Europees strafrecht
Vervolgings-EAB uit Polen. Artikel 6a OLW; opgeëiste persoon wordt gelijkgesteld met een Nederlander. T…
Rechtbank Amsterdam, 21 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10366 · Rechtbank Amsterdam · 21 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-10366
Zaakgegevens
Op 21 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 oktober 2026
- Datum publicatie
- 21 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-230263-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10366
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vervolgings-EAB uit Polen. Artikel 6a OLW; opgeëiste persoon wordt gelijkgesteld met een Nederlander. T erugkeergarantie is ontvangen. Artikel 11 OLW; het door de rechtbank vastgestelde algemene gevaar wordt door de verstrekte individuele detentiegarantie weggenomen.Overlevering toestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-230263-26 (EAB II)
Datum uitspraak: 21 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 14 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 18 februari 2020 door the Circuit Court in Sieradz, Polen, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1976 in [geboorteplaats] (Polen),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 7 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M. de Klerk, advocaat in Haarlem, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen, met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt the Decision of the District Court in Sieradz dated 5th April 2017 in the case No. II Kp 163/17.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Pools recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB.
4 Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten;
oplichting.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW
Verzoek van de raadsman
De advocaat heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Op die manier kan de opgeëiste persoon de straf in Nederland ondergaan als hij in Polen wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Uit het bericht van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van 18 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon in Nederland is geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger en dat de beschreven strafrechtelijke feiten er niet toe leiden dat hij zijn verblijfsrecht verliest. Door de uitvaardigende justitiële autoriteit is een terugkeergarantie verstrekt.
Oordeel van de rechtbank
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6, derde lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:
-
de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én
-
ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.
De eerste voorwaarde
Uit een brief van de IND van 18 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 30 mei 2022 in Nederland is geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger. Aan de eerste voorwaarde is voldaan.
De tweede voorwaarde
Uit de brief van de IND van 18 september 2026 volgt dat de strafrechtelijke antecedenten die zijn beschreven er niet toe leiden dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht verliest. Dit betekent dat ook aan de tweede voorwaarde is voldaan.
Garantie
De opgeëiste persoon kan op grond van artikel 6, derde lid, OLW worden gelijkgesteld met een Nederlander. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon naast de ononderbroken rechtmatige verblijfsduur zodanige banden heeft met Nederland dat hij uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie een eventuele straf beter in Nederland kan ondergaan dan in Polen. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland.De overlevering kan daarom worden toegestaan als is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon in Nederland de straf mag uitzitten als hij na overlevering in Polen wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf.
De District Court in Sieradz heeft op 28 september 2026 de volgende garantie gegeven ten aanzien van de opgeëiste persoon:
“If the state executing the warrant has surrendered the sought person on the condition that the sentence of imprisonment or other measure involving deprivation of liberty be served in that state, enforcement proceedings shall not be initiated.
In such a case, the court competent to hear the case shall, immediately after the judgment becomes final, issue an order transferring the convicted person to the competent European Union Member State for the purpose of executing the imposed sentence or other measure involving deprivation of liberty. A copy of the order, together
with a copy of the judgment subject to enforcement, shall be transmitted to the competent judicial authority of the state executing the warrant.
This means that, in the event of a conviction, the Polish court will be obliged to transfer the convicted person to the Netherlands for the purpose of serving the imposed sentence.”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.
6 Artikel 11 OLW: Poolse detentieomstandigheden
Inleiding
In eerdere uitspraken heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten van gedetineerden die in het remand regime in Polen terechtkomen. Het kernpunt hierbij is dat slechts 3 m2 persoonlijke ruimte (exclusief sanitair) is gegarandeerd voor de voorlopig gedetineerde, terwijl die veelal 23 uren per dag op zijn cel doorbrengt.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar van schending van de grondrechten voor gedetineerden die terecht komen in het remand regime, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Het enkele bestaan van gegevens die duiden op gebreken in dit regime, impliceert immers niet noodzakelijkerwijs dat, in een concreet geval, de grondrechten van de opgeëiste persoon bij overlevering zullen worden geschonden.
Om te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank dan ook verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten gezien de omstandigheden in het remand regime in Polen waar hij zal worden gedetineerd.
In het kader van dit onderzoek heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) op 10 september 2026 de volgende vragen gesteld aan de Poolse autoriteiten:
“1. In which remand prison will [opgeëiste persoon] most likely be detained after his surrender?
