Europees strafrecht
Pools EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Overlevering geweigerd en tenuitvoerlegging van…
Rechtbank Amsterdam, 4 maart 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:1503 · Rechtbank Amsterdam · 4 maart 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2025-1503
Zaakgegevens
Op 4 maart 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 maart 2025
- Datum publicatie
- 10 maart 2025
- Zaaknummer
- 13.283.705-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2025:1503
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Pools EAB t.b.v. de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf. Overlevering geweigerd en tenuitvoerlegging van de straf in Nld bevolen omdat de opgeëiste persoon met een Nederlander kan worden gelijkgesteld. Uit het dossier volgt dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale en sociale banden met Nederland heeft. Hij verblijft hier in ieder geval al sinds 2019 met zijn partner en hun in Nederland geboren kinderen en hij heeft in Nederland een woning gekocht. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd (zie HvJ EU, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (Mandat d’arrêt européen à l’encontre d’un ressortissant d’un État tiers), ECLI:EU:C:2023:444, punt 64) De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.283.705-24
Datum uitspraak: 4 maart 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 8 januari 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 juli 2024 door the Regional Court in Lublin in Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 februari 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, advocaat te Breda en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Regional Court in Lublin van 14 maart 2023 met zaaknummer IV K 251/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. Uit de stukken blijkt dat het hoger beroep onder de reikwijdte van artikel 12 OLW valt.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Uit de aanvullende informatie en hetgeen de opgeëiste persoon zelf heeft verklaard tijdens zijn voorgeleiding in de onderhavige overleveringszaak, blijkt echter dat de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, OLW zich heeft voorgedaan.
Op 30 januari 2025 heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum Amsterdam de volgende vraag gesteld:
“With reference to section d) of the EAW
1. Can you confirm that [opgeëiste persoon] was represented by a personally mandated lawyer at the hearing that resulted in the judgment of 7 December 2023, reference II Aka 216/23?”
Uit de aanvullende informatie van 6 februari 2025 blijkt het volgende:
“(…) the Regional Court [Sad Okregowy] in Lublin kindly informs that the sentenced in the appeal proceedings before the Court of Appeal in Lublin, file reference II AKa 215/23, at the trial on the date 23rd November 2023, he was represented by attorney [naam] . (…)”
De opgeëiste persoon heeft tijdens zijn voorgeleiding verklaard dat voornoemde [naam] inderdaad zijn advocaat was, alsmede dat hij hem voor de procedure in eerste aanleg en het hoger beroep heeft gemachtigd om hem te verdedigen.
Nu de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, aanhef en onder b, OLW zich voordoet, mag de rechtbank de overlevering niet weigeren.
4 Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal door twee of meer verenigde personen.
5 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
De opgeëiste persoon heeft aangevoerd dat hij sinds half februari 2018 in Nederland verblijft. Op grond van de door hem overgelegde stukken kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat hij sinds 2019 in Nederland verblijft. In dat jaar heeft hij een inkomen van € 21.468,- gehad, wat ruim boven de helft van de toepasselijke bijstandsnorm ligt. Tevens heeft hij door middel van een huurovereenkomst aangetoond dat hij per 1 september 2019 woonruimte huurde. Voor die tijd beschikte hij, naar eigen zeggen, via het uitzendbureau waarvoor hij werkte over woonruimte. Gelet op de hoogte van zijn inkomen in 2019, alsmede dat hij ook over 2018 al inkomensgegevens heeft verstrekt, gaat de rechtbank er van uit dat hij gedurende het jaar 2019 al in Nederland verbleef.
Voorts zijn inkomensgegevens van hemzelf en zijn partner overgelegd waaruit blijkt dat zij in de jaren 2020, 2021, 2022 en 2023 tezamen een inkomen hadden dat ruim boven de helft van de toepasselijke bijstandsnorm lag. Per 1 februari 2023 is de opgeëiste persoon een eigen timmerbedrijf gestart.
Vanaf 10 januari 2020 tot heden staat de opgeëiste persoon aaneengesloten ingeschreven in de Basisregistratie Personen. Eerst verbleef hij in een huurwoning en nadien in een koopwoning. Ter onderbouwing van de koop is een hypotheekakte op naam van de opgeëiste persoon en zijn partner overgelegd, gedateerd op 12 augustus 2021.
Ten slotte blijkt uit de stukken dat in Nederland in respectievelijk 2020 en 2023 de kinderen van de opgeëiste persoon en zijn partner zijn geboren.
Gelet hierop is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee per 1 januari 2024 een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven.
Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 3 februari 2025 volgt dat de opgeëiste persoon niet zijn recht van verblijf verliest.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
Uit de hiervoor onder 4. weergegeven Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale en sociale banden met Nederland heeft. Hij verblijft hier immers in ieder geval al sinds 2019 met zijn partner en hun in Nederland geboren kinderen en hij heeft in Nederland een woning gekocht. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.
6 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.
7 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6a en 7 OLW.
8 Beslissing
WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Lublin in Polen.
BEVEELT de tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OP de overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .
BEVEELT de gevangenhouding van [opgeëiste persoon] tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf.
Deze uitspraak is gedaan door:
mr. A.J.R.M. Vermolen, voorzitter,
mrs. M. Westerman en L.F. Bögemann, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 maart 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.