Europees strafrecht
Pools executie-EAB, artikel 12 sub b OLW, verweer art. 11 OLW verworpen. Overlevering toestaan.
Rechtbank Amsterdam, 15 mei 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:4074 · Rechtbank Amsterdam · 15 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2025-4074
Zaakgegevens
Op 15 mei 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 mei 2025
- Datum publicatie
- 16 juni 2025
- Zaaknummer
- 13-066812-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2025:4074
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Pools executie-EAB, artikel 12 sub b OLW, verweer art. 11 OLW verworpen. Overlevering toestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/066812-25
Datum uitspraak: 15 mei 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 6 maart 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 januari 2025 door de Sad Okregowy in Kielce, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1987 te [geboorteplaats] (Polen),
feitelijk verblijfsadres:
[verblijfsadres] ,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 mei 2025 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een enforceable judgement van de Sad Okregowy in Sandomierz van 2 juli 2021, met referentie: II K 230/21.
Blijkens aanvullende informatie van 17 en 19 maart 2025 is het vonnis van 2 juli 2021, met referentie II K 230/21, na een hoger beroepsprocedure in stand gelaten bij het arrest van the District Court in Kielce van 30 november 2022, met referentie IX Ka 1517/21 (hierna: het arrest).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, negen maanden en één dag. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft aangevoerd dat niet duidelijk is of de Poolse advocaat in de gelegenheid is gesteld om daadwerkelijk inhoudelijk verweer te voeren tijdens de procedure in hoger beroep. In dat geval is voor overlevering een garantie nodig dat de opgeëiste persoon een nieuw en eerlijk proces krijgt in Polen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan, nu uit de aanvullende informatie met betrekking tot de procedure in hoger beroep volgt dat de gemachtigd advocaat van de opgeëiste persoon daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan.
Uit de aanvullende informatie van 17 en 19 maart 2025 blijkt dat de advocaat van de opgeëiste persoon tegen het vonnis hoger beroep heeft ingesteld en dat met het arrest de zaak ten gronde definitief is afgedaan, zodat de rechtbank alleen de beslissing in hoger beroep aan artikel 12 OLW zal toetsen.
Bij de aanvullende informatie van 19 maart 2025 is een ingevuld onderdeel d) toegevoegd. Hierin is vermeld dat de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij de procedure in hoger beroep. Daarnaast is aangekruist dat de opgeëiste persoon, terwijl hij op de hoogte was van het voorgenomen proces, een advocaat heeft gemachtigd zijn verdediging te voeren gedurende dat proces en dat die advocaat ook daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. De rechtbank ziet in wat de verdediging hierover heeft aangevoerd geen reden voor twijfel aan de verstrekte gegevens, nu de opgeëiste persoon geen objectieve gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat deze informatie niet correct zou zijn. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat sprake is van de omstandigheid als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De weigeringsgrond zoals bedoeld in artikel 12 OLW is daarom niet van toepassing.
4 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
5. Artikel 11 OLW; artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat in Polen, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
6 Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden in Polen
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de detentieomstandigheden in Polen niet op orde zijn. Hij heeft hierbij verwezen naar de negatieve ervaringen van de opgeëiste persoon tijdens zijn eerdere detentie in voorlopige hechtenis in Polen, met name wat betreft de bejegening, hygiëne en re-integratiemogelijkheden aldaar. Dit maakt volgens de raadsman dat sprake is van een dreigende schending van de Aanbeveling (EU) 2023/681 van de Europese Commissie van 8 december 2022 en de European Prison Rules. De raadsman heeft om aanhouding verzocht teneinde vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten betreffende de re-integratievoorzieningen in Poolse detentie-instellingen, alsmede over de verblijfplaats en de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd na overlevering .
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat, nu geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling bestaat voor opgeëiste personen die in het kader van de executie van vrijheidsstraffen in Polen worden gedetineerd. De ervaringen van de opgeëiste persoon zijn niet met objectieve concrete, actuele stukken onderbouwd.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het verweer van de raadsman is gebaseerd op de persoonlijke ervaringen van de opgeëiste persoon tijdens zijn eerdere detentie in het Poolse remand regime. Die ervaringen zijn echter niet relevant in deze zaak, aangezien de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een aan hem opgelegde gevangenisstraf. Hij zal dus niet in een remand regime terecht komen De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de behandeling aan te houden teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit hierover nadere vragen te stellen. De detentieomstandigheden vormen geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 141 Wetboek van Strafrecht en 2, 5 en 7 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sad Okregowy in Kielce, Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. R.A. Sipkens en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.F.A. Reuvekamp, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 mei 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.