Europees strafrecht
Overlevering aan Polen toegestaan. Uit de stukken blijkt niet dat opgeëiste persoon een duurzaam…
Rechtbank Amsterdam, 19 december 2019
ECLI:NL:RBAMS:2019:9982 · Rechtbank Amsterdam · 19 december 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2019-9982
Zaakgegevens
Op 19 december 2019 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 19 december 2019
- Datum publicatie
- 13 januari 2020
- Zaaknummer
- 13/706432-11
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2019:9982
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overlevering aan Polen toegestaan. Uit de stukken blijkt niet dat opgeëiste persoon een duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd. De rechtbank verwerpt het gelijkstellingsverweer.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/706432-11 (EAB I)
RK-nummer: 17/6448
Datum uitspraak: 19 december 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 28 september 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 april 2011 door the District Court of Lublin (Polen) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,
wonende op het [adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1 Procesgang
Zitting 26 juli 2018
De behandeling van de vordering is aangevangen op de openbare zitting van 26 juli 2018.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie,
mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat te Amsterdam, en een tolk in de Poolse taal.
Tegen de opgeëiste persoon zijn twee EAB’s uitgevaardigd. Zij hebben de parketnummers 13/706432-11 (EAB I; executie) en 13/737516-13 (EAB II; vervolging). De rechtbank heeft in beide zaken het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst teneinde zich te beraden over het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 25 juli 2018, omdat dit arrest relevant is voor de afdoening van het EAB met het parketnummer 13/737516-13 (vervolging) en teneinde het EAB met het parketnummer 13/706432-11 (executie) gelijk af te doen met het vervolgings-EAB.
Zitting 2 april 2019
Op 2 april 2019 heeft de rechtbank de behandeling van het EAB voortgezet in de stand waarin het onderzoek zich ten tijde van de schorsing bevond. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw en een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft opnieuw in beide zaken het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde opnieuw vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten met betrekking tot de Poolse rechtstaat. De rechtbank acht beantwoording van die vragen relevant voor de afdoening van het EAB met het parketnummer 13/737516-13 (vervolging) en teneinde onderhavig EAB gelijk af te doen met het vervolgings-EAB.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen en vervolgens voor onbepaalde tijd verlengd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat de rechtbank er niet in slaagt binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen.
Zitting 5 december 2019
Op de openbare zitting van 5 december 2019 is de behandeling van de zaak voortgezet, in de stand waarin het onderzoek zich ten tijde van de schorsing bevond. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw en een tolk in de Poolse taal.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the Provincial Court of Wlodawa van 5 juli 2007, in rechte vaststaand op 8 april 2008, met referentie: II K 237/07.
In het EAB staat niet vermeld of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling van zijn zaak. Bij brief van 18 december 2017 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit aanvullende informatie verstrekt, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon en zijn advocaat aanwezig zijn geweest op de terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 8 maanden. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1 jaar en 19 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4 Artikel 6 OLW
Standpunten ter zitting
Door de raadsvrouw is betoogd dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. De raadsvrouw heeft gesteld dat de opgeëiste persoon meer dan 5 jaar onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Door de raadsvrouw zijn op de zitting van 26 juli 2018 een aantal stukken ter onderbouwing overgelegd, waaronder jaaropgaven voor de jaren 2011, 2013, 2014 en 2015.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de eis van onafgebroken rechtmatig verblijf gedurende de laatste vijf jaar.
Oordeel van de rechtbank
Artikel 6, tweede lid, OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf. Artikel 6, vijfde lid, OLW verklaart artikel 6, tweede lid, OLW van overeenkomstige toepassing op een vreemdeling, mits aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:
-
de opgeëiste persoon heeft een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd;
-
de opgeëiste persoon kan in Nederland worden vervolgd voor de feiten die aan het EAB ten grondslag liggen en;
-
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank wordt een duurzaam verblijfsrecht als Unieburger met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gelijkgesteld. De rechtbank is van oordeel dat uit de door raadsvrouw overgelegde stukken niet volgt dat de opgeëiste persoon de afgelopen vijf jaar een onafgebroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Gelet hierop is niet aangetoond dat hij een duurzaam verblijfsrecht als EU-onderdaan heeft opgebouwd. Aan voorwaarde 1 is aldus niet voldaan. De rechtbank verwerpt het gelijkstellingsverweer.
5 Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
ten aanzien van feit 1:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
ten aanzien van feit 2:
mensensmokkel, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen.
6 Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
7 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 140 en 197a Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 Overleveringswet.
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Lublin (Polen).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. D.C. van Reekum en N.M. van Waterschoot rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Drent, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 19 december 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.