Europees strafrecht
EAB Italie, executie, weigering van de overlevering ex artikel 12 OLW.
Rechtbank Amsterdam, 11 mei 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:4385 · Rechtbank Amsterdam · 11 mei 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2023-4385
Zaakgegevens
Op 11 mei 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 11 mei 2023
- Datum publicatie
- 12 juli 2023
- Zaaknummer
- 13/042720-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:4385
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
EAB Italie, executie, weigering van de overlevering ex artikel 12 OLW.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/042720-23 (EAB I)
Datum uitspraak: 11 mei 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 28 februari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 april 2018 door the Office of the Public Prosecutor in Rome (Italië) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in onbekend (Roemenië) op [geboortedag] 1960,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 9 mei 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. T. Mustafazade, advocaat te Amsterdam die waarneemt voor mr. M.A.C. de Vilder-van Overmeire, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een judgment by the Preliminary Investigations Judge at the Court of Rome issued on 5/5/2011, final on 17/10/2017 (no. 1055).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van vijf jaren, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon van die straf al 1 jaar, 1 maand en 1 dag in voorlopige hechtenis heeft uitgezeten. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis opgelegd.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
De officier van justitie heeft naar aanleiding van het EAB vragen doen stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Onder meer is, nu de tijd tussen het vonnis (5 mei 2011) en het onherroepelijk worden van dit vonnis (17 oktober 2017) meerdere jaren beslaat, gevraagd of er hoger beroep is ingesteld. Ook zijn nadere vragen gesteld over de aard van de eventuele beroepsprocedure. Tot slot is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd onderdeel D van het EAB in te vullen met betrekking tot de instantie die heeft beslist over (kort samengevat) schuld en straf van de opgeëiste persoon. Bij brief van 3 mei 2023 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit geantwoord in de Italiaanse taal. Uit dit bericht blijkt dat inderdaad een procedure in hoger beroep heeft plaats gevonden en dat het Corte di Appello in Rome op 9 juni 2017 arrest gewezen heeft over het feit (n.4872/2017). De vraag door welke instantie definitief uitspraak is gedaan over de schuld of straf is niet beantwoord en evenmin is onderdeel D van het EAB alsnog naar behoren ingevuld. De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangegeven dat nadere vragen zijn uitgezet en heeft gewezen op een e-mailbericht dat zij eerst op de ochtend van de zitting heeft ontvangen waarin staat dat er een gemachtigde advocaat aanwezig is geweest bij de procedure in hoger beroep. Daarnaast wordt er in die e-mail vermeld dat in de procedure in hoger beroep definitief uitspraak is gedaan over de schuld en straf. Het betreft echter niet een officiële mededeling van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden in afwachting van deze nadere, vertaalde informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat er zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vonnis respectievelijk arrest is gewezen over het feit zoals vermeld in het EAB. Er heeft een procedure in eerste aanleg plaatsgevonden waarbij het Court of Rome op 5 mei 2011 vonnis heeft gewezen. Daarnaast heeft er een procedure plaatsgevonden bij het Corte di Appello di Roma, die geleid heeft tot het arrest van 9 juni 2017, waarna dit arrest op 17 oktober 2017 definitief werd.
Ondanks (herhaalde) vragen van de officier van justitie, is onduidelijk gebleven welke instantie definitief geoordeeld heeft over de schuld van de opgeëiste persoon en de aan hem op te leggen straf, nadat de zaak in feite en in rechte ten gronde is behandeld. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft onderdeel D van het EAB niet ingevuld, noch met betrekking tot de procedure in eerste aanleg, noch met betrekking tot het hoger beroep.Dit betekent dat de rechtbank ten aanzien van het vonnis in eerste aanleg, noch het arrest in hoger beroep kan vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, alsmede of zich één van de omstandigheden als bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW heeft voorgedaan (indien aan de orde). Dit leidt er in het onderhavige geval toe dat de overlevering kan worden geweigerd. De rechtbank ziet daarom evenmin aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat de rechtbank op basis van de voorhanden zijnde informatie niet kan vaststellen dat overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt. De enkele mededeling van de officier dat zij vernomen heeft dat er een gemachtigd advocaat aanwezig zou zijn geweest bij de procedure in hoger beroep maakt dat niet anders. De opgeëiste persoon blijkt overigens niet in staat iets inhoudelijks te zeggen over zijn eventuele aanwezigheid bij de procedures.
De rechtbank ziet geen aanleiding in het kader van de beoordeling van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW nadere informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten, dan wel zelf nog nadere informatie op te vragen over de aanwezigheid van de opgeëiste persoon bij beide procedures en over de vraag of een van de omstandigheden van artikel 12, onder a tot en met c, OLW zich heeft voorgedaan. Het EAB is op 24 februari 2023 door de officier van justitie ontvangen, zodat er ruim de tijd is geweest duidelijkheid te verkrijgen over genoemde vragen. Bovendien zijn de vragen ook gesteld (al is niet aangegeven op welke datum) en de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de gelegenheid gekregen alsnog nadere informatie over onderdeel D te verschaffen. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het alsnog stellen van dezelfde vragen, te meer nu de beslistermijn op dusdanig korte termijn verstrijkt dat niet verwacht kan worden dat de (vertaalde) antwoorden op de vragen tijdig ontvangen zullen worden.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.
4 Slotsom
Nu is vastgesteld dat zich de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW voordoet en de rechtbank geen aanleiding ziet om hiervan af te zien, dient de overlevering te worden geweigerd.
5 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 van de Overleveringswet.
6 Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Office of the Public Prosecutor in Rome (Italië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en B. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 mei 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.