Europees strafrecht
Executie-EAB uit Frankrijk. Tussenuitspraak Artikel 12 OLW; afzien van toepassing van deze weigeringsgrond…
Rechtbank Amsterdam, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10675 · Rechtbank Amsterdam · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-10675
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-221170-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10675
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Executie-EAB uit Frankrijk. Tussenuitspraak Artikel 12 OLW; afzien van toepassing van deze weigeringsgrond. Artikel 11 OLW; het vastgestelde algemene gevaar wordt door de verstrekte detentiegarantie voor de opgeëiste persoon weggenomen. Heropenen en schorsen om in het kader van artikel 6a OLW het certificaat en een kopie van het vonnis op te vragen.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-221170-26
Datum uitspraak: 29 oktober 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 13 augustus 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 24 juli 2026 door the Prosecution Service at the Bordeaux Court of Appeal, Frankrijk, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1992 te [geboorteplaats] (Marokko),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
De zitting van 29 september 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op deze zitting, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door
mr. W.R. Jonk, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank geformuleerde vragen over de verstrekte verzetgarantie en de verstrekte informatie over de detentieomstandigheden aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
De zitting van 21 oktober 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze, in aanwezigheid van mr. E.M. Meppelink, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door mr. W.R. Jonk.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een arrest van the Criminal Appeals Division of the Bordeaux Court of Appeal van 25 juni 2026 en een arrestatiebevel van the Presiding Judge of the Criminal Appeals Division of the Bordeaux Court of Appeal van 25 juni 2026, beide met het kenmerk: BORDEAUX Judicial Court (TJ) no. 15-118-059.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert in het geheel. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
De hiervoor genoemde veroordeling ziet op de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB.
4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
Het EAB vermeldt in onderdeel d) het volgende:
“X no, the person did not appear in person at the trial resulting in the decision.”
en
“X 3.4 the person was not personally served with the decision, but
- the person will be personally served with this decision without delay after the
surrender, and
- when served with the decision, the person will be expressly informed of his or her
right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which
allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which
may lead to the original decision being reversed, and
- the person will be informed of the time frame within which he or she has to
request a retrial or appeal, which will be 10 days.
Counsel for [de opgeëiste persoon] lodged an appeal on the 7th of march 2023 against the first- instance judgment. the requested person was served with a summons to appear at his declared address. He did not appear at the appeal hearing and did not appoint a lawyer to represent him.
In the event of surrender, he will have the right to lodge an appeal (appeal to the French court of cassation) against the decision of 25 June 2026, which must be exercised within 10 days. ”
Op de zitting van 29 september 2026 heeft de rechtbank het onderzoek geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen.
“De rechtbank merkt op dat in de hiervoor weergegeven tekst de regel na het tweede liggende streepje (de passage over het recht op een nieuwe inhoudelijke procedure) in het EAB niet is vetgedrukt.
Klopt het dat de opgeëiste persoon, zoals opgenomen in die passage, een onvoorwaardelijk recht heeft op een nieuwe inhoudelijke procedure over de schuld en de straf?”
Op 1 oktober 2026 heeft het Internationale Rechtshulp Centrum (IRC), voor zover hier van belang, de volgende vraag aan de uitvaardigende justitiële autoriteit gesteld.
“X 3.4 The person was not personally served with the decision, but
- the person will be personally served with this decision without delay after the surrender, and
- when served with the decision, the person concerned will be expressly informed of his or her right to a retrial or appeal, in which he or she has the right to participate and which allows the merits of the case, including fresh evidence, to be re-examined, and which may lead to the original decision being reversed, and
- the person will be informed of the time frame within which he or she has to request a retrial or appeal, which will be 10 days.
(…).”
(…)1. Is it correct that the requested person – as reflected in the highlighted passage (toevoeging rechtbank: de onderstreepte passage) – has the unconditional right to a new procedure regarding the merits of the case, including his culpability and the sentence imposed?”
Op 1 oktober 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt.
“Further to your request for additional information regarding the surrender (substitut proceedings général) against [de opgeëiste persoon] , I can confirm, in my capacity as Deputy Prosecutor-General at the Bordeaux Court of Appeal, that the person concerned has a legal remedy against the decision of 25 June 2026. This remedy is an appeal on points of law (pourvoi en cassation), which must be lodged before the Cour de cassation within ten days.
The general principle is that the Cour de cassation is not a third-instance court: it does not rule on the facts or reassess the evidence, nor does it decide whether the person is guilty or what sentence should be imposed. Its main role is to ensure that the judges who ruled on the merits have correctly applied the relevant legal rule and that the procedure has been followed.
However, this review also extends to the reasoning underlying the decision. Although the Cour de cassation does not reconsider the merits of the case it may quash a decision if it’s reasoning is insufficient, contradictory or absent, including where this concerns the lower courts' assessment of the merits of the case. In doing so, the Cour de cassation ensures that the legal reasoning leading to the conviction is coherent and legally sound. As a result, if the Cour de cassation considers that the law has been breached or that the decision is insufficiently reasoned it quashes the ruling and generally refers the case back to another court of appeal. At the retrial, the court hearing the case may reassess all aspects of its merits, including whether the person is guilty and what sentence should be imposed.”
Op 12 oktober 2026 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit naar aanleiding van vragen van het IRC de volgende aanvullende informatie verstrekt.
