gold voor ‘all stages of the criminal case pending before the Regional Court in Opole, 3rd Criminal Division (case file no. III K78/23)’ nadat door de eerste advocaat van de opgeëiste persoon, Zbigniew Wędzina, hoger beroep was ingesteld. Het kan daarom niet anders dan dat de machtiging zag op de procedure in hoger beroep. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon ter zitting verklaard dat hij de advocaat Przemysław Duda toestemming heeft gegeven om hem te vertegenwoordigen. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van de datum en plaats van het voorgenomen proces in hoger beroep. In de aanvullende informatie is vermeld dat de opgeëiste persoon is opgeroepen op twee adressen in Polen, maar dat hij de oproepen niet heeft opgehaald. De oproep is niet naar het kantooradres van zijn advocaat gestuurd omdat de opgeëiste persoon daar geen domicilie heeft gekozen. Er zijn geen duidelijke en objectieve aanwijzingen waaruit blijkt dat blijkt dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd, met opzet vermijdt dat hij officieel in kennis wordt gesteld van het tijdstip en de plaats van de zitting in hoger beroep.

Verder is niet gebleken dat de beslissing in persoon aan de opgeëiste persoon is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien.Ook heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan.

Dat betekent dat de rechtbank in dit geval de overlevering kan weigeren.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 20 augustus 2026 en 6 oktober 2026 blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon, Zbigniew Wędzina, hoger beroep heeft ingesteld binnen de wettelijke termijn. Vervolgens heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit op 29 mei 2024 een brief (gedateerd op 24 mei 2024) ontvangen waarin de rechtbank op de hoogte werd gebracht van de nieuwe advocaat van de opgeëiste persoon, Przemysław Duda. Uit de aanvullende informatie van 6 oktober 2026 blijkt verder dat de opgeëiste persoon gedurende het voorbereidend onderzoek is gehoord als verdachte en schriftelijk is geïnformeerd over zijn rechten en plichten. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst hiervan getekend. De opgeëiste persoon is onder meer geïnformeerd over de verplichting iedere adreswijziging door te geven. Deze verplichting geldt gedurende de gehele strafprocedure, waaronder de procedure in hoger beroep. De oproep voor de procedure in hoger beroep is naar twee adressen in Polen gestuurd, namelijk het adres dat op de aanklacht stond ([adres 1]) en het adres waar de opgeëiste persoon heeft verklaard te verblijven na de opheffing van zijn voorlopige hechtenis op 16 oktober 2023

([adres 2]. De opgeëiste persoon heeft over dit laatste adres ter zitting verklaard dat dit het adres van zijn tante is waar hij na de opheffing van zijn voorlopige hechtenis nog twee weken heeft verbleven om vervolgens Polen te verlaten. Hij heeft verder verklaard dat hij daarna geen contact heeft onderhouden met zijn tante. De opgeëiste persoon heeft de oproepingen voor de procedure in hoger beroep niet opgehaald.

De rechtbank stelt daarmee vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Artikel 12 OLW staan dan ook niet aan overlevering in de weg. Het verweer van de raadsvrouw dat de opgeëiste persoon ten tijde van het verhoor door de politie last heeft gehad van psychoses en schizofrenie en daarom niet van hem kon worden verwacht dat hij de reikwijdte van de gegeven instructies heeft begrepen, doet hier niet aan af. Allereerst is dit verweer niet onderbouwd. Daarnaast laat dit verweer onverlet dat de opgeëiste persoon gedurende de procedure een advocaat had gemachtigd om hem in hoger beroep te vertegenwoordigen.

5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Opole (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en A. Pahladsingh, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32. Zie artikel 12, onder a, OLW. Zie HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar). Zie artikel 12, onder c, OLW. Zie artikel 12, onder d, OLW. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).