Europees strafrecht

EAB Polen; tussenuitspraak i.v.m. nadere vragen m.b.t. artikel 12 OLW; verweer m.b.t. de…

Rechtbank Amsterdam, 27 februari 2025

Zaakgegevens

Op 27 februari 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
27 februari 2025
Datum publicatie
28 februari 2025
Zaaknummer
13/403220-24 (EAB I)
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2025:1334
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

EAB Polen; tussenuitspraak i.v.m. nadere vragen m.b.t. artikel 12 OLW; verweer m.b.t. de detentieomstandigheden verworpen

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/403220-24 (EAB I)

Datum uitspraak: 27 februari 2025

TUSSEN

UITSPRAAK

op de vordering van 20 december 2024 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 23 oktober 2024 door de Sad Okregowy w Zamosciu II Wydzial Karny (District Court of Zamosc, second Penal Division), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in de [detentieadres],

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 13 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een an aggregate sentence of the Regional Court of Janów Lubelski of 4 September 2019, which became legally valid on 12 September 2019 (II K 186/19).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog zes maanden en zestien dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

De raadsman heeft aangevoerd dat het onduidelijk is of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het feit dat hij hoger beroep kon instellen tegen het samenvoegingsvonnis. Daarnaast is het onduidelijk of hij adequaat is opgeroepen bij alle zittingen van de onderliggende vonnissen.

De officier van justitie heeft erop gewezen dat ten aanzien van het samenvoegingsvonnis de opgeëiste persoon op 31 juli 2019 in persoon is gedagvaard. De voorwaardelijke invrijheidstelling van het samenvoegingsvonnis is herroepen vanwege de veroordeling in EAB II bij welk proces de opgeëiste persoon aanwezig was. Ten aanzien van de onderliggende vonnissen heeft de opgeëiste persoon zelf verklaard hierbij aanwezig te zijn geweest. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is dus niet aan de orde.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een samenvoegingsvonnis (II K 186/19) terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat zich de omstandigheid van artikel 12, sub a, OLW heeft voorgedaan. In het EAB staat dat de opgeëiste persoon op 31 juli 2019 in persoon is gedagvaard en daarbij is geïnformeerd over de datum en plaats van de zitting en dat een beslissing in zijn afwezigheid kan worden genomen. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is daarom voor het samenvoegingsvonnis niet van toepassing.

Ten aanzien van de onderliggende vonnissen is er geen aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De opgeëiste persoon heeft verklaard aanwezig te zijn geweest bij twee vonnissen waarbij respectievelijk drie maanden en tien maanden zijn opgelegd. Hij heeft echter niet verklaard over andere vonnissen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het onderzoek te heropenen, om hierover nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Daarnaast blijkt niet duidelijk uit het EAB dat de veroordeling in EAB II de reden was voor het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling van het samenvoegingsvonnis. De rechtbank zal daarom ook daar een vraag over stellen.

3.1.2

Vragen na heropening

De rechtbank verzoekt de officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te verzoeken om ten aanzien van de onderliggende vonnissen van the Regional Court of Tomaszów Lubelski van 13 maart 2017 (II K 189/17), the Regional Court of Tomaszów Lubelski van 28 juni 2018 (II K 475/18) en van the Regional Court of Bilgoraj van 1 februari 2019 (II K 502/18) onderdeel d) van het EAB in te vullen.

Daarnaast verzoekt de rechtbank de officier van justitie om de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:

Klopt het dat de veroordeling van 11 oktober 2021 van de Sad Rejonowy [Regional Court] in Tomaszów Lubelski (II K 757/21) de reden is voor het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van de straf opgelegd in het samenvoegingsvonnis (II K 186/19)? Zo nee, wat is hiervan dan de reden?

4 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, meermalen gepleegd, meermalen gepleegd.

5 Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

De raadsman heeft aangevoerd het onduidelijk is waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd. Daarom moet de overlevering worden geweigerd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 6 februari 2025 voldoende is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon niet terechtkomt in de gevangenis in Barczewo, waar de rechtbank onderzoek naar de detentieomstandigheden heeft laten doen. De opgeëiste persoon komt eerst zeer waarschijnlijk in een gevangenis in Warschau en daarna zal hij worden geplaatst in een gevangenis nabij de vorige woonplaats van de opgeëiste persoon, dat 550 kilometer van Barczewo ligt. Het is dus onwaarschijnlijk dat hij in de gevangenis van Barczewo wordt geplaatst.

De rechtbank overweegt dat zij eerder in een andere zaak vragen heeft gesteld over de detentieomstandigheden in Barczewo. Daarom is in deze zaak door het openbaar ministerie gevraagd waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. De rechtbank heeft in voornoemde zaak op 14 februari 2025 een uitspraak gedaan, waarin zij tot het oordeel komt dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat dat gedetineerden in de penitentiaire inrichting Barczewo onmenselijk of vernederend worden behandeld. Derhalve is de vraag waar de opgeëiste persoon na overlevering aan Polen naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd niet langer relevant. Een garantie dat hij daar niet zal worden gedetineerd is dus niet nodig.

6 Beslissing

HEROPENT en SCHORST het onderzoek ter zitting teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen het hiervoor onder 3.1.2 genoemde verzoek en de genoemde vraag voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;

BEPAALT dat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland voor het verstrijken van de verlengde beslistermijn (op 18 maart 2025);

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;

BEVEELT de oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen voornoemd tijdstip.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en A. Pahladsingh, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 februari 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam d.d. 16 januari 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:326). ECLI:NL:RBAMS:2025:909.