Europees strafrecht
Executie-EAB uit Roemenië. Art 12 OLW: afzien van weigeren. Roemeense detentieomstandigheden…
Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10457 · Rechtbank Amsterdam · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-10457
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-222578-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10457
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executie-EAB uit Roemenië. Art 12 OLW: afzien van weigeren. Roemeense detentieomstandigheden: detentiegarantie. Overlevering toegestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-222578-26 (EAB 1)
Datum uitspraak: 20 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 juni 2026 door the Galaţi Court, Roemenië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 2002,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland
gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. A. Petrescu, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft. De rechtbank stelt vast dat de ID-staat van de opgeëiste persoon als geboortedatum [geboortedag] 2002 vermeldt. Aangezien zowel het onderhavige EAB als een tweede EAB dat onder parketnummer 13-225533-26 aanhangig is [geboortedag] 2002 als geboortedatum vermeldt en de opgeëiste persoon ter zitting heeft bevestigd dat dit de juiste geboortedatum is, zal de rechtbank daarvan uitgaan.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Galaţi Court van 12 februari 2026, met kenmerk 238 en zaaknummer 4147/233/2025. Dit vonnis is onherroepelijk geworden bij beslissing van the Galaţi Court of Appeal van 28 mei 2026, met kenmerk 531/A/28.05.2026.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde arrest en hij moet deze straf ondergaan in Roemenië. Deze straf resteert volgens het EAB nog geheel.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW, nu de door het IRC gestelde vragen niet zijn beantwoord. Subsidiair moet de zaak worden aangehouden om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen om de aanvullende vragen van 30 september 2026 omtrent de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, zoals bedoeld in artikel 12 OLW, te beantwoorden.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat de rechtbank kan afzien van deze weigeringsgrond. De opgeëiste persoon heeft immers zelf hoger beroep ingesteld, zodat het op zijn weg had gelegen navraag te doen naar het verloop van de procedure. Indien de rechtbank dit gegeven onvoldoende acht om van de weigeringsgrond af te zien, moet de zaak worden aangehouden om de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit af te wachten.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing met kenmerk 531/A/28.05.2026 toetsen aan artikel 12 OLW.
Uit het EAB en aanvullende informatie van 30 september 2026 volgt dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de zitting die tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. De aan hem toegewezen advocaat, die hem ook in eerste aanleg heeft bijgestaan, was wel aanwezig op de zitting en heeft hem daar vertegenwoordigd. Het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie (IRC) heeft aanvullende vragen gesteld om te kunnen vaststellen of de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW zich voordoet en, zo nee, op welke wijze de opgeëiste persoon in staat is gesteld gebruik te kunnen maken van zijn verdedigingsrechten. De rechtbank ziet geen aanleiding om beantwoording van die aanvullende informatie af te wachten. Op basis van de thans beschikbare informatie komt de rechtbank al tot de conclusie dat, ook in het geval vastgesteld zal worden dat de situaties als bedoeld in artikel 12, sub a tot en met d, OLW zich niet voordoen en de overlevering dus op grond van artikel 12 OLW geweigerd zou kunnen worden, er redenen zijn om van toepassing van die weigeringsgrond af te zien. Daarvoor is het volgende van belang.
Uit het EAB, de aanvullende informatie van 30 september 2026 en het verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de veroordeling in eerste aanleg heeft geleid en is bijgestaan door een advocaat. Hij heeft daarbij op de zitting van 13 januari 2026 de ten laste gelegde feiten bekend. De rechtbank stelt daarom vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de beschuldiging en procedure tegen hem. Op 19 februari 2026 heeft de opgeëiste persoon, terwijl hij zich nog in verband met deze zaak in voorlopige hechtenis bevond, hoger beroep ingesteld. Vervolgens is de opgeëiste persoon op 28 maart 2026 in vrijheid gesteld, waarna hij volgens zijn eigen verklaring vrijwel direct naar Nederland is vertrokken. Niet is gebleken dat de opgeëiste persoon toen hij naar Nederland is gegaan, een adreswijziging aan de Roemeense autoriteiten heeft doorgegeven. Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij vanwege zijn vertrek naar Nederland niet op de hoogte is gekomen van de zitting in hoger beroep. Nu de opgeëiste persoon zelf het hoger beroep heeft ingesteld had het op zijn weg gelegen om contact te onderhouden met zijn advocaat of de Roemeense autoriteiten over de datum van de zitting in hoger beroep. Door direct na zijn vrijlating naar Nederland te vertrekken zonder ervoor te zorgen dat hij, al dan niet via zijn advocaat, op enigerlei wijze bereikbaar bleef voor de Roemeense autoriteiten is de opgeëiste persoon, zo hij al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid, op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank concludeert daarom dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. De mogelijk van toepassing zijnde weigeringsgrond van artikel 12 OLW staat niet aan de overlevering in de weg. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om nadere vragen te stellen.
