Europees strafrecht

EAB Polen, overlevering toegestaan.

Rechtbank Amsterdam, 1 mei 2025

Zaakgegevens

Op 1 mei 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
1 mei 2025
Datum publicatie
28 april 2025
Zaaknummer
13/064651-25
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2025:2715
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

EAB Polen, overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-064651-25

Datum uitspraak: 1 mei 2025

UITSPRAAK

op de vordering van 3 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 21 januari 2025 door de District Court of Lublin (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1994,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

nu gedetineerd in [penitentiaire inrichting] .

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 april 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. F.A.J. van Rijthoven, advocaat te Oirschot en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Provincial Court of Radzyn Podlaski van 14 februari 2024 (referentie: II K 254/23).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

3.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Uit aanvullende informatie van the District Court in Radzyn Podlaski van 11 april 2025 blijkt dat de Poolse advocaat beroep heeft ingesteld tegen het hiervoor genoemde vonnis van 14 februari 2024. Verder blijkt dat bij arrest van 2 juli 2024 van the Regional Court van Lublin (referentie: XI Ka 380/24) op dit beroep is beslist en dat het vonnis is bevestigd.

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van the Regional Court van Lublin van 2 juli 2024 (referentie: XI Ka 380/24) toetsen aan artikel 12 OLW.

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot dat arrest heeft geleid. Op grond van de aanvullende informatie van the District Court in Radzyn Podlaski van

11 april 2025 dat de advocaat van de opgeëiste persoon aan de zitting in beroep heeft deelgenomen en de verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij zijn advocaat heeft gevraagd om beroep in te stellen en hem heeft gevraagd namens hem de verdediging te voeren, stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces en een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren. Uit de gebruikte bewoording in de aanvullende informatie van 11 april 2025 (“participated in it”) leidt de rechtbank af dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd en niet alleen aanwezig was ter zitting. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW is derhalve niet van toepassing.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om nadere informatie op te vragen over de betekening van de adresinstructie aan de opgeëiste persoon in de Poolse strafzaak. Gelet op het voorgaande, is die nadere informatie naar het oordeel van de rechtbank niet relevant nu immers al is vastgesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is.

4 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5 Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in Polen

De raadsman heeft verwezen naar uitspraken van de rechtbank in zaken die zien op verzoeken om overlevering van personen die in Polen worden vervolgd. In het bijzonder heeft hij verwezen naar het door de rechtbank in die zaken ten aanzien van gedetineerden in het remand regime in Polen vastgestelde algemene gevaar van schending van grondrechten. De raadsman heeft de rechtbank verzocht na te vragen in welk regime de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in Polen.

De rechtbank overweegt als volgt.

De overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met het ondergaan van een gevangenisstraf. Er is geen aanleiding om te veronderstellen dat hij voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in het regime voor voorlopig gehechten zal worden geplaatst, welk regime immers geldt voor gedetineerden die worden vervolgd. Op dit moment is er ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in detentie-instellingen in Polen geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke en vernederende behandeling vastgesteld. De raadsman heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Het verzoek van de raadsman wordt dan ook afgewezen.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 312 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Lublin voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. R.R. Eijsten en M.J. Gauneau, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 1 mei 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, tweede lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1030, punt 47 en C-398/22, RQ (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Condamnation par défaut)), ECLI:EU:C:2023:1031, punt 32.