Europees strafrecht
Vervolgings-EAB uit Roemenië. Artikel.7 OLW; verweer dat lijstfeit ten onrechte is aangekruist verworpen…
Rechtbank Amsterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10363 · Rechtbank Amsterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-10363
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-227795-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10363
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgings-EAB uit Roemenië. Artikel.7 OLW; verweer dat lijstfeit ten onrechte is aangekruist verworpen. Artikel 11 OLW; het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar wordt door de verstrekte individuele detentiegarantie weggenomen.Overlevering toestaan
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-227795-26
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 17 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 30 april 2026 door the District Court Dolj, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats 1] (Roemenië),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
Zitting van 29 september 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 29 september 2026 in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. V.G. Kraal, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot 7 oktober 2026, omdat er geen tolk in de Roemeense taal beschikbaar was en de rechtbank niet akkoord ging met behandeling van de zaak met bijstand van een telefonische tolk.
Zitting van 7 oktober 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 7 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn advocaat
mr. Kraal en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel No. 5/April 23, 2026, issued pursuant to the ruling dated April 23, 2026, handed down by the Dolj District Court in Case No. 1117/63/2026.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Roemeens recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB.
4 Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Roemenië een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
Het is aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om, aan de hand van het recht van die lidstaat, te beoordelen of het strafbare feit onder de hiervoor genoemde lijst valt. Uitgangspunt is dat de rechtbank aan het oordeel van de uitvaardigende justitiële autoriteit is gebonden.
Van een evident onjuist aangekruist lijstfeit is in dit geval geen sprake. Uit de feitsomschrijving blijkt dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht een stof voorhanden te hebben gehad met het oogmerk van verkoop. Uit de in het EAB vermelde kwalificatie (“the offfence of trafficking in high-risk drugs”) volgt dat de uitvaardigende justitiële autoriteit van oordeel is dat die stof naar Roemeens recht onder de wetgeving ter bestrijding van drugscriminaliteit valt. De rechtbank verwerpt dan ook het primaire verweer van de raadsman strekkende tot weigering van de overlevering op grond van de omstandigheid dat de in de feitsomschrijving omschreven handeling naar Nederlands recht niet strafbaar is. De rechtbank is van oordeel dat de Overleveringswet geen ruimte biedt om het Nederlands Forensisch Instituut de opdracht te geven de in Roemenië in beslag genomen stof te laten testen en wijst het daartoe strekkende subsidiair geformuleerde verzoek van de raadsman af.
5 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat uit de algemene detentieomstandigheden in Roemenië een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voortvloeit voor personen die in een Roemeense penitentiaire instelling worden gedetineerd, met name vanwege de overbevolking in de penitentiaire instellingen.
Uit het rapport van the Council of Europe anti-torture Committee (CPT) van 3 september 2026 blijkt, onder meer, het volgende.
“Executive summary: "During the visit, the delegation met persons in prison with special physical needs (ageing or with reduced mobility). Apart from an adapted cell in the women’s section of Craiova Prison, none of the prisons were appropriately designed or equipped to accommodate their needs. Structural adaptations and adjustments are required to ensure that these persons have access, on an equal basis with others, to reasonable accommodation and all essential facilities and services."
§ 159, p. 54: "At Craiova Prison, there was one FTE GP as well as 1.5 FTE contractual GPs. Nine general nurses (one contractual) and three specialist nurses (two in pharmacy and one in hygiene) were employed full-time. One FTE general nursing post was vacant. The nursing team ensured a round-a-clock presence on the main site. (...)
For a diverse male and female prison population consistently above 900 prisoners, including the unit for prisoners with severe mental health disorders, the prison should have access to the resources of at least three FTE GPs (that is input from an additional 0.5 FTE GP should be ensured). There is also a need to fill the vacant general nursing post, including in order to ensure round-the-clock nursing cover at the women’s section. In addition, the official staffing complements for general nurses should be increased bearing in mind that, for the time being, there can be no input from mental health nurses. Steps should also be taken to fill the vacant FTE dentist post."
