Europees strafrecht

Frans executie-EAB. Uitspraak. Artikel 12 OLW: Onvoldoende duidelijk dat de opgeëiste persoon gebruik heeft…

Rechtbank Amsterdam, 22 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 22 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 oktober 2026
Datum publicatie
22 oktober 2026
Zaaknummer
13/031756-25
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10376
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Frans executie-EAB. Uitspraak. Artikel 12 OLW: Onvoldoende duidelijk dat de opgeëiste persoon gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten; onvoldoende beslistermijn om aanvullende vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiele autoriteit. Overlevering geweigerd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/031756-25

Datum uitspraak: 22 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 11 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 januari 2025 door de Procureur-Generaal van Nancy, Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren op [geboortedag] 1979 in [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië),

inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:

[adres 1],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

Zitting van 17 september 2026

De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 17 september 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. Z. Boufadiss, advocaat in Amsterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

De rechtbank heeft voorts de zaak aangehouden voor bepaalde tijd, in afwachting van de door het Openbaar Ministerie gestelde vragen alsook het verzoek aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om formulier d) opnieuw in te vullen.

Zitting van 8 oktober 2026

De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 8 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. Z. Boufadiss.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrest van de kamer voor correctioneel beroep van het Gerechtshof van Nancy op 26 maart 2018 met kenmerk 18/241 - 17/02263.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf nog geheel ondergaan in Frankrijk.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Inleiding

Het IRC heeft op 18 augustus 2026 aanvullende vragen gesteld aan de Franse autoriteiten. Op 23 september 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit daarop het volgende geantwoord:

“(…) With reference to section d) of the EAW:

1. Was [opgeëiste persoon] summoned in person and thereby informed of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision?

Cf. the European Arrest Warrant and the 2008-909 certificate, [opgeëiste persoon] was not summoned in person but he was informed of the date and place of the trial, indeed he sent a lawyer to defend him at this trial. He knew that a trial concerning him was going to take place at this time.

2. Was [opgeëiste persoon] not summoned in person, but did he by other means receive information of the scheduled date and place of the trial which resulted in the decision?

He may have been informed of the judgment by his lawyer, but this decision is not definitive until he is officially informed about it.

3. Did [opgeëiste persoon] provide the French authorities with his address during the proceedings concerning the aforementioned criminal case?

NO, no address is mentioned in the judgment. The court did not have this information.

4. Did [opgeëiste persoon], during the proceedings in the concerning criminal case, receive instructions about the duty to inform the French authorities about address changes and about the consequences of not complying with this obligation ?

YES, this instruction is always given to the prosecuted person according to french criminal law, especially to defendants who make an appeal against a first instance judgment like [opgeëiste persoon].

5. If the answer to the previous question is yes: could you inform us when and in what manner [opgeëiste persoon] was served this instruction?

This case is quiet old and we do not have this information.

Today the Court of Amsterdam adjourned the hearing and requested that the Public Prosecution’s Office asks the following questions. These questions are in addition to the questions already posed on 18 August.

1 Did this address instruction apply to any appeal proceedings?

YES ; but the defendant can be found guilty and sentenced even if his present adress is unkown.

(…)”

Vervolgens heeft het IRC op 28 september 2026 opnieuw aanvullende vragen gesteld aan de Franse autoriteiten. Op 29 september 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit daarop het volgende geantwoord:

“ 1. In the EAW and in the answers below it is stated that [opgeëiste persoon] knew about the time and place and sent a mandated lawyer to defend him. But the EAW also states that the lawyer Me Adam “n’etait cependant pas muni d’un pouvoir de representation”. We are a bit confused because this seems to be a contradiction, could you clarify this point?

This means that a lawer (de rechtbank begrijpt dat wordt bedoeld: lawyer) was present during the trial at the Court of appeal to defend his client [opgeëiste persoon] and he pleaded his case. However, he had no written mandate from [opgeëiste persoon] and therefore could not represent him (maybe after an appeal had been made [opgeëiste persoon] did not contact his lawer anymore and left him without any instruction, but his lawer chose on his own to continue defending his case), that is why the judgment must be officially served on [opgeëiste persoon] even if he has been informed unofficially about this decision.

2. Do I understand correctly from your answer on question 4 that [opgeëiste persoon] filed for the appeal? Did he do it himself or did his lawyer file for an appeal? And if it was [opgeëiste persoon] who filed for the appeal, did the motion for appeal provide an address?

An appeal was made for [opgeëiste persoon] by his lawer and at this time the address provided was the professional address of this lawer (cf. the correction here below on point 4).

3. [opgeëiste persoon] himself informed us that he was surrendered to France in 2016 and his pretrial detention was suspended for a year, before he could leave for The Netherlands. Were there any conditions given that he should provide his address or make himself available to the French authorities?

I do not have this information but it is clear that [opgeëiste persoon] disappeared after the appeal and tried to flee from French Justice.

4. On the judgement of 26/3/2018 provided to us, there are some handwritten notes. It seems to say something about a rectification on 20/08/2018 and send to [opgeëiste persoon] who chose domicile at his lawyers office and something about “la Cour de cassation”. Could you please clarify what is written on the judgement?

