Europees strafrecht
Executie-EAB uit Polen. Art 12 OLW: geen sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW…
Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10459 · Rechtbank Amsterdam · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-10459
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-203216-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10459
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executie-EAB uit Polen. Art 12 OLW: geen sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, OLW; afzien van weigeren. Overlevering toegestaan.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-203216-26
Datum uitspraak: 20 oktober 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 24 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 juni 2026 door the Circuit Court in Łódź, 18th Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1980 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
feitelijk verblijvende op het adres: [adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is in strijd met zijn schorsingsvoorwaarden niet verschenen. Zijn raadsman mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam, is wel verschenen. De raadsman heeft verklaard dat hij niet is gemachtigd de opgeëiste persoon ter zitting te vertegenwoordigen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Poolse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van the Circuit Court in Łódź van 9 november 2022, met kenmerk XVIII K 132/22. Dit vonnis is in stand gehouden door het arrest van the Court of Appeal in Łódź van 15 november 2023, met kenmerk II AKa 202/23.
De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging vaan een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en acht maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaren.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. De procedure in hoger beroep moet aan artikel 12 OLW worden getoetst. Uit de aanvullende informatie van 14 september 2026 blijkt dat sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder b, OLW.
Subsidiair kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Uit de aanvullende informatie van 14 september 2026 blijkt namelijk dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft gekregen, welke tevens zag op de procedure in hoger beroep, en de oproep is gezonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres terwijl hij Polen al had verlaten. De gemachtigde advocaat van de opgeëiste persoon was bovendien aanwezig bij de inhoudelijke behandeling.
Het oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van the Court of Appeal in Łódź van 15 november 2023, met kenmerk II AKa 202/23, aan artikel 12 OLW toetsen.
Uit het bij de aanvullende informatie van 14 september 2026 gevoegde onderdeel D), dat is ingevuld met betrekking tot de procedure in hoger beroep, blijkt dat de opgeëiste persoon een advocaat heeft gemachtigd om in hoger beroep zijn verdediging te voeren en dat deze advocaat tijdens het proces de verdediging daadwerkelijk heeft gevoerd. Bij de vaststelling of de opgeëiste persoon op de hoogte was van het van het voorgenomen proces, zoals vereist in artikel 12, onder b, OLW dient, gelet op het Khuzdar-arrest, voldaan te worden aan het vereiste dat de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot zijn veroordeling heeft geleid. Het Hof van Justitie van de Europese Unie benadrukt daarmee dat de betrokkene in staat moet worden gesteld om in persoon aanwezig te zijn bij de behandeling van zijn proces of om vrijwillig en ondubbelzinnig afstand te doen van zijn aanwezigheidsrecht. Deze waarborgen zijn essentieel voor de uitoefening van zijn verdedigingsrechten en voor de eerbiediging van het in artikel 47, tweede en derde alinea, en artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde recht op een eerlijk proces.
Het feit dat de opgeëiste persoon niet rechtstreeks op de hoogte is gesteld betekent niet noodzakelijkerwijs dat de voorwaarde, dat de opgeëiste persoon van het tijdstip en de plaats van het proces is kennis moet zijn gesteld, niet is vervuld. Bij die beoordeling moet bijzondere aandacht worden besteed aan de zorgvuldigheid die de overheidsinstanties in acht hebben genomen bij de kennisgeving van de terechtzitting aan de bij verstek veroordeelde persoon enerzijds en aan de zorgvuldigheid die deze persoon heeft betracht om de aan hem gerichte informatie in ontvangst te nemen anderzijds. Wanneer uit duidelijke en objectieve aanwijzingen blijkt dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet vermijdt dat hij officieel in kennis wordt gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting, kan die persoon worden geacht aan de voorwaarde te voldoen, mits de bevoegde nationale autoriteiten redelijke inspanningen hebben geleverd om de opgeëiste persoon te lokaliseren en hem in kennis te stellen van het tijdstip en de plaats van zijn proces.
Uit het dossier en verhandelde ter zitting blijkt dat de opgeëiste persoon tijdens het voorbereidend onderzoek ten behoeve van de procedure een adresinstructie heeft ontvangen. De oproep is gezonden aan het opgegeven adres, welke oproep door een huisgenoot is ontvangen. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis hiervan niet worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon rechtstreeks in kennis is gesteld als bedoeld in het Khuzdar-arrest. Daarnaast is niet gebleken van duidelijke en objectieve aanwijzingen dat de opgeëiste persoon, die er officieel van in kennis is gesteld dat hij ervan wordt beschuldigd een strafbaar feit te hebben gepleegd en dus weet dat er tegen hem een proces zal worden gevoerd, met opzet heeft vermeden dat hij officieel in kennis werd gesteld van het tijdstip en de plaats van de terechtzitting. De situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW doet zich daarom niet voor.
De rechtbank stelt daarom vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Uit de aanvullende informatie van 14 september 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon bij de procedure in eerste aanleg bij alle zittingen in persoon aanwezig is geweest, waaronder de zitting waarop het vonnis is uitgesproken. De opgeëiste persoon heeft vervolgens om een uitwerking van het vonnis verzocht, waarbij hij tevens zijn nieuwe adres heeft doorgegeven. De advocaat van de opgeëiste persoon heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Uit de aanvullende informatie van 14 september 2026 blijkt verder dat aan de opgeëiste persoon tijdens het voorarrest in de procedure in eerste aanleg, samen met de aanklacht, een adresinstructie is gegeven. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven. De oproeping voor de zitting in hoger beroep is verzonden naar het laatst door de opgeëiste persoon opgegeven adres en daar aangenomen door een volwassen huisgenoot.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van het strafproces tegen hem. Uit de omstandigheden dat de opgeëiste persoon, nadat hij op de hoogte was gebracht van het vonnis in eerste aanleg, een nieuw adres heeft opgegeven en dat de door de opgeëiste persoon gemachtigde advocaat vervolgens hoger beroep heeft ingesteld, leidt de rechtbank af dat de opgeëiste persoon ervan op de hoogte was dat zijn advocaat hoger beroep zou instellen en dat hij ermee rekening hield dat hij voor de zitting in hoger zou worden opgeroepen. De opgeëiste persoon is echter voordat de procedure in hoger beroep aanving naar Nederland vertrokken en verblijft, volgens zijn eigen verklaring, sindsdien niet meer in Polen. Uit niets blijkt dat hij een adres in Nederland heeft doorgegeven. Het had in die omstandigheden op zijn weg gelegen om ofwel contact te onderhouden met zijn advocaat en/of de Poolse autoriteiten over de stand van zaken in dat hoger beroep, ofwel bij de bewoner(s) van het laatst opgegeven adres te informeren over oproepingen voor de zitting in hoger beroep. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit arrest heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet daarom af van haar bevoegdheid de overlevering te weigeren.
5 Strafbaarheid
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft één van de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie.
Uit het EAB volgt dat voor dit feit naar het recht van Polen een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of het feit ook naar Nederlands recht strafbaar is.
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vier strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
telkens: opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden;
telkens: medeplegen van ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, en een zodanige administratie niet voeren.
6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.
Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.
7 Slotsom
De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.
8 Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 47 en 57 Wetboek van Strafrecht, 5 en 97 Wet op de accijns, 68 Algemene wet inzake rijksbelastingen en 2, 5, 7 en 12 OLW.
9 Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Łódź, 18th Criminal Division, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.B.M. Wijnveldt, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van E. Mulder en mr. E.A. Harland, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.