Europees strafrecht

Het arrest LU en PH dient niet te worden geïnterpreteerd als een herroeping van het Ardic-arrest, maar als…

Rechtbank Amsterdam, 11 juli 2023

Zaakgegevens

Op 11 juli 2023 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
11 juli 2023
Datum publicatie
21 november 2023
Zaaknummer
13.121839-23
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2023:7342
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Het arrest LU en PH dient niet te worden geïnterpreteerd als een herroeping van het Ardic-arrest, maar als bevestiging voor zover het de beslissing tot herroeping van een voorwaardelijke straf betreft en aanvulling voor zover het de veroordeling voor een triggerend feit bij verstek betreft.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/121839-23

Datum uitspraak: 11 juli 2023

UITSPRAAK

op de vordering van 25 mei 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 8 november 2022 door the circuit court of Zielona Góra (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [penitenti] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 juni 2023, in aanwezigheid van mr. C.L.E. McGivern, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.D.D. Loeffen, advocaat te Sittard en door een tolk in de Poolse taal.

2 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, nu deze niet binnen de geldende termijn van drie dagen na ontvangst van het EAB is ingediend.

De rechtbank stelt met de raadsman vast dat de termijn voor het indienen van de vordering is overschreden. De wet verbindt echter geen sanctie aan die overschrijding, zodat de officier van justitie kan worden ontvangen in haar vordering.

3 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een judgment of April 21, 2016, by the district court of Krosno Odrzanskie; decision of August 13, 2018, ref. no. II Ko 542/18, by the district court of Krosno Odrzanskie, to activate the custodial sentence. Decision reference: district court of Krosno Odrzanskie, II K 389/15.

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat de opgeëiste persoon weliswaar aanwezig was bij de zitting waarbij de voorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd, maar niet bij de zitting waarbij die voorwaardelijke straf is omgezet in een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf. Hij meent dat de opgeëiste persoon daarmee wel bekend moet zijn, zodat eventueel een rechtsmiddel kan worden ingesteld.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft erop gewezen dat de opgeëiste persoon aanwezig was bij de zitting waarbij een voorwaardelijke straf is opgelegd, evenals bij de behandeling van nieuwe strafbare feiten die hij tijdens de proeftijd heeft gepleegd en welke aanleiding hebben gevormd voor het omzetten van de voorwaardelijke straf in een onvoorwaardelijke. Aanwezigheid bij de zitting waarbij de straf is omgezet is onder die omstandigheden niet vereist.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 23 maart 2023 in de zaak LU (C514/21) en PH (C515/21), (ECLI:EU:C:2023:235), valt een veroordeling voor het triggerende strafbare feit, dat wil zeggen een veroordeling die de reden vormt voor de beslissing tot de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf, onder de reikwijdte van artikel 4 bis Kaderbesluit 2002/584/JBZ, voor zover deze veroordeling bij verstek is gewezen. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zowel aanwezig is geweest op de zitting waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd, als bij de behandeling van de gedurende de proeftijd gepleegde feiten die heeft geleid tot de veroordeling die de grondslag voor de omzetting vormt (de triggerende strafbare feiten). Zodoende leidt het arrest LU en PH voor de opgeëiste persoon niet tot een weigering op grond van artikel 12 OLW.

Ten aanzien van de beslissing van 13 augustus 2018, waarbij de executie van de voorwaardelijke straf van 21 april 2016 is bevolen, overweegt de rechtbank dat uit het arrest van het HvJ EU van 22 december 2017 (Ardic)volgt dat die beslissing niet onder de reikwijdte van artikel 4 bis van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ valt. Artikel 12 OLW is dus niet van toepassing.

De rechtbank hecht eraan op te merken dat het arrest LU en PH niet dient te worden geïnterpreteerd als een herroeping van het Ardic-arrest, doch als een bevestiging voor zover het de beslissing tot herroeping van een voorwaardelijke straf betreft en als een aanvulling voor zover het de veroordeling voor een triggerend feit bij verstek betreft.

6 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

  • bedreiging met zware mishandeling;

  • opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

7 Detentieomstandigheden

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft te kennen gegeven dat de opgeëiste persoon vreest voor onmenselijke of vernederende behandeling in Poolse detentie.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft erop gewezen dat de rechtbank geen algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in Poolse detentiecentra aanneemt en dat geen onderbouwd verweer is gevoerd dat in deze zaak tot een andere conclusie moet leiden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank beschikt niet over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de Poolse detentieomstandigheden waaruit volgt dat er in (bepaalde) Poolse detentie-instellingen sprake is van een algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor gedetineerden. De raadsman heeft dergelijke gegevens ook niet overgelegd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor overlevering.

8 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 285 en 350 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the circuit court of Zielona Góra (Polen) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en R.A. Sipkens, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 juli 2023.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie r.o. 62-63, ECLI:EU:C:2023:235. C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026.