Europees strafrecht

overlevering geweigerd op basis van artikel 12 OLW en strafovername op grond van artikel 6a OLW.

Rechtbank Amsterdam, 23 februari 2023

Zaakgegevens

Op 23 februari 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
23 februari 2023
Datum publicatie
28 februari 2023
Zaaknummer
13/751005-22
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:1097
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

overlevering geweigerd op basis van artikel 12 OLW en strafovername op grond van artikel 6a OLW.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751005-22

RK nummer: 22/125

Datum uitspraak: 23 februari 2023

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie

bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 10 januari 2022 en betreft onder meer het in

behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 november 2021 door de Circuit Court in Katowice, V Penal

Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 8 december 2022

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 8 december 2022. Het verhoor heeft

plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. C.L.E. McGivern.

De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M.A.C. de Bruijn, advocaat in

Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de termijn van 90 dagen waarbinnen de rechtbank

ex artikel 22 OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, reeds is verstreken. Dat betekent dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat als gevolg daarvan geen grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

Tussenuitspraak 22 december 2022

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 22 december 2022 het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen stukken voor een eventuele gelijkstelling aan de rechtbank te doen toekomen.

Zitting 9 februari 2023

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 9 februari 2023, in tegenwoordigheid van de officier van justitie, mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T.E. Korff, advocaat in Amsterdam een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Tussenuitspraak van 22 december 2022

De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 22 december 2022 waarin zij de grondslag en inhoud van het EAB en de strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW voor wat betreft het samengestelde vonnis II K 884/18. De overwegingen van de rechtbank met betrekking tot deze onderwerpen (rechtsoverwegingen 3 en 4) dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De raadsvrouw heeft betoogd dat de opgeëiste persoon kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Hij heeft een ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland van vijf jaar. In de afgelopen vijf jaar heeft hij een BRP-adres en voldoende bestaansmiddelen gehad. Daarnaast beschikt hij ook over een zorgverzekering in Nederland.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijk gesteld met een Nederlander. Vanaf het moment dat de opgeëiste persoon in de Ziektewet terecht kwam dan wel een WIA-uitkering ontving, kan hij niet langer als economisch actief worden aangemerkt. Hiernaast is niet komen vast te staan dat er gedurende vijf jaar sprake was van een duurzame relatie met een partner. De opgeëiste persoon voldoet daarom niet aan de minimale inkomenseis. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de overlevering toe te staan.

Oordeel van de rechtbank

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan ingevolge artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd indien deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

De eerste voorwaarde

Uit de stukken, waaronder een SKDB-informatiestaat van 3 januari 2022, blijkt dat de opgeëiste persoon gedurende vijf jaren onafgebroken in Nederland heeft verbleven.

De opgeëiste persoon kreeg vanaf 2018 een duurzaam verblijfsrecht op basis van artikel 17 van de Verblijfsrichtlijn, in verband met zijn volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid vanaf dat moment. Uit de door de raadsvrouw overgelegde stukken blijkt verder dat de opgeëiste persoon steeds op hetzelfde adres stond ingeschreven als zijn partner. Zowel hij als zijn partner werden op dat adres door verschillende officiële instanties aangeschreven. De rechtbank leidt onder meer uit deze informatie af dat er sprake is van een duurzame relatie. De inkomensgegevens van de opgeëiste persoon en zijn partner zijn ruimschoots voldoende om aan het normbedrag voor economisch niet actieve Unieburgers te voldoen.. Tot slot is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon gedurende de gehele periode over een Nederlandse zorgverzekering heeft beschikt.

De rechtbank concludeert dat aan de eerste voorwaarde is voldaan.

De tweede voorwaarde

De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

Uit de brief van de IND van 31 januari 2023 blijkt dat de veroordeling voor deze feiten er naar verwachting niet toe zal leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. Ook aan de tweede voorwaarde is dus voldaan.

Overname tenuitvoerlegging vrijheidsstraffen

De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf, opgelegd bij het vonnis met kenmerk II K 184/04 kan worden overgenomen.

De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.

Uit de onder 4 van de tussenuitspraak van 22 december 2022 weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet de toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaxima overstijgt. De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Zij is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In het onderhavige geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.

De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

5 Slotsom

Nu ten aanzien van het samengestelde vonnis II K 884/18 is vastgesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW zich voordoet en de rechtbank geen aanleiding ziet om hiervan af te zien, wordt de overlevering voor dit vonnis geweigerd.

Nu ten aanzien van vonnis II K 184/04 is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is en de rechtbank geen aanleiding ziet om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond, wordt ook voor dit vonnis de overlevering geweigerd.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5, 6a, 7 en 12 Overleveringswet.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] ten aanzien van vonnis II K 884/18 op grond van artikel 12 OLW;

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] ten aanzien van vonnis II K 184/04 op grond van artikel 6a OLW;

BEVEELT de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf van 364 dagen, opgelegd bij vonnis II K 184/04 in Nederland;

BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. A.J.R.M. Vermolen en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.J.G. van der Want griffier.

en uitgesproken ter openbare zitting van 23 februari 2023.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.