Europees strafrecht
Pools EAB ter tenuitvoerlegging vonnis - verzoek tot aanhouding in verband met de onderbouwing van een…
Rechtbank Amsterdam, 28 maart 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:5326 · Rechtbank Amsterdam · 28 maart 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2023-5326
Zaakgegevens
Op 28 maart 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 maart 2023
- Datum publicatie
- 18 augustus 2023
- Zaaknummer
- 13/019097-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:5326
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Pools EAB ter tenuitvoerlegging vonnis - verzoek tot aanhouding in verband met de onderbouwing van een verzoek tot gelijkstelling wordt afgewezen - artikel 11 OLW - overlevering toegestaan
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/019097-23
RK nummer: 23/234
Datum uitspraak: 28 maart 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 20 januari 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 augustus 2022 door de District Court in Krakow,
Third Criminal Division (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres opgeëiste persoon]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 14 maart 2023. Het openbaar ministerie heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Broere, advocaat in Roosendaal. De opgeëiste persoon kon in verband met vertraging van het openbaar vervoer niet op tijd ter zitting aanwezig zijn. Zijn gemachtigd raadsman heeft daarom namens hem het woord gevoerd. Kort na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de opgeëiste persoon in persoon excuses gemaakt aan de rechtbank en de officier van justitie voor zijn afwezigheid.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een Judgement issued at Regional Court in Chrzanów Second Criminal Division on 16 Apr. 2021, upheld by a judgement issued at District Court in Krakow, Forth Division of Criminal Appeals on 8 December 2021, which made the judgement of the trial court final. Reference: II K 447/18 (IV KA 169/21).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de processen die tot de beslissingen met kenmerk II K 447/18 en IV KA 169/21 hebben geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 2 jaar en 8 maanden en
25 dagen.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis/arrest.
De beslissingen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4 Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
Poging tot doodslag
en
poging tot zware mishandeling
en
wederspannigheid, meermalen gepleegd
en
diefstal
en
opzettelijk niet voldoen aan een bevel, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast
en
overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994
en
overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994
5. Verzoek tot aanhouding in verband met de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de verdediging in de gelegenheid te stellen om het verzoek tot gelijkstelling van de opgeëiste persoon met een Nederlander in de zin van artikel 6a OLW nader met stukken te onderbouwen. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.
De opgeëiste persoon woont hier sinds zijn vierde jaar, staat sinds 2004 onafgebroken in Nederland ingeschreven, hij is hier geworteld en spreekt vloeiend Nederlands..
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen aanhouding van de behandeling van de zaak aangezien de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht in Nederland is kwijtgeraakt door zijn detentie in Polen in 2017 en 2018. Aangezien vanaf het einde van de detentie in 2018 weer opnieuw moet worden begonnen met het opbouwen van een voortdurend en rechtmatig verblijf in Nederland, kan de opgeëiste persoon op dit moment niet worden gelijkgesteld met een Nederlander. Eventueel over te leggen documenten doen daaraan niet af.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Voorwaarde 1
De rechtbank stelt allereerst vast dat de opgeëiste persoon blijkens de stukken voor deze zaak van 14 augustus 2017 tot en met 10 januari 2018 gedurende 149 dagen gedetineerd heeft gezeten in Polen. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon ook van 24 februari 2018 tot en met 4 januari 2019 gedurende 314 dagen in Polen gedetineerd heeft gezeten. Het gaat hierbij dus steeds om een periode van langer dan zes maanden.
De opgeëiste persoon heeft niet onderbouwd dat hij tussen 2004 en zijn detentie in augustus 2017 al een duurzaam verblijfsrecht heeft opgebouwd. De rechtbank zal daarom de vijf jaren voorafgaand aan de uitspraak beoordelen, te weten de periode van 28 maart 2018 tot en met 27 maart 2023. In die periode van vijf jaar mag hij in beginsel ieder jaar zes maanden niet in Nederland verblijven mits hij in de overige zes maanden genoeg verdient om aan te nemen dat hij reële en daadwerkelijke arbeid heeft verricht of anderzijds rechtmatig hier verbleef.
In het eerste jaar van toetsing, te weten van 28 maart 2018 tot en met 27 maart 2019, is de opgeëiste persoon gedurende negen maanden en 8 dagen gedetineerd geweest in Polen.
In die periode heeft hij niet in Nederland verbleven.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de opgeëiste persoon niet voldoet aan het eerste vereiste, omdat hij niet gedurende een periode van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de verdediging verzocht, de behandeling van de zaak aan te houden om de OP in de gelegenheid te stellen om zijn ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland te onderbouwen. Blijkens artikel 6a, negende lid, OLW dienen eventuele bewijsstukken immers tijdig voorafgaand aan het verhoor door de rechtbank te worden overlegd. Dat is niet gebeurd.
6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 45, 280, 284, 287, 302 en 310 Wetboek van Strafrecht, de artikelen 8 en 176 Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de District Court in Krakow, Third Criminal Division (Polen) voor de feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.M.L.A.T. Doll, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 maart 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.