Europees strafrecht
Executie-EAB / Polen / Tussenuitspraak gewezen in 2020 / Partiële weigering o.g.v. art. 12 OLW.
Rechtbank Amsterdam, 14 november 2023
ECLI:NL:RBAMS:2023:7226 · Rechtbank Amsterdam · 14 november 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2023-7226
Zaakgegevens
Op 14 november 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 14 november 2023
- Datum publicatie
- 15 november 2023
- Zaaknummer
- 13.180148-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:7226
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executie-EAB / Polen / Tussenuitspraak gewezen in 2020 / Partiële weigering o.g.v. art. 12 OLW.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.180148-23 (oud: 13/751427-19)
Datum uitspraak: 14 november 2023
UITSPRAAK
op de vordering van 16 mei 2019 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 januari 2019 door de Sad Okregowy (Circuit Court) in Nowy Sacz (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
Zitting 31 oktober 2019
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 31 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in de tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. T. Kocabas, advocaat in Zoetermeer, is niet verschenen.
De rechtbank heeft het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst, omdat de raadsman van de opgeëiste persoon niet tijdig op de zitting was verschenen en de zittingsplanning het niet toeliet om te wachten tot de raadsman alsnog zou verschijnen.
Zitting 28 februari 2020
Met instemming van partijen is het onderzoek voortgezet in de stand waarin het zich ten tijde van de schorsing van het onderzoek bevond. Gehoord zijn de officier van justitie mr. J.M.M. Asbroek, de opgeëiste persoon en zijn raadsman. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid OLW, uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, (oud) OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij deze verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Tussenuitspraak van 13 maart 2020
Bij tussenuitspraak van 13 maart 2020 heeft de rechtbank ten aanzien van verzamelvonnis 1 geoordeeld dat de overlevering voor slechts vijf van de aan dit verzamelvonnis ten grondslag liggende vonnissen kan worden toegestaan. Dit heeft tot gevolg dat de straf die in het verzamelvonnis aan de opgeëiste persoon is opgelegd zal moeten worden aangepast nadat hij aan de Poolse autoriteiten is overgeleverd. De Poolse rechter heeft bij de vaststelling van de nieuwe strafmaat een beoordelingsmarge. De rechtbank dient daarom te beoordelen of sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en als gevolg daarvan dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern zal worden aangetast. De rechtbank heeft het onderzoek daarom heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om feiten en omstandigheden aan te voeren die zien op zijn persoonlijke situatie en die duiden op een reëel gevaar dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast.
Zitting 31 oktober 2023
Met instemming van de officier van justitie, mr. W.H.R. Hogewind, is de behandeling van het EAB is in gewijzigde samenstelling hervat in de stand van het onderzoek van de vorige zitting. Gehoord is de officier van justitie. De opgeëiste persoon is - hoewel correct opgeroepen - niet verschenen ter zitting. De raadsman, mr. T. Kocabas, is ter zitting verschenen, maar is niet gemachtigd de opgeëiste persoon ter zitting te vertegenwoordigen.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3 Tussenuitspraak van 13 maart 2020
De rechtbank verwijst naar haar tussenuitspraak van 13 maart 2020 waarin zij (onder 3.) de grondslag en de inhoud van het EAB, (onder 4.) de weigeringsgrond van artikel 12 OLW en (onder 5.) de dubbele strafbaarheid van de feiten heeft beoordeeld. Deze overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd.
4 De Poolse rechtsstaat (artikel 11 OLW)
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
De rechtbank heeft het onderzoek bij tussenuitspraak van 13 maart 2020 heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen om feiten en omstandigheden aan te voeren die zien op zijn persoonlijke situatie en die duiden op een reëel gevaar dat zijn grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast. Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad of zullen hebben op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
5 Slotsom
Ten aanzien van de feiten die horen bij de vonnissen b, d, e, f, en g die ten grondslag liggen aan verzamelvonnis I (II K 345/15) is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Nu ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan. Voor wat betreft de feiten die horen bij de vonnissen a, c en h die ten grondslag liggen aan verzamelvonnis I (II K 345/15) en de feiten die ten grondslag liggen aan verzamelvonnis II (II K 215/17), wordt de overlevering op grond van artikel 12 OLW geweigerd.
De rechtbank kan niet beoordelen welk gedeelte van de vrijheidsstraf is opgelegd voor de feiten waarvoor de overlevering moet worden toegestaan. Dit staat ter beoordeling van de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat, die gehouden zijn om, na de feitelijke overlevering, de tenuitvoerlegging van de straf tot het hiervoor bedoelde gedeelte te beperken.
6 Toepasselijke wetsbepalingen
-
De artikelen 45, 287, 302, 311 en 326 Wetboek van Strafrecht;
-
de artikelen 5, 8 en 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
artikel 98 Wetboek van Militair Strafrecht; en
-
de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.
7 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Sad Okregowy (Circuit Court) in Nowy Sacz (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd ten aanzien van de feiten die horen bij de vonnissen b, d, e, f, en g die ten grondslag liggen aan verzamelvonnis I (II K 345/15).
WEIGERT de overlevering voor zover het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat is opgelegd voor de feiten die horen bij de vonnissen a, c en h die ten grondslag liggen aan verzamelvonnis I (II K 345/15) en de feiten die ten grondslag liggen aan verzamelvonnis II (II K 215/17).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,
mrs. W.M.C. van den Berg en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 november 2023.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.