Europees strafrecht

Executie-EAB / Polen / artikel 12 OLW / Overlevering toegestaan.

Rechtbank Amsterdam, 14 november 2023

Zaakgegevens

Op 14 november 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
14 november 2023
Datum publicatie
15 november 2023
Zaaknummer
13.227016-23
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:7227
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB / Polen / artikel 12 OLW / Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.227016-23

Datum uitspraak: 14 november 2023

UITSPRAAK

op de vordering van 8 september 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 13 juli 2023 door the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1992,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieadres]

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 oktober 2023, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. PH.W. Spoelstra, advocaat in Gouda en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Local Court in Bialogard van 25 september 2018 met kenmerk: II K 97/18. In dit vonnis is een vrijheidsbeperkende straf opgelegd.

Het EAB vermeldt tevens onder f) een vonnis van the Local Court in Bialogard van 15 juli 2022, kenmerk: II Ko 817/22. In dit vonnis is de voornoemde opgelegde vrijheidsbeperkende straf omgezet in een vervangende gevangenisstraf voor de duur van 262 dagen, omdat de opgeëiste persoon zich niet hield aan de voorwaarden van de vrijheidsbeperkende straf.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 262 dagen, door de opgeëiste persoon nog geheel te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het vonnis van the Local Court in Bialogard van 15 juli 2022, kenmerk: II Ko 817/22.

Voornoemde vonnissen betreffen het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de raadsman

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. De opgeëiste persoon kent het vonnis van 25 september 2018 niet en is – anders dan het EAB stelt – niet op de zitting aanwezig geweest die tot dit vonnis heeft geleid. Ten tijde van de zitting was de opgeëiste persoon gedetineerd in Polen.

Oordeel van de rechtbank

In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting die tot het vonnis van 25 september 2018 heeft geleid. Met de enkele stelling van de opgeëiste persoon dat hij ten tijde van de zitting gedetineerd was, heeft hij niet aangetoond dat hij niet op die zitting aanwezig was. De rechtbank gaat dan ook, op grond van het vertrouwensbeginsel, uit van de informatie in het EAB en verwerpt dit verweer.

Artikel 12 OLW ziet niet op beslissingen tot omzetting van een vrijheidsbeperkende straf in een vrijheidsstraf, tenzij die beslissing ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf wordt gewijzigd en de rechter die deze beslissing heeft gegeven op dit punt over een zekere beoordelingsbevoegdheid beschikte.

Het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) heeft bij mailbericht van 20 september 2023 het volgende aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd:

“Could you please inform us whether the Local Court in Bialogard on 15 July 2022 was able to adjust the penalty implied by the Local Court in Bialogard of 25 September 2018? Or was this change of penalty a pure conversion (no margin of assessment)?

If the Local Court in Bialogard on 15 July 2022 was able to adjust the penalty of 25 September 2018, please fill in the attached section D.”

In de aanvullende informatie van 25 september 2023 van de uitvaardigende justitiële autoriteit is daarop het volgende geantwoord:

“The court, on 15 July 2022, when issuing the decision on the replacement of the penalty of restriction of liberty with a substitute penalty of 262 days of imprisonment, was not able to correct the penalty imposed on the convict by the judgement of 25 September 2018.”

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft ten aanzien van het vonnis van 15 juli 2022 het formulier met onderdeel d) niet ingevuld.

Mede gelet op hetgeen zij daarover ambtshalve weet, is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat bij het vonnis van 15 juli 2022 geen sprake was van een beoordelingsmarge ten aanzien van de aard of mate van de vrijheidsbenemende straf, zodat deze procedure niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt.

5 Onschuldverweer

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft betoogd dat ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan het feit waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd, omdat hij op de in het EAB vermelde pleegdatum in Polen gedetineerd zat.

Oordeel van de rechtbank

Voor zover de raadsman heeft bedoeld een onschuldverweer te voeren, is de rechtbank - met de officier van justitie - van oordeel dat de onschuld van de opgeëiste persoon niet ter zitting is aangetoond. Reeds om die reden verwerpt de rechtbank het verweer.

6 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in verbinding met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

Diefstal

7 De Poolse rechtsstaat (artikel 11 OLW)

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

8 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

Het artikel 310 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.E.M. James-Pater, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en L. Sanders, rechters,

in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 november 2023.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:62017CJ0571)(Ardic), punt 77 en o.a. Rb. Amsterdam 11 januari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:153. Zie bijv. Rb. Amsterdam 18 oktober 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:6533. Vgl. Rb. Amsterdam 21 maart 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1405 Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).