Europees strafrecht

Executie-EAB uit Roemenië. Artikel 12 OLW: afzien van weigeren. Artikel 11 OLW: detentiegarantie verstrekt en…

Rechtbank Amsterdam, 15 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 15 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 oktober 2026
Datum publicatie
15 oktober 2026
Zaaknummer
13-228956-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10178
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Roemenië. Artikel 12 OLW: afzien van weigeren. Artikel 11 OLW: detentiegarantie verstrekt en voldoende bevonden. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-228956-26

Datum uitspraak: 15 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 19 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 5 maart 2026 door the Constanţa District Court, Roemenië, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1980,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in [detentieplaats] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 1 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. V.G. Kraal, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the Constanţa District Court van 14 oktober 2024, met kenmerk No. 1188/14.10.2024, dat onherroepelijk is geworden bij arrest van the Constanţa Court of Appeal van 12 februari 2026, met kenmerk No. 189/P/12.02.2026.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf nog geheel ondergaan in Roemenië.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW niet aan overlevering in de weg staat, omdat uit de inmiddels verstrekte aanvullende informatie van 14 september 2026 blijkt dat de weigeringsgrond zich niet voordoet. Er was een waarnemer van de gemachtigd raadsman aanwezig bij de procedure in hoger beroep.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW. De opgeëiste persoon is tijdens het proces in hoger beroep vertegenwoordigd door een gemachtigd advocaat die daadwerkelijk zijn verdediging heeft gevoerd. Bovendien was de opgeëiste persoon op de hoogte van het voorgenomen proces. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij constant contact had met zijn advocaat en was geïnformeerd over het hoger beroep. Dat is voldoende om aan te nemen dat hij wist van tijd en plaats van de zitting. Subsidiair kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW.

Oordeel van de rechtbank

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Constanţa Court of Appeal van 12 februari 2026, met kenmerk No. 189/P/12.02.2026, toetsen aan artikel 12 OLW.

De rechtbank stelt vast dat de overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep. Uit de aanvullende informatie van

14 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces.Anders dan de verdediging en de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW hier ook niet aan de orde is. Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 25 september 2026 volgt weliswaar dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging op het proces in hoger beroep te voeren en dat een waarnemer van die advocaat hem daadwerkelijk heeft vertegenwoordigd op de (enige) zitting van 15 januari 2026. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van die zitting. De verklaring van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij constant contact had met zijn advocaat en werd geïnformeerd, is daartoe onvoldoende, omdat de rechtbank daaruit niet zonder meer kan afleiden dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van datum en plaats van de zitting in hoger beroep. In de aanvullende informatie is immers vermeld dat hij opgeroepen werd op twee adressen in [geboorteplaats] , maar dat hij de oproepen niet heeft opgehaald. Ook werd hij gedagvaard op het kantoor van zijn advocaat, maar nergens uit blijkt dat de opgeëiste persoon daar domicilie gekozen had.

Verder is niet gebleken dat de beslissing persoon aan de opgeëiste persoon is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien. De uitvaardigende autoriteit heeft wel gegarandeerd dat de opgeëiste persoon alsnog in verzet of in hoger beroep kan gaan, maar de rechtbank is er ambtshalve mee bekend dat dergelijke garanties in Roemenië niet onvoorwaardelijk zijn. In het bijzonder is van belang dat een verzoek tot verzet alleen wordt toegewezen als de rechtbank in Roemenië van oordeel is dat de opgeëiste persoon bij verstek is veroordeeld (‘tried in absentia’). Uit het tweede lid van artikel 466 van het Roemeense Wetboek van Strafvordering (Roemeense Sv) volgt dat van een veroordeling bij verstek slechts sprake is als – kort gezegd – de verdachte niet is gedagvaard en niet op een formele wijze van de terechtzitting op de hoogte is gebracht. Gelet op het voorgaande doet zich de situatie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW niet voor.

Dat betekent dat de rechtbank in dit geval de overlevering kan weigeren.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.

