Europees strafrecht

Pools VV-EAB. Referte. Toestaan. Overwegingen t.a.v. artikel 11 OLW, Poolse rechtsorde.

Rechtbank Amsterdam, 23 maart 2023

Zaakgegevens

Op 23 maart 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
23 maart 2023
Datum publicatie
24 maart 2023
Zaaknummer
13/305244-22
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:1718
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Pools VV-EAB. Referte. Toestaan. Overwegingen t.a.v. artikel 11 OLW, Poolse rechtsorde.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/305244-22

RK nummer: 22/4904

Datum uitspraak: 23 maart 2023

UITSPRAAK

op de vordering van de officier van justitie van 24 november 2022 bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Dit EAB is uitgevaardigd op
2 juni 2022 door the Circuit Court in Gliwice (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres opgeëiste persoon] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De op 23 februari 2023 geplande behandeling van het EAB is op voorhand voor bepaalde tijd aangehouden omdat de opgeëiste persoon op dat moment besmet bleek te zijn met het coronavirus.

De behandeling van het EAB heeft vervolgens plaatsgevonden op de zitting van 9 maart 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hof, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Referte

De raadsvrouw heeft aangegeven dat zij zich zal refereren aan het oordeel van de rechtbank.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een enforceable decision on provisional arrest of the Katowice-Wschód District Court in Katowice van 9 september 2020 met referentie III Kp 466/20 (PK IX WZ Ds 59.2018 – case of the National Prosecutor’s Office – Silesian Branch Division of the Department for Organised Crime and Corruption.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.

5 Strafbaarheid

5.1

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de in onderdeel e) van het EAB genoemde strafbare feiten I, II, IV en VII aan als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen op deze lijst onder de nummers 1, 5 en 23, te weten (respectievelijk):

t.a.v. feit I

deelneming aan een criminele organisatie

t.a.v. feit II en IV

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

t.a.v. feit VII

vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten; vervalsing van betaalmiddelen

Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de bovengenoemde feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de in onderdeel e) van het EAB genoemde feiten III, V, VI en VIII niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, wanneer – kort gezegd – voldaan is aan het vereiste dat op de feiten naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld en dat de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

t.a.v. feit III

medeplegen van poging doodslag / medeplegen van poging tot zware mishandeling

t.a.v. feit V en VIII

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

t.a.v. feit VI

medeplegen van mishandeling, meermalen gepleegd

6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47, 141, 287, 300, 302 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Gliwice (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.F. Ceelie, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 23 maart 2023.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22 OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1793, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).