Europees strafrecht

Executie-EAB Polen. Overlevering geweigerd. Artikel 12 OLW. Niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste…

Rechtbank Amsterdam, 27 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
27 oktober 2026
Datum publicatie
28 oktober 2026
Zaaknummer
13-167439-26
Procedure
Eerste en enige aanleg
ECLI
ECLI:NL:RBAMS:2026:10615
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Executie-EAB Polen. Overlevering geweigerd. Artikel 12 OLW. Niet kan worden vastgesteld of de opgeëiste persoon op de hoogte was of behoorde te zijn van de behandeling van haar zaak in hoger beroep. Omdat de beslistermijn geen ruimte biedt om hierover de noodzakelijke nadere vragen te stellen, zal de overlevering worden geweigerd. De (geschorste) overleveringsdetentie wordt opgeheven.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-167439-26

Datum uitspraak: 27 oktober 2026

UITSPRAAK

op de vordering van 6 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 28 april 2026 door the Regional Court in Piotrków Trybunalski (Sąd Okręgowy w Piotrkowie Trybunalski), Polen, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] (Polen),

feitelijk verblijfsadres:

[adres]

hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1 Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 oktober 2026 in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. E. Boskma, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.

Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van the District Court in Piotrków Trybunalski van 6 december 2022 met kenmerk VII K 112/22, dat is gewijzigd door het arrest van the Regional Court Piotrków Trybunalski van 21 april 2023 met kenmerk IV Ka 188/23.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van zes maanden. De opgeëiste persoon is tot deze straf veroordeeld in het hiervoor genoemde vonnis en zij moet deze straf ondergaan in Polen.

De hiervoor genoemde veroordeling ziet op het feit zoals dat is omschreven in het EAB.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1

Inleiding

Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom de beslissing van the Regional Court Piotrków Trybunalski van 21 april 2023 met kenmerk IV Ka 188/23 toetsen aan artikel 12 OLW.

4.2

Standpunten van partijen

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft bepleit dat de overlevering dient te worden geweigerd, nu de opgeëiste persoon niet aanwezig was tijdens de procedure die tot het arrest heeft geleid en zij niet op de hoogte is gesteld van de zitting in hoger beroep. Ook is er geen reden om af te zien van weigering. De opgeëiste persoon is inmiddels in Polen een procedure gestart om uitstel te krijgen van de tenuitvoerlegging van de nog openstaande straf. Volgens de raadsman is (nog) niet bekend wanneer een beslissing wordt genomen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is, omdat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. Hoewel niet ondubbelzinnig uit het EAB blijkt op welke wijze de opgeëiste persoon in kennis is gesteld van het tijdstip en de plaats van het proces in hoger beroep, was zij wel op de hoogte van het voorgenomen proces. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een advocaat gemachtigd. Deze advocaat is op de zitting verschenen en heeft daadwerkelijk de verdediging gevoerd. Tot slot heeft deze advocaat op de zitting in Polen medegedeeld dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de datum van de zitting. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon bij haar voorgeleiding verklaard dat zij wel brieven van de rechtbank had ontvangen, maar zij ervanuit ging dat, nu zij werd bijgestaan door een advocaat, niet verplicht was om ter zitting te verschijnen. Er is bovendien arrest gewezen voordat de opgeëiste persoon naar Nederland vertrok. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond van toepassing is, maar dat van toepassing daarvan kan worden afgezien.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een beslissing in hoger beroep terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en die - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a of c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt. Evenmin is sprake van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW, zoals de officier van justitie heeft betoogd.

In onderdeel D) is de situatie van 1.c niet aangekruist en in de toelichting staat vermeld dat de aan de opgeëiste persoon toegewezen advocaat het hoger beroep heeft ingesteld en op de zitting in hoger beroep aanwezig was, maar uit het EAB blijkt niet dat deze advocaat ook gemachtigd was door de opgeëiste persoon om haar te vertegenwoordigen in het hoger beroep. De enkele mededeling van de opgeëiste persoon bij de voorgeleiding dat zij een gemachtigd advocaat had en dat zij ervanuit ging dat die advocaat voor haar naar de zittingen zou gaan, is onvoldoende om aan te nemen dat zij de advocaat had gemachtigd voor de procedure in hoger beroep. Die mededeling lijkt te zien op de procedure in eerste aanleg. Het had ook voor de hand gelegen dat als de advocaat was gemachtigd voor het hoger beroep, hiervan melding zou zijn gemaakt in het EAB. Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.

De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat als volgt toe.

Op basis van de informatie in het EAB kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure in hoger beroep. De opgeëiste persoon zou niet ter zitting in hoger beroep zijn verschenen, maar haar advocaat was wel aanwezig. Zoals hiervoor is overwogen blijkt echter niet of deze advocaat daartoe door de opgeëiste persoon was gemachtigd. Weliswaar staat in het EAB dat de opgeëiste persoon de oproeping voor de zitting in eerste aanleg in persoon in ontvangst heeft genomen, maar daaruit kan niet zonder meer worden afgeleid dat de opgeëiste persoon wist of behoorde te weten van een eventuele procedure in hoger beroep. Evenmin bevat het dossier andere informatie waaruit kan worden afgeleid dat de opgeëiste persoon op de hoogte was of behoorde te zijn van de procedure in hoger beroep. De enkele mededeling van de Poolse advocaat dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de datum van het hoger beroep is daartoe onvoldoende. Nu het EAB op dit punt geen nadere informatie bevat, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring die de opgeëiste persoon tijdens haar voorgeleiding heeft afgelegd, met de nodige terughoudendheid moet worden beoordeeld. Zij verklaarde daar dat zij aanwezig was bij een zitting van de Regional Court, maar voegde daaraan toe “als ik mij niet vergis”. Dat strookt niet met de informatie uit het EAB, waarin staat vermeld dat de opgeëiste persoon juist niet aanwezig was bij de zitting in hoger beroep.

In het licht van het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen of de opgeëiste persoon op de hoogte was of behoorde te zijn van de behandeling van haar zaak in hoger beroep, zodat de rechtbank evenmin kan vaststellen of de opgeëiste persoon ofwel (stilzwijgend) afstand heeft gedaan van haar recht om bij het proces in hoger beroep aanwezig te zijn, ofwel in dat kader van haar aanwezigheidsrecht kennelijk onzorgvuldig is geweest. Omdat de beslistermijn geen ruimte biedt om hierover de noodzakelijke nadere vragen te stellen, zal de overlevering worden geweigerd.

5 Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Daarom wordt de overlevering geweigerd.

6 Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 12 van de Overleveringswet.

7 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Regional Court in Piotrków Trybunalski (Sąd Okręgowy w Piotrkowie Trybunalski), Polen, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.

HEFT OP de – geschorste – overleveringsdetentie van [opgeëiste persoon] .

Deze uitspraak is gedaan door:

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. C. Klomp en H.P. Kijlstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Kole, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 oktober 2026.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Zie artikel 23 Overleveringswet. Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW. Zie onderdeel e) van het EAB. HvJ EU 21 december 2023, C-397/22, ECLI:EU:C:2023:1030 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 47 en HvJ EU 21 december 2023, C-398/22, ECLI:EU:C:2023:1031 (Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Verstekvonnis)), punt 32.