Firstly, in the court of appeal’ s judgment, the judge forgot to mention the fact that [opgeëiste persoon] had chosen his lawer’s professional address for himself, so a formal correction was made after to mention it on the judgment. It is the first note, in French “Par arrêt n° 668/18 en date du 20/09/18 a été ordonné rectification de l’erreur matérielle en ce que l’adresse de [opgeëiste persoon] est “domicile élu chez Me Samuel ADAM, avocat, [adres 2]””.

(…).”

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De opgeëiste persoon was niet op de hoogte van het voorgenomen proces, zowel niet in eerste aanleg als in hoger beroep. Hij is in 2016 overgeleverd aan Frankrijk en was daar gedetineerd. Nadat hij in 2016 in vrijheid werd gesteld, is hij bereikbaar gebleven voor de Franse autoriteiten, maar heeft hij nooit meer iets gehoord van de zaak. Hij heeft de veroordeling nooit ontvangen. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie van 23 september 2026 dat de opgeëiste persoon niet is opgeroepen voor het proces in hoger beroep. Verder blijkt nergens uit dat aan hem een adresinstructie is verstrekt. Verder blijkt uit de aanvullende informatie van 29 september 2026 dat de Franse advocaat geen machtiging had om namens de opgeëiste persoon de verdediging te voeren. Op basis van het vorenstaande heeft de raadsvrouw geconcludeerd dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van het voorgenomen proces en dat hij geen advocaat gemachtigd had die namens hem de verdediging heeft gevoerd. Volgens haar is er geen grond om af te zien van de weigeringsbevoegdheid omdat niet vastgesteld kan worden dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt. De raadsvrouw heeft verzocht de overlevering te weigeren.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon wel op de hoogte was van het proces. De opgeëiste persoon is in 2016 overgeleverd aan Frankrijk en was daar gedetineerd. Hij moest zich een jaar lang melden in Frankrijk. Volgens de officier van justitie bestaat er dan ook geen andere mogelijkheid dan dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het proces. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon domicilie gekozen bij het kantoor van de Franse advocaat. Hieruit kan worden geconcludeerd dat de opgeëiste persoon de Franse advocaat wel kent. Primair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. Subsidiair heeft de officier van justitie verzocht om af te zien van de weigeringsgrond.

Oordeel van de rechtbank

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van de kamer van correctioneel beroep van het Gerechtshof van Nancy van 26 maart 2018 toetsen aan artikel 12 OLW.

De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. De opgeëiste persoon was niet aanwezig bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces, of dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB onder d) weliswaar aangekruist dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, maar daarbij ook vermeld dat deze advocaat, hoewel aanwezig op de zitting, niet in het bezit was van een schriftelijke machtiging. Dit wordt bevestigd in de verstrekte aanvullende informatie van 29 september 2026, waarin onder meer is vermeld dat de advocaat geen schriftelijke machtiging had en de opgeëiste persoon daarom niet kon vertegenwoordigen. De uitvaardigende autoriteit heeft daarnaast niet gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan.De rechtbank kan in dit geval de overlevering weigeren.

De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond en zal de overlevering weigeren.

De verstrekte informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 23 en 29 september 2026 is voor de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat de opgeëiste persoon ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten, omdat sprake is van onduidelijkheden over het ingestelde hoger beroep en de machtiging van de advocaat. Het is onduidelijk of de Franse advocaat door de opgeëiste persoon daadwerkelijk gemachtigd was om het hoger beroep in te stellen, nu die advocaat geen machtiging had om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen tijdens het proces in hoger beroep. Voorts zou volgens de aanvullende informatie van 23 september 2026 standaard een adresinstructie worden verstrekt aan een vervolgd persoon, maar kan vanwege de ouderdom van de zaak niet aangegeven worden wanneer en op welke wijze de adresinstructie is verstrekt aan de opgeëiste persoon. Hierdoor is het voor de rechtbank niet duidelijk of de opgeëiste persoon daadwerkelijk een adresinstructie heeft gekregen die ook ziet op een procedure in hoger beroep, laat staan dat duidelijk is geworden dat dit voor de opgeëiste persoon kenbaar was. Daarnaast is volgens de aanvullende informatie van 23 september 2026 niet bekend of de opgeëiste persoon in de strafprocedure een adres heeft doorgegeven. Vervolgens is in de aanvullende informatie van 29 september 2026 vermeld dat de opgeëiste persoon domicilie heeft gekozen op het adres van het kantoor van zijn Franse advocaat. Deze informatie lijkt tegenstrijdig met de eerder verstrekte informatie dat niet bekend is of de opgeëiste persoon een adres had doorgegeven.

De beslistermijn van 90 dagen verloopt in deze zaak op 24 oktober 2026. Hierdoor resteert geen termijn meer waarbinnen aanvullende vragen kunnen worden gesteld omtrent de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.

Nu de rechtbank niet kan vaststellen dat de opgeëiste persoon op ondubbelzinnige wijze afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten, weigert de rechtbank de overlevering.

5 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Daarom wordt de overlevering geweigerd.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 12 OLW.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur-Generaal van Nancy (Frankrijk) voor de feiten zoals die zijn omgeschreven in onderdeel e) van het EAB.

HEFT OP de (geschorste) overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon].

Deze uitspraak is gedaan door

mr. E.M. de Bie, voorzitter,

mrs. M.C.M. Hamer en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk en M.C. Nooij, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 22 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 32. Zie artikel 12, sub a tot en met c, OLW. Zie artikel 12, sub d, OLW.