Europees strafrecht

Executie-EAB uit Polen. Art 12 OLW: afzien van weigeren. Art 6a OLW: niet voldaan aan de eerste voorwaarde…

Rechtbank Amsterdam, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
26 oktober 2026
Zaaknummer
13-240185-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10460
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB uit Polen. Art 12 OLW: afzien van weigeren. Art 6a OLW: niet voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling; gelijkstellingsverweer verworpen. Overlevering toegestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-240185-26

Datum uitspraak: 20 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 27 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 18 september 2024 the Regional Court in Poznań, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[de opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1995,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland

gedetineerd in het [detentieadres] ,

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 6 oktober 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Nowy Tomyśł van 27 juni 2022, met kenmerk II K 489/21.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van tien maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en hij moet deze straf ondergaan in Polen. Van deze straf resteren volgens het EAB nog negen maanden en 28 dagen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW moet worden geweigerd dan wel dat aanvullende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit moeten worden gesteld over de adresinstructie. Hoewel de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen, was het voor de opgeëiste persoon niet duidelijk dat hij adreswijzigingen moest doorgeven. Nu dit niet duidelijk was, zijn de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon niet gewaarborgd en moet er een verzetprocedure mogelijk worden gemaakt waarbij de zaak opnieuw inhoudelijk wordt beoordeeld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW van toepassing is, maar dat de rechtbank kan afzien van deze weigeringsgrond. Tijdens het verhoor van 26 augustus 2026 heeft de opgeëiste persoon namelijk erkend dat hij wist van de zitting en dat hij een adresinstructie heeft ontvangen. Dit komt overeen met onderdeel d) van het EAB. Vervolgens is de opgeëiste persoon naar Nederland vertrokken en heeft hij nagelaten om een adreswijziging door te geven aan de Poolse autoriteiten. De opgeëiste persoon heeft aldus onzorgvuldig gehandeld met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor de Poolse autoriteiten. Aanvullende informatie opvragen van de uitvaardigende justitiële autoriteit is daarom niet nodig.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.

Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat als volgt toe. Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon is gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en dat de oproepingen voor de zitting zijn verzonden naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij op de hoogte was van de verplichting om adreswijzigingen door te geven, is, zonder een concrete onderbouwing met objectieve stukken, onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de verstrekte informatie. De opgeëiste persoon is vervolgens naar Nederland vertrokken om te wonen en werken zonder een adreswijziging door te geven aan de Poolse autoriteiten. Bij zijn voorgeleiding heeft de opgeëiste persoon verklaard dat hij wel wist dat er een zitting zou gaan plaatsvinden, maar dat hij niet wist van de datum. Ook heeft hij toen verklaard dat hij verhoord is door de politie, dat hij zijn adres heeft opgegeven bij de politie en dat toen aan hem is gevraagd beschikbaar te blijven voor de politie. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de opgeëiste persoon van de procedure tegen hem op de hoogte was. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Bij zijn vertrek naar Nederland had het immers op zijn weg gelegen om ofwel conform de gegeven adresinstructie aan de Poolse autoriteiten zijn nieuwe correspondentieadres door te geven, ofwel zich op de hoogte te laten stellen van oproepingen die naar zijn oude adres werden verzonden. De conclusie is daarom dat overlevering van de opgeëiste persoon geen schending van zijn verdedigingsrechten oplevert, zodat er geen reden is om de weigeringsgrond van artikel 12 OLW toe te passen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.

5 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten niet aangeduid als lijstfeiten. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, als – kort gezegd – voldaan is aan de vereisten dat voor de feiten een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden is opgelegd aan de opgeëiste persoon en de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

telkens: diefstal door twee of meer verenigde personen.

6 Artikel 11 OLW: artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Het is aan de opgeëiste persoon om omstandigheden aan te voeren en aan te tonen waaruit blijkt dat hij dit gevaar ook daadwerkelijk loopt.

Omdat de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

7 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De overlevering van de opgeëiste persoon is gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk opgelegde vrijheidsstraf. De rechtbank kan de overlevering weigeren als de opgeëiste persoon gelijk kan worden gesteld met een Nederlander en de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan de volgende twee vereisten:

  1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000; én

  2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest als gevolg van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de wens van de opgeëiste persoon gedeeld om zijn straf in Nederland te ondergaan, ondanks dat niet aan de vereisten daartoe is voldaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander, omdat geen stukken zijn overgelegd die aantonen dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Weigering van de overlevering en strafovername door Nederland is daarom niet mogelijk.

Het oordeel van de rechtbank

De eerste voorwaarde

De opgeëiste persoon heeft geen gelijkstellingsstukken overgelegd en verblijft naar zijn eigen verklaring sinds mei 2022 in Nederland. Er is dus niet aangetoond dat sprake is van ten minste vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000.

Nu niet aan het eerste vereiste voor gelijkstelling is voldaan, behoeft het tweede vereiste geen bespreking meer. De rechtbank verwerpt het verweer.

8 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. De rechtbank staat daarom de overlevering toe.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 57 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [de opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Poznań, Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.

Deze uitspraak is gedaan door

mr. A.B.M. Wijnveldt, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en L. Baroud, rechters,

in tegenwoordigheid van E. Mulder en mr. E.A. Harland, griffiers,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 20 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. Zie artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW. Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4. Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (Openbaar Ministerie (Recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de uitvaardigende lidstaat)).