Europees strafrecht

Vervolgings-EAB Tsjechië. Overlevering toegestaan.

Rechtbank Amsterdam, 26 juni 2024

Zaakgegevens

Op 26 juni 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 juni 2024
Datum publicatie
28 juni 2024
Zaaknummer
13/122989-24 (EAB V)
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:3836
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolgings-EAB Tsjechië. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/122989-24 (EAB V)

Datum uitspraak: 26 juni 2024

UITSPRAAK

op de vordering van 17 april 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 14 februari 2024 door the District Court of Liberec (Tsjechië) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1971 te [geboorteplaats] (voormalig Tsjecho-Slowakije),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 12 juni 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J. Woltring, advocaat in Haarlem en door een tolk in de Tsjechische taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Tsjechische nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een arrest warrant of the District Court in Liberec dated November 29 2023, no. 7 T 121/2019-997.

De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Tsjechisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.

4 Artikel 14 OLW

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat is gehandeld in strijd met het specialiteitsbeginsel zoals bedoeld in artikel 14 OLW. De opgeëiste persoon is op verzoek van Tsjechië aangehouden in Panama en uitgeleverd voor de tenuitvoerlegging van een opgelegde vrijheidsstraf. Vervolgens is hij bij aankomst in Nederland ook aangehouden voor onder andere de vervolging voor de feiten zoals genoemd in dit EAB. De Tsjechische autoriteiten hebben voor deze verdere vervolging echter geen toestemming aan Panama gevraagd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat er geen sprake is van een weigeringsgrond.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat artikel 14 OLW (onder meer) ziet op het verzoek tot aanvullende toestemming voor doorbreking van de specialiteit en voor verderlevering aan een lidstaat van de Europese Unie in het geval de opgeëiste persoon eerder door Nederland is overgeleverd. Die situatie doet zich niet voor zodat artikel 14 OLW niet van toepassing is. Er is ook geen sprake van een eerdere uitlevering of overlevering aan Nederland op grond van een Nederlands uitleveringsverzoek of EAB. De situatie dat Nederland toestemming moet vragen voor verderlevering is dus ook daarom niet aan de orde. De rechtbank verwerpt daarmee het verweer van de raadsman.

5 Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld. De feiten vallen op deze lijst onder het lijstfeit:

fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.

Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Tsjechië een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.

Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6 Weigeringsgrond van artikel 11 OLW: recht op een eerlijk proces

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon geen eerlijk proces in Tsjechië zal krijgen. Op 25 februari 2014 is immers een officier van justitie veroordeeld voor bedreiging omdat hij de opgeëiste persoon heeft voorgehouden dat hij zijn vrijlating zou belemmeren als hij de beëindigde arbeidsrelatie met de vriendin van de stiefzoon van deze officier van justitie niet zou herstellen. De opgeëiste persoon vreest dat deze corrupte officier van justitie heeft bewerkstelligd dat onder andere het onderhavige EAB is uitgevaardigd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan, omdat er geen concrete aanwijzingen bestaan dat het recht op een eerlijk proces van de opgeëiste persoon na overlevering zal worden geschonden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank begrijpt het verweer aldus dat volgens de raadsman op grond van artikel 11 OLW aan het EAB geen gevolg zou moeten worden gegeven, omdat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een eerlijk proces zal worden aangetast.

Voordat kan worden toegekomen aan een beoordeling van het individuele gevaar van een schending van genoemd grondrecht van de opgeëiste persoon, moet worden aangetoond dat er in Tsjechië een algemeen reëel gevaar bestaat op een dergelijke schending. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die daarop duiden. De enkele angst van de opgeëiste persoon voor een onrechtvaardige behandeling van zijn strafzaak is daarvoor onvoldoende. De rechtbank is ook ambtshalve niet bekend met dergelijke gegevens. Aan de vraag of sprake is van een individueel gevaar voor de opgeëiste persoon dat de door de raadsman genoemde rechten in Tsjechië zullen worden geschonden, komt de rechtbank dus niet toe. Het verweer wordt dan ook verworpen.

7 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Liberec (Tsjechië) voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.


Deze uitspraak is gedaan door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. M. Wiewel en E. Biçer, rechters,

in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier.

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 26 juni 2024.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie 25 juli 2018, C-216/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:586.