Europees strafrecht

Overlevering. Tussenuitspraak. Belgisch EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van een straf. Rechtbank verzoekt om…

Rechtbank Amsterdam, 28 augustus 2024

Zaakgegevens

Op 28 augustus 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 augustus 2024
Datum publicatie
10 september 2024
Zaaknummer
13-203139-24
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:5611
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Overlevering. Tussenuitspraak. Belgisch EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van een straf. Rechtbank verzoekt om nadere informatie over het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, met name ter beantwoording van de vraag of de opgeëiste persoon in België óók is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie of bendevorming, al dan niet als strafverzwarend element.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-203139-24

Datum uitspraak: 28 augustus 2024

TUSSENUITSPRAAK

op de vordering van 24 juni 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Deze vordering betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 6 december 2021 door de Advocaat-generaal bij het Hof van Beroep Antwerpen, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren op [geboortedag] 1973 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP adres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 21 augustus 2024, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. M. Sculic, advocaat in Rotterdam.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen en die gevangenhouding direct geschorst onder voorwaarden.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Arrest van het Hof van Beroep Antwerpen van 10 maart 2021 – C5 kamer, referentie: 2019/PGA/2013 (griffienummer: 376/2021).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 4 jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 1369 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.

Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

4 Strafbaarheid: feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit naar Nederlands recht kan worden gekwalificeerd als uithaling zoals bedoeld in artikel 138aa van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Heropening

De rechtbank overweegt als volgt. De omschrijving van het feit in onderdeel e) van het EAB, oftewel de feitelijke elementen die de oorsprong vormen van het strafbare feit, lijken aan te sluiten bij het door de officier van justitie genoemde artikel 138aa Sr. De rechtbank constateert echter dat in onderdeel e) van het EAB ook vermeld staat: “Bendevorming m.o.o. het plegen van misdaden waarop levenslange opsluiting is gesteld of een gevangenisstraf van 10 jaar tot 15 jaar of meer” terwijl in de feitelijke omschrijving in onderdeel e) een samenwerkingsverband of criminele organisatie niet (expliciet) wordt beschreven. Het EAB geeft dus aanleiding te veronderstellen dat de opgeëiste persoon veroordeeld is voor meer dan alleen een (poging tot) uithaling zoals bedoeld in (het Nederlandse) artikel 138aa Sr. De rechtbank heeft daarom behoefte aan nadere informatie omtrent het feit waarvoor de opgeëiste persoon in België precies is veroordeeld, mede gelet op de geldende maximumstraf voor artikel 138aa, eerste lid, Sr (1 jaar), de opgelegde Belgische straf (4 jaar), het beroep van de opgeëiste persoon op artikel 6a OLW en de daaraan gekoppelde toets van artikel 6a, derde lid, OLW.

De rechtbank zal het onderzoek ter zitting daarom heropenen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit over het precieze feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, met name ter beantwoording van de vraag of de opgeëiste persoon óók is veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie of bendevorming, al dan niet als strafverzwarend element?

5 Beslissing

De rechtbank

HEROPENT het onderzoek en SCHORST dit voor onbepaalde tijd, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de hiervoor genoemde informatie op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen zitting, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.

BEPAALT dat de zaak uiterlijk een week vóór 19 september 2024 weer op zitting moet worden gepland.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,

mrs. M.C. Danel en R.W.L. Koopmans, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 28 augustus 2024.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Vergelijk HvJ EU 11 januari 2017, C-289/15, ECLI:EU:C:2017:4 (Grundza).