Europees strafrecht

EAB Polen; verweer m.b.t. artikel 11 OLW (artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU)…

Rechtbank Amsterdam, 19 juni 2025

Zaakgegevens

Op 19 juni 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
19 juni 2025
Datum publicatie
23 juni 2025
Zaaknummer
13/103593-25
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2025:4261
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

EAB Polen; verweer m.b.t. artikel 11 OLW (artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU) verworpen; overlevering toegestaan

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/103593-25

Datum uitspraak: 19 juni 2025

UITSPRAAK

op de vordering van 15 april 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 3 februari 2025 door de Sad Okregowy w Poznaniu (the Circuit Court in Poznan), Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit andere hoofde gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 5 juni 2025, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.P.P. Janssen, advocaat te Tegelen en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een judgment of 27 July 2021 of the District Court in Chodziez (II K 693/20).

Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De raadsman heeft aangevoerd dat met oog op de algemene situatie in Polen, mede gelet op de uitslag van de recente presidentsverkiezingen, de vordering moet worden afgewezen, omdat de rechten van de opgeëiste persoon niet zijn gewaarborgd. Dit ziet op de rechtsgang alsmede op de omstandigheden in en rond de detentie van de opgeëiste persoon.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is onderbouwd hoe de algemene situatie in Polen doorwerking heeft gehad op de individuele zaak van de opgeëiste persoon. Verder is er geen algemeen gevaar aangenomen voor de detentieomstandigheden van gedetineerden die een straf uitzitten.

De rechtbank overweegt dat zij eerder heeft vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat – noch die doen vermoeden dat – die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld en bestaat er ook geen aanleiding om aanvullende gegevens op te vragen.Voorts heeft de rechtbank geen algemeen reëel gevaar aangenomen dat gedetineerden die een gevangenisstraf in Polen uitzitten onmenselijk of vernederend worden behandeld. De raadsman heeft ook geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit een algemeen gevaar voor personen die een gevangenisstraf uitzitten in Polen, blijkt. Voor zover de raadsman heeft willen betogen dat de kans bestaat dat de opgeëiste persoon de hem opgelegde straf in een remand regime moet uitzitten, voor welk regime de rechtbank wel een algemeen gevaar heeft aangenomen, heeft hij deze stelling niet onderbouwd. Het verweer wordt verworpen.

6 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Sad Okregowy w Poznaniu (the Circuit Court in Poznan), Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. H.H.J. Zevenhuijzen en E.M. de Bie, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 juni 2025.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).