Europees strafrecht

Executie-EAB uit Hongarije. Situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Verzetgarantie afdoende…

Rechtbank Amsterdam, 1 februari 2024

Zaakgegevens

Op 1 februari 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
1 februari 2024
Datum publicatie
7 februari 2024
Zaaknummer
13/161792-23
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:612
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Hongarije. Situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Verzetgarantie afdoende. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/161792-23 (oud: 13/751980-20) EAB I

RK nummer: 20/5579

Datum uitspraak: 1 februari 2024

UITSPRAAK

op de vordering van 23 november 2020 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 9 juni 2020 door the Budapest Environs Regional Court, Law Enforcement Section, Hongarije (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] ( Hongarije ) op [geboortedag] 1977 ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft – na een eerdere behandeling op de zitting van 14 januari 2021 – na toestemming in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 18 januari 2024, in aanwezigheid van mr. M. Al Mansouri, officier van justitie. De opgeëiste persoon is

– hoewel behoorlijk opgeroepen – niet verschenen. De raadsvrouw van de opgeëiste persoon, mr. J. van Veelen-de Hoop, advocaat in Hoogvliet Rotterdam, is wel verschenen. De raadsvrouw heeft meegedeeld dat zij niet gemachtigd is en dat zij geen contact meer heeft met haar cliënt.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Hongaarse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een final and binding effect by Decision No. 1.B.403/2017/7 of the District Court of Budaörs dated 07 February 2018, and as a result of an appeal Decision No. 3.Bf.235/2018/13 of the Budapest Environs regional Court, acting as the court of second instance, final and binding on 18 June 2018.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest van 18 juni 2018.

Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en de zaak daardoor ten gronde definitief is afgedaan.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen op het proces dat tot het arrest heeft geleid en dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub a, OLW. In de aanvullende informatie van 12 februari 2021 is namelijk vermeld dat de opgeëiste persoon in hoger beroep op 11 oktober 2018 in persoon is gedagvaard en dat hem is meegedeeld dat een beslissing kan worden genomen als hij niet verschijnt bij de zitting.

Dit betekent dat de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond zich niet voordoet.

4 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW in samenhang met artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

5 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 8, 176 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

7 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Budapest Environs Regional Court, Law Enforcement Section (Hongarije) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. Ch.A. van Dijk en M.C.M. Hamer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 februari 2024.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22 OLW. De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.