“ [de opgeëiste persoon] has retained an attorney to file an appeal. It is mandatory to provide the defendant’s address at the time of the appeal.
[de opgeëiste persoon] was subsequently summoned to that address, and the summons is therefore deemed to have been served on him personally.
In an email dated April 30, 2026, his attorney stated that he was no longer representing [de opgeëiste persoon] . [de opgeëiste persoon] did not appear at the hearing and did not retain any attorney to represent him.”
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen en dat niet aan hem te wijten is. De opgeëiste persoon is in eerste instantie bij verstek veroordeeld op
28 februari 2018 tot vijf jaar gevangenisstraf. Na een eerdere weigering van de overlevering is tegen deze veroordeling op 17 mei 2022 verzet ingesteld door de Franse raadsman van de opgeëiste persoon. Dit heeft geleid tot een nieuwe procedure waarbij de opgeëiste persoon bij vonnis van 28 februari 2023 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar. Tegen dat vonnis is namens de opgeëiste persoon op 7 mei 2023 hoger beroep ingesteld. De opgeëiste persoon ontkent dat hij een raadsman heeft gemachtigd om namens hem dat hoger beroep in te stellen. Op 7 mei 2026 heeft de raadsheer van het Hof vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet op de zitting in hoger beroep verschenen was en dat de raadsman van de opgeëiste persoon zich op 30 april 2026 aan de zaak had onttrokken. Desondanks is de behandeling doorgegaan en is de opgeëiste persoon bij verstek veroordeeld op 25 juni 2026. De opgeëiste persoon was niet van het ingestelde hoger beroep en de zitting op de hoogte. De datum en tijdstip van de zitting zijn niet aan hem doorgegeven. Niet door de raadsman maar ook niet door de Franse autoriteiten, terwijl zij wisten dat de opgeëiste persoon in Nederland woonachtig is. Bij het instellen van het hoger beroep is het kantooradres van de raadsman opgegeven als adres waarop de opgeëiste persoon bereikbaar was. De oproep voor de zitting in hoger beroep is alleen naar dat adres gestuurd. Uit de arresten Höldermann en Khuzdarvolgt dat van de Franse autoriteiten inspanningen verwacht mogen worden om de opgeëiste persoon te bereiken. Van hen mag meer verwacht worden dan het alleen oproepen op het kantooradres van een raadsman die zich van de zaak heeft teruggetrokken, temeer nu een adres van de opgeëiste persoon in Nederland bekend was.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank kan afzien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW en dat de overlevering kan worden toegestaan. De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich kennelijk gemachtigd gevoeld om tegen het vonnis van 28 februari 2023 hoger beroep in te stellen. Bij het instellen van het hoger beroep is een adres opgegeven. De opgeëiste persoon is vervolgens op dat adres opgeroepen. Het had op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om contact te onderhouden met zijn raadsman. De opgeëiste persoon is op zijn minst onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een procedure in eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de beslissing in de laatste van die procedures relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. De rechtbank zal daarom het arrest van the Criminal Appeals Division of the Bordeaux Court of Appeal van 25 juni 2026, met kenmerk: BORDEAUX Judicial Court (TJ) no. 15-118-059 toetsen aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid. Ook is niet gebleken dat de opgeëiste persoon – kort gezegd – in persoon is gedagvaard of op andere wijze daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van het proces dat de beslissing aan hem is betekend en hij daartegen geen rechtsmiddel heeft ingesteld of daarvan uitdrukkelijk heeft afgezien.
De rechtbank is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 12, onder b, van de OLW niet aan de orde is, omdat geen sprake is geweest van een verdediging ter zitting in hoger beroep door een daartoe gemachtigde advocaat.
De rechtbank is voorts van oordeel dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 12, onder d, OLW. Weliswaar staat er voor de opgeëiste persoon een procedure in cassatie open, maar daarbij vindt blijkens de aanvullende informatie van 1 oktober 2026 geen behandeling van de zaak opnieuw ten gronde plaats. Deze cassatiemogelijkheid voldoet daarom niet aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW.
Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank de overlevering kan weigeren op grond van artikel 12 OLW.
De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij licht dat toe.
Uit de toelichting in onderdeel d) van het EAB blijkt dat de raadsman van de opgeëiste persoon hoger beroep heeft ingesteld. Uit de aanvullende informatie van 12 oktober 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon een raadsman heeft behouden (‘has retained an attorney’om hoger beroep in te stellen. Uit de vertaalde beslissing in hoger beroep die op de zitting van
29 september 2026 als bijlage bij de pleitnota is overgelegd, blijkt dat domicilie is gekozen bij de Franse raadsman mr. Julien Plouton in Bordeaux. De oproep voor de zitting die tot de beslissing in hoger beroep heeft geleid, is gezonden naar dat adres. Op grond van deze gegevens stelt de rechtbank vast dat sprake is geweest van een door de opgeëiste persoon ingeschakelde raadsman die gemachtigd was om het hoger beroep in te stellen. De opgeëiste persoon heeft weliswaar ontkend dat hij de raadsman daartoe gemachtigd had en dat hij niet wist van het hoger beroep, maar het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat de rechtbank uitgaat van de juistheid van de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is niet voldoende om hieraan te twijfelen. Dit geldt temeer nu de raadsman zich pas op 30 april 2026, en dus bijna drie jaar na het instellen van het hoger beroep, heeft onttrