Europees strafrecht

Pools EAB ter tenuitvoerlegging vonnis - artikel 12 OLW - Poolse rechtstaat - toestaan overlevering

Rechtbank Amsterdam, 14 februari 2024

Zaakgegevens

Op 14 februari 2024 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
14 februari 2024
Datum publicatie
20 februari 2024
Zaaknummer
13/323246-23
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2024:899
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Pools EAB ter tenuitvoerlegging vonnis - artikel 12 OLW - Poolse rechtstaat - toestaan overlevering

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/323246-23

Datum uitspraak: 14 februari 2024

UITSPRAAK

op de vordering van 7 december 2023 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 29 mei 2023 door the Regional Court in Tarnobrzeg (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1990

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

gedetineerd in de [P.I.]

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

Zitting 23 januari 2024

De behandeling van het EAB stond gepland op de zitting van 23 januari 2024. Het onderzoek ter zitting is vervolgens aangehouden voor bepaalde tijd om de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Zitting 31 januari 2024

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 januari 2024, in aanwezigheid van mr. W.H.R. Hogewind, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.N. de Jager en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Referte

De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een Judgment of the District Court in Tamobrzeg van 6 maart 2020, referentie: II K 762/19.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf moet volgens het EAB nog geheel worden uitgezeten.

De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

5 De weigeringsgrond van artikel 12 OLW

In het EAB onder D. staat vermeld dat de opgeëiste persoon niet bij het proces is verschenen dat heeft geleid tot het vonnis. Voorts staat onder D.1 onder a. vermeld dat de opgeëiste persoon op 16 december 2019 in persoon is opgeroepen voor de zitting die tot het vonnis heeft geleid en dat hij daarbij op de hoogte is gesteld dat indien hij niet ter zitting zou verschijnen er wel een vonnis zou kunnen worden gewezen.

De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij ten tijde van de oproeping in Duitsland verbleef en hierdoor de oproeping nooit heeft ontvangen, maar hij heeft hier geen bewijsstukken van overgelegd. De rechtbank gaat op grond van het vertrouwensbeginsel uit van de juistheid van de door de Poolse autoriteiten overgelegde informatie. In de enkele niet nader onderbouwde stelling van de opgeëiste persoon ziet de rechtbank geen aanleiding om hiervan af te wijken.

De rechtbank is dan ook op grond van het voorgaande van oordeel dat de situatie als bedoeld in artikel 12 onder a OLW zich voordoet.

6 Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel

7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

mishandeling

en

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

7 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

8 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 300 en 350 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5 en 7 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van de opgeëiste persoon [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Tarnobrzeg (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. P. Sloot en A.Pahladsingh , rechters,

in tegenwoordigheid van F.M.H. Albarda, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 februari 2024.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).