5 Strafbaarheid
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het strafbare feit niet aangeduid als lijstfeit. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor het feit een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
diefstal.
6 Artikel 11 OLW: Roemeense detentieomstandigheden
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft haar zorgen geuit over de Roemeense detentieomstandigheden, ondanks de ten behoeve van de opgeëiste persoon verstrekte detentiegarantie. Het recente rapport van the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment (CPT) van 3 september 2026 moet leiden tot een uitbreiding van het reeds aangenomen algemeen gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling in verband met agressie van personeel tegen gedetineerden en geweld tussen gedetineerden onderling.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW niet aan overlevering in de weg staat. De geboden garantie neemt het reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon weg. Het recente CPT-rapport van 3 september 2026 maakt bovendien ook niet dat moet worden getwijfeld of de verstrekte garantie nog wel kan worden nageleefd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, waaronder met name de overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De rechtbank constateert dat het recente CPT-rapport van 3 september 2026 het reeds aangenomen algemeen gevaar van een onmenselijke en vernederende behandeling bevestigt. Uit het CPT-rapport blijkt niet dat de door de raadsvrouw gestelde problematiek met betrekking tot geweld tegen gedetineerden zich voordoet in de penitentiaire instellingen van Bucharest-Rahova en Brăila, waar de opgeëiste persoon volgens de aanvullende informatie van 26 augustus 2026 naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Immers blijkt uit het CPT-rapport dat het geweld tussen gedetineerden onderling over het algemeen beperkt is in ernst en frequentie in Bucharest Rahova Penitentiary, waarbij het personeel en het management passend reageerden op gemelde incidenten. Hoewel Brăila Penitentiary niet is bezocht door de CPT, heeft de rechtbank ook geen aanleiding om aan te nemen dat er zorgen zijn ten aanzien van Brăila Penitentiary als het gaat om geweld tussen gedetineerden onderling. Als het gaat om agressie van personeel tegen gedetineerden merkt CPT in haar rapport op dat sprake is van een aanzienlijk lager aantal meldingen van mishandeling in vergelijking met eerdere bezoeken. De raadsvrouw heeft ten aanzien van beide detentie-instellingen geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit het algemeen gevaar voor geweld tussen en tegen gedetineerden blijkt en de rechtbank is ambtshalve niet met dergelijke gegevens bekend. Daarom verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsvrouw voor zover zij heeft betoogd dat het reeds vastgestelde algemeen gevaar moet worden uitgebreid.
De Roemeense autoriteiten hebben op 26 augustus 2026 ten behoeve van de opgeëiste persoon een detentiegarantie verstrekt, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“If the individual deprived of liberty is handed over to the Romanian Authorities at Henri Coandă Airport in Bucharest, he will initially be placed in Bucharest-Rahova Penitentiary for a quarantine period of 21 days, in a cell providing a minimum space of 3 square meters. (…)
Considering the length of the sentence, it is most likely that the inmate will initially serve the custodial sentence under an open regime . Additionally, given their place of residence, it is likely that the inmate will begin serving their sentence at Brăila Penitentiary . (…)
The individual identified as [opgeëiste persoon], will benefit from an individual space of 3 m²: throughout the entire period of sentence execution, except during placement under the open regime, during which he will benefit from 4 m² , including the bed and associated furniture, but excluding the sanitary area . (…)
the National Administration of Penitentiaries guarantees that, throughout the sentence execution period, including the bed and corresponding furniture, without including the space designated for the sanitary area , the individual will benefit from a minimum individual space, as follows:
- 3 square meters during the quarantine and observation period; (…)
- 4 square meters in open regime.
The National Administration of Penitentiaries guarantees the execution of the custodial sentence throughout its entire duration, including during the quarantine and observation period, in decent conditions that ensure respect for human dignity. ”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. De rechtbank is, gelet op deze toezegging van de Roemeense autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Daarom vormen de detentieomstandigheden geen beletsel voor het toestaan van de overlevering.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 310 Wetboek van Strafrecht, en 2, 5, 7 en 12 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Galaţi Court, Roemenië, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.B.M. Wijnveldt, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder en mr. E.A. Harland, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.