De opgeëiste persoon was in eerste aanwezig op de zitting, samen met zijn advocaat. Zowel de opgeëiste persoon als de Roemeense officier van justitie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in eerste aanleg. De opgeëiste persoon heeft een advocaat gemachtigd om hem te verdedigen tijdens het proces in hoger beroep. Op de enige zitting van 15 januari 2026 is de opgeëiste persoon daadwerkelijk vertegenwoordigd door een waarnemer van zijn advocaat. De opgeëiste persoon heeft ter zitting van deze rechtbank verklaard dat hij constant contact heeft onderhouden met zijn advocaat.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de opgeëiste persoon niet in zijn verdedigingsrechten is geschaad. Hij heeft er klaarblijkelijk voor gekozen de verdediging aan zijn advocaat over te laten door deze te machtigen, en deze advocaat heeft de verdediging daadwerkelijk gevoerd. Het toestaan van de overlevering levert daarom geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon op.

5 Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:

oplichting.

Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.

Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.

6 Artikel 11 OLW: Roemeense detentieomstandigheden

Inleiding

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen.

Bij brief van 17 september 2026 heeft the Penitentiary Police Chief Commissioner, General Manager of the National Administration of Penitentiaries de volgende garantie gegeven:

“(…)

1. In the event that the detained person will be handed over to the Romanian authorities at Henri Coandă Airport in Bucharest, he will be initially lodged in the Bucharest-Rahova Penitentiary for a period of quarantine of 21 days, in a room that will provide a minimum space of 3 square meters.

(…)
In view of the amount of the sentence, he will most likely serve his custodial sentence initially in a semi-open regime . At the same time, given his residence, it is possible that he will initially serve his sentence in Bistrita Penitentiary .
(…)

2. The said [opgeëiste persoon] will be provided with a minimum individual space of 3 square meters, during the entire period of serving the sentence, except for the open regime, during which he will be provided with 4 square meters , including the bed and related furniture , excluding the space for the rest room , the number of prisoners being configured in relation to the area of the room. Each prisoner will be provided with an individual bed equipped with specific bedding.

(…)”

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Uit de aanvullende informatie van 17 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon de eerste drie weken in de Bucharest-Rahova Penitentiairy zal worden gedetineerd. Uit het CPT-rapport van 3 september 2026 volgt dat de omstandigheden in deze detentie-instelling zeer slecht zijn, onder meer vanwege de overbevolking.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich - onder verwijzing naar jurisprudentie van deze rechtbank - op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. Met de individuele detentiegarantie van 17 september 2026 wordt voor de opgeëiste persoon een persoonlijke leefruimte van minimaal drie m2 (exclusief sanitaire voorzieningen) gegarandeerd en wordt het vastgestelde algemene gevaar voor hem weggenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat zij, gelet op het arrest Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije) van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ook wel het arrest ML genoemd, uitsluitend de detentieomstandigheden dient te onderzoeken van penitentiaire inrichtingen waar de opgeëiste persoon, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Uit de detentiegarantie van 17 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in eerste instantie in the Bucharest-Rahova Penitentiairy zal worden geplaatst en daarna naar alle waarschijnlijkheid in het semi-open regime van the Bistrita Penitentiairy zal worden gedetineerd.

Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de op 17 september 2026 afgegeven garantie, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen al in 2018 heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu voor hem in beide detentie-instellingen een persoonlijke ruimte van minimaal drie m2 (exclusief sanitaire voorzieningen) wordt gegarandeerd.

Verder stelt de rechtbank vast dat het nieuwe CPT-rapport van 3 september 2026 een bevestiging vormt van het reeds aangenomen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, in het bijzonder vanwege de overbevolking, voor volwassen gedetineerden. De rechtbank ziet in het CPT-rapport dan ook geen aanleiding om het algemene gevaar uit te breiden tot andere omstandigheden of om te concluderen dat de verstrekte individuele garantie niet (meer) voldoende is. De detentieomstandigheden vormen daarom geen beletsel voor de overlevering.

7 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

8 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

9 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Constanţa District Court (Roemenië) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,

mrs. B.M. Vroom-Cramer en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 15 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 OLW. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 32. Zie artikel 12, onder a, OLW. HvJ EU 21 mei 2026, C-95/24, ECLI:EU:C:2026:416 (Khuzdar). Zie artikel 12, onder c, OLW. Zie artikel 12, onder d, OLW. Zie onder andere: rechtbank Amsterdam, 2 mei 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2629 en rechtbank Amsterdam, 27 januari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:463. Rechtbank Amsterdam 15 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7189 en Rechtbank Amsterdam 14 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:154. HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, (C-220/18 PPU, ECLI:EU:C:2018:589), punt 114.