Europees strafrecht
Pools verzoek tot aanvullende toestemming - artikel 12 OLW - verlies gelijkstelling in de zin van artikel 6a…
Rechtbank Amsterdam, 31 januari 2024
ECLI:NL:RBAMS:2024:897 · Rechtbank Amsterdam · 31 januari 2024
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2024-897
Zaakgegevens
Op 31 januari 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 31 januari 2024
- Datum publicatie
- 20 februari 2024
- Zaaknummer
- 13/123916-23
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2024:897
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Pools verzoek tot aanvullende toestemming - artikel 12 OLW - verlies gelijkstelling in de zin van artikel 6a OLW - toestaan verzoek toestemming
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/123916-23
Datum beslissing: 31 januari 2024
BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 25 mei 2023, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de opgeëiste persoon niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, OLW. Dit verzoek is ingediend op 25 mei 2021 door de Arrondissementsrechtbank in Czestochowa, 2de Strafkamer (Polen) en betreft:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] (Polen)
thans verblijvende in Polen
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.
1 Beoordeling
Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
De overgeleverde persoon is op 28 december 2023 door de The Regional Court in Czestochowa, II Criminal Division (Polen) gehoord. Uit het proces-verbaal van verhoor leidt de rechtbank af dat de overgeleverde persoon tijdens dat verhoor de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot toestemming kenbaar te maken.
Het verzoek betreft feiten ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan.
2 De weigeringsgrond van artikel 12 OLW
Verzamelvonnis III K 494/12 en VI Ka 67/13
Uit het verzoek en de aanvullende informatie van 27 september 2023 blijkt dat sprake is van een vonnis in eerste aanleg van de Districtsrechtbank Katowice West in Katowice van
28 december 2012 met kenmerk III K 494/12 en dat de Arrondissementsrechtbank in Katowice bij arrest van 5 maart 2013 met kenmerk VI Ka 6713 het bestreden vonnis heeft gehandhaafd.
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
De rechtbank zal gelet op het voorgaande uitsluitend de procedure in hoger beroep toetsen aan artikel 12 OLW.
Uit de aanvullende informatie van 27 september 2023 blijkt dat de overgeleverde persoon niet is verschenen bij de zitting die heeft geleid tot het arrest van 5 maart 2013 van de Arrondissementsrechtbank in Katowice zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Dat betekent dat de rechtbank de overlevering zou kunnen weigeren op grond van artikel 12 OLW.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren, omdat overlevering naar haar oordeel geen schending van de verdedigingsrechten van de overgeleverde persoon inhoudt. Zij vindt daarbij het volgende van belang.
Uit de informatie in het verzoek blijkt dat de overgeleverde persoon via zijn gemachtigd advocaat van eigen keuze een verzoek bij de Districtsrechtbank Katowice West in Katowice heeft ingediend om een verzamelvonnis uit te spreken. Tevens blijkt uit het verzoek dat de advocaat van de overgeleverde persoon hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg.
Wat er ook zij van de vraag of hieruit kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het instellen van het hoger beroep, is in deze zaak van doorslaggevend belang dat de opgeëiste persoon in het verhoor van 28 december 2023 door de The Regional Court in Czestochowa, II Criminal Division heeft verklaard dat hij zich kon vinden in de veroordeling in eerste aanleg tot 1 jaar en 7 maanden (en daarom geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het verzamelvonnis).
De tenuitvoerlegging van het verzamelvonnis levert daarom geen schending van verdedigingsrechten van de overgeleverde persoon op aangezien hij gelet op deze verklaring berust in de uitkomst van de procedure die tot het verzamelvonnis heeft geleid."
Onderliggend vonnis II K 1327/03
Uit de informatie van het verzoek blijkt dat de overgeleverde persoon aanwezig is geweest op het proces dat tot het vonnis heeft geleid. De procedure hoeft dan ook niet aan artikel
12 OLW te worden getoetst.
Onderliggend vonnis III K 494/12
Uit informatie van het verzoek blijkt dat de overgeleverde persoon niet is verschenen bij het proces dat heeft geleid tot het vonnis van 9 juni 2005 van de Districtsrechtbank in Katowice zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met d, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan. Dat betekent dat de rechtbank de overlevering zou kunnen weigeren op grond van artikel 12 OLW.
Uit de informatie van het verzoek blijkt dat de overgeleverde persoon het strafbare feit heeft bekend en dat de dagvaarding tweemaal op het door de overgeleverde persoon tijdens het vooronderzoek opgegeven adres is aangeboden maar dat hij ondanks het achtergelaten afhaalbericht de dagvaarding niet heeft opgehaald op het postkantoor.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de overgeleverde persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig is geweest door zich niet te informeren over het verloop van procedure bij de rechtbank aangezien de overgeleverde persoon een vervolging van het strafbare feit kon verwachten doordat hij gedurende het vooronderzoek dit feit heeft bekend zodat hij redelijkerwijs vervolgcorrespondentie kon verwachten op het door hem tijdens het vooronderzoek opgegeven adres.
3 Artikel 6a OLW/overname straf
Uit het verhoor van de overgeleverde persoon van 28 december 2023 blijkt dat de overgeleverde persoon zijn straf in Nederland wil ondergaan. De overgeleverde persoon is bij tussenuitspraak van 27 september 2019 van de Rechtbank Amsterdam gelijkgesteld met een Nederlander.
In het kader van een beslissing op een verzoek om aanvullende toestemming is het mogelijk dat de rechtbank op grond van artikel 6a OLW de toestemming weigert onder overname van de in Polen opgelegde straf. In dit geval is dat echter niet mogelijk omdat de overgeleverde persoon zijn in Nederland opgebouwde duurzame verblijfsrecht heeft verloren doordat sprake is van afwezigheid uit Nederland gedurende meer dan twee achtereenvolgende jaren. Immers de feitelijke overlevering van de overgeleverde persoon aan Polen heeft op 3 februari 2020 plaatsgevonden en hij heeft aldaar tot 23 maart 2022 in voorlopige hechtenis verbleven en tijdens zijn verhoor op 28 december 2023 verbleef hij in elk geval nog in Polen.
4 Beslissing
De rechtbank verleent op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder f, en derde lid, OLW toestemming voor tenuitvoerlegging van de straf, zoals vermeld in het verzoek.
Deze beslissing is genomen op 31 januari 2024 door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. P. Sloot en A. Pahladsingh, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon griffier.