Europees strafrecht
Overlevering. EAB Polen t.b.v. de tenuitvoerlegging van een in Polen opgelegde straf uit 2015. Verweer m.b.t…
Rechtbank Amsterdam, 6 april 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:1833 · Rechtbank Amsterdam · 6 april 2022
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2022-1833
Zaakgegevens
Op 6 april 2022 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 april 2022
- Datum publicatie
- 6 april 2022
- Zaaknummer
- 13/752024-20 (EAB I)
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2022:1833
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overlevering. EAB Polen t.b.v. de tenuitvoerlegging van een in Polen opgelegde straf uit 2015. Verweer m.b.t. detentieomstandigheden verworpen. Overlevering toegestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752024-20 (EAB I)
RK nummer: 21/3630
Datum uitspraak: 6 april 2022
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 30 juni 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juli 2020 door the Regional Court of Przemysl, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Polen) [geboortedag] 1984,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1 Procesgang
Zitting 24 augustus 2021
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 24 augustus 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.W.M. Soekhai, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Op 24 augustus 2021 is het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst voor beraad van de rechtbank, gelet op prejudiciële vragen van The Supreme Court in Ierland aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie).
Tussenuitspraak 14 september 2021
Bij tussenuitspraak van 14 september 2021 is het onderzoek geschorst voor onbepaalde tijd, in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie naar aanleiding van de prejudiciële vragen die door deze rechtbank zijn gesteld in de zaak van EAB III, met parketnummer: 13/752022-20 (in totaal zijn zes EAB’s jegens de opgeëiste persoon aanhangig bij de rechtbank). Op grond van artikel 22, vierde lid, OLW is de beslistermijn met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Verlenging beslistermijn in raadkamer
De raadkamer van de rechtbank heeft hierna op 12 november 2021 en op 12 januari 2022 de beslistermijn telkens met 60 dagen verlengd, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen.
Uitspraak Hof van Justitie 22 februari 2022
Op 22 februari 2022 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in het hiervoor genoemde verzoek om een prejudiciële beslissing (gevoegde zaken C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100).
Zitting 16 maart 2022
De behandeling van de zaak is op 16 maart 2022 voortgezet in de stand waarin het onderzoek zich bevond ten tijde van de schorsing op 14 september 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is wederom bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P.W.M. Soekhai en door een tolk in de Poolse taal. Op grond van artikel 22, vierde lid, OLW is nogmaals de beslistermijn verlengd met 60 dagen, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 60 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot dit EAB (I) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Met instemming van partijen is het onderzoek (enkelvoudig) gesloten ter zitting van 23 maart 2022, waarbij uitspraak is bepaald op heden.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis van the District Court of Jaroslaw van 18 mei 2015, met kenmerk: II K 326/15.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 10 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, maar dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12 onder c, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing. Het EAB vermeldt in onderdeel D immers als volgt:
the person was served with the decision on 25 May 2015 (day/month/year) and was expressly informed about the right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be reexamined, and which may lead to the original decision being reversed.
(…)
On 25 May 2015 [opgeëiste persoon] collected in person, served on him by a postal operator the judgment of the District Court of Jaroslaw dated 18 May 2015, file reference number: II K 326/15, together with instructions regarding his rights, a time term and a manner of filing an appeal, which he acknowledged by his own signature. The convicted person failed to lodge a motion for drawing up and serving on him the grounds for the judgment, neither did he contest the issued decision.
4 Strafbaarheid
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van een deel van de feiten (zie hierna onder 4.2) waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dit deel van de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen op deze lijst onder nummer 8, te weten:
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het andere deel van de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Uit onderdeel E.2. van het EAB volgt dat het hierbij gaat om de feiten die zien op forgery of documents (artikel 270 Poolse wetboek van strafrecht), obtaining a credit under false pretences (artikel 297 Poolse wetboek van strafrecht) en theft of an identity document (artikel 275 Poolse wetboek van strafrecht). Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Voor zover de feiten zien op onderdeel E.2. van het EAB, leveren ze naar Nederlands recht op:
valsheid in geschrift
oplichting
diefstal.
5 Artikel 11, detentieomstandigheden
De opgeëiste persoon heeft ter zitting van 16 maart 2022 opgemerkt dat hij voor zijn leven vreest nu hij in Polen gedetineerd zal worden in een detentie-instelling in de grensregio met Oekraïne. Bij de grens met Oekraïne zijn vanwege de oorlog al eerder raketten ingeslagen.
De rechtbank begrijpt het standpunt van de opgeëiste persoon als een beroep op artikel 11 OLW. De rechtbank beschikt echter niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens dat gedetineerden in detentie-instellingen in Polen die nabij de grens met Oekraïne liggen, onvoldoende bescherming krijgen van de Poolse autoriteiten tegen grensoverschrijdende gevolgen van de oorlogshandelingen in Oekraïne, waardoor zij een reëel gevaar van een schending van artikel 4 Handvest door de uitvaardigende lidstaat lopen.
Een en ander laat onverlet dat eventuele negatieve gevolgen van de oorlogssituatie voor de veiligheid van gedetineerden in detentie-instellingen in de grensregio met Oekraïne bij de feitelijke overlevering op grond van artikel 35, derde lid, OLW een rol kunnen gaan spelen. De beslissing om de feitelijke overlevering uit te stellen is in de OLW niet bij de rechtbank neergelegd.
Voor zover de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een detentie-instelling in de grensregio met Oekraïne, merkt de rechtbank op dat zij er op vertrouwt dat eventuele gevolgen van de oorlog in Oekraïne voor de detentieomstandigheden in Polen, nauwlettend bekeken zullen worden door de officier van justitie, alvorens de feitelijke overlevering plaatsvindt.
6 Slotsom
Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW, er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan en er geen sprake is van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven, dient de overlevering te worden toegestaan.
7 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 225, 310 en 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court of Przemysl, (Polen), voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Aldus gedaan door
mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,
mrs. J.P.W. Helmonds en C. Klomp, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 6 april 2022.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.