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. Het meest recente CPT-rapport van 3 september 2026 ziet ook op de Craiova Prison, de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon volgens de verstrekte informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit na zijn overlevering geplaatst wordt. De verstrekte detentiegarantie biedt onvoldoende waarborgen om het reeds door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De opgeëiste persoon verplaatst zich soms met een rolstoel. Uit het CPT-rapport blijkt dat er zorgen zijn over de medische voorzieningen in de Craiova Prison.
De raadsman heeft de rechtbank subsidiair verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om de uitvaardigende justitiële autoriteit nadere vragen te stellen over de detentiegarantie voor de opgeëiste persoon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Het CPT-rapport van 3 september 2026 bevestigt het reeds door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar. Na zijn overlevering zal de opgeëiste persoon geplaatst worden in de Craiova Prison. De verstrekte detentiegarantie neemt het vastgestelde algemene gevaar voor de opgeëiste persoon weg. De opgeëiste persoon heeft de beschikking over minimaal 3 m2 persoonlijke ruimte en hij kan dagelijks voldoende tijd buiten zijn cel verblijven.
Oordeel van de rechtbank
Het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in Roemeense penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen ziet, gelet op de overbevolking, op de hoeveelheid vierkante meters persoonlijke ruimte exclusief sanitair waarover de opgeëiste persoon kan beschikken. Het CPT-rapport van 3 september 2026 bevestigt dit door de rechtbank reeds vastgestelde algemene gevaar.
De Roemeense autoriteiten hebben op 19 augustus 2026 ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“(...)
if [opgeëiste persoon] is transferred to Romania and detained in the
prison system in order to execute the pre-trial arrest warrant, he will most likely be
detained in the Craiova Penitentiary, in order to appear before the court on the
dates set by the judicial authorities in Dolj County (Dolj District Court), for which
summonses have been issued in his name.
(...)
The right to medical assistance, treatment and care
The sentenced persons’ right to medical assistance, treatment and care is
guaranteed, with no discrimination regarding their legal status. The right to medical
assistance includes medical intervention, primary health care, emergency medical
assistance and specialised healthcare. The right to health care includes both
medical care and terminal care.
Medical assistance, treatment and care in penitentiaries is being ensured by
qualified personnel, free of charge, according to the law, upon request or whenever
necessary.
Sentenced persons benefit, free of charge, according to the law, from care,
medical treatment and medicines.
(...)
With regard to the prospect of implementation of the measures included in the
‘the Action Plan for the period 2020-2025 developed with a view to implementing the
Rezmives and others v. Romania pilot judgment, as well as the judgments rendered in
the Bragadireanu v. Romania group of cases’’ and the number of prisoners in the
custody of the National Administration of Penitentiaries, as a result of the penal policies adopted by the Romanian state, the National Administration of Penitentiaries
guarantees that, during the entire term of the sentence, including the bed and furniture, without including the space for the sanitary group, he will benefit of a minimum personal space, thus:
(…);
- 3 sqm during the pre-trial arrest;
(…).”
Uit de door de Roemeense autoriteit verstrekte aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering ‘most likely’ geplaatst zal worden in de Craiova Prison.
Voor zover de raadsman heeft willen aanvoeren dat het individuele gevaar mede moet worden aangenomen vanwege de medische situatie van de opgeëiste persoon, overweegt de rechtbank allereerst dat het algemene gevaar niet ziet op de gezondheidszorg in Roemeense penitentiaire inrichtingen, nog daargelaten dat die stelling niet met stukken onderbouwd is. Daar komt bij dat de Roemeense autoriteiten in de detentiegarantie – gelet op het algemene gevaar: zonder noodzaak – een paragraaf hebben gewijd aan de medische voorzieningen. De rechtbank heeft ook geen reden om aan de juistheid van dit deel van de detentiegarantie te twijfelen. Het verweer van de raadsman slaagt niet.
De rechtbank ziet geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om de Roemeense autoriteit nadere vragen over de detentieomstandigheden te stellen en wijst het daartoe strekkende, subsidiair geformuleerde, verzoek van de raadsman af.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.
6 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
7. Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5 en 7 OLW.
8 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court Dolj, Roemenië voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.