2. How much m2 personal space (excluding sanitary facilities) will [opgeëiste persoon] have in a multi-occupancy cell? In case [opgeëiste persoon] will be provided with an amount of personal space between 3 and 4 square meters (excluding sanitary facilities) in a multi-occupancy cell, could you please answer the following question(s):
3. Can you guarantee that the wanted person will be able to spend at least two hours per day outside of his cell?
4. If not, how many hours per day on average would [opgeëiste persoon] , under normal
circumstances, be able to spend outside his cell at a minimum if he took advantage of all opportunities offered to him to leave his cell?
The Court requests information on:
Which activities the wanted person can participate in;
The areas the wanted person can access daily (such as sport facilities, the library,
common rooms, etc.);
The frequency of such activities and how much time the wanted person can access
the common areas outside of the cell;
Whether the permission to participate in activities or access to common areas is
dependent on certain conditions or procedural rules and, if that is the case, which
conditions or procedural rules; and/or
Any other provisions or measures by which the Court can decide that the general
risk of ill-treatment has been discounted.”
Op 28 september 2026 heeft een rechter van de District Court in Sieradzde volgende informatie verstrekt.
“1. In accordance with general rules regarding the allocation of detainees, men held at the disposal of the Regional Prosecutor's Office in Sieradz are placed in the Sieradz Penitentiary located at [adres 2] .
2. Arrested persons are placed in multi-occupancy or single-occupancy cells. The living space per inmate in a cell is at least 3 square meters. The floor area of a living space does not include window or radiator recesses, areas located beyond internal security grilles, or partitioned sanitary corners,
3. A person held in pre-trial detention in a penitentiary facility is guaranteed the opportunity to spend at least two hours a day outside their cell, engaging in any forms of activity provided for by law (including, among others, participation in organized activities, outdoor exercise, and visits),
4. Upon potential placement in the Sieradz Penitentiary, [opgeëiste persoon] - as a person in pre-trial detention - will be able to participate in the following activities:
* outdoor exercise – daily, 1 hour
* educational talks - once a week, 1 hour
* day-room activities – daily - 1 hour 15 minutes
* outdoor activities - 4 times a week, 1 hour
* religious services - once a week, 45 minutes
* counseling and psychological sessions - approximately 20 minutes (depending on the needs of the detainees)
* concerts - once a quarter - 2 hours day-room activities - twice a week, 1 hour
* table tennis tournament - once a week, 2 hours
* interest groups - twice a week, 1 hour
Participation in activities and access to common areas take place according to a schedule and at the initiative of the arrested person (particularly regarding exhibitions, religious services, and interest groups), as well as
based on rights stemming directly from the Polish Code of Execution of Penalties (outdoor exercise).”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de behandeling van de zaak aan te houden om aanvullende vragen te stellen over de verstrekte detentiegarantie. Het bericht waarin de detentiegarantie wordt gegeven lijkt te zijn ondertekend door een rechter. Het is ongebruikelijk dat een magistraat een detentiegarantie verstrekt. Doorgaans wordt deze verstrekt door de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering geplaatst wordt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering kan worden toegestaan. Aan de uitvaardigende justitiële autoriteit wordt gevraagd te garanderen dat een vastgesteld algemeen gevaar voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen. Wie of welke instantie vervolgens op deze vraag reageert is niet relevant. Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat uitgegaan dient te worden van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie.
Oordeel van de rechtbank
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op de toezeggingen van de Poolse autoriteiten, van oordeel dat voor de opgeëiste persoon in het remand regime, waar hij na overlevering in zal worden geplaatst, geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. De rechtbank stelt vast dat uit de aanvullende informatie van 28 september 2026 en 6 oktober 2026 volgt dat de opgeëiste persoon een persoonlijke leefruimte van minimaal 3 m2 exclusief sanitair ter beschikking zal krijgen. Desgevraagd heeft een rechter van de District Court in Sieradzbevestigd dat de opgeëiste persoon, als hij ervoor kiest om aan alle aangeboden activiteiten deel te nemen, elke dag meer dan twee uur buiten zijn cel kan doorbrengen. Deze geboden garantie is voldoende om voor de opgeëiste persoon het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden in het remand regime in Poolse penitentiaire inrichtingen heeft aangenomen, weg te nemen.
De informatie over de detentieomstandigheden is verstrekt door de Poolse autoriteiten, niet zijnde de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte informatie. Dat het bericht waarin de informatie is gegeven afkomstig is van een rechter, maakt dit niet anders. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de behandeling van de zaak aan te houden om nadere vragen te stellen over de detentiegarantie en wijst het daartoe strekkende verzoek van de raadsman af.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsartikelen
De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Sieradz, Polen voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. D.L.S. Ceulen, voorzitter,
mrs. L. Sanders en E. de Rooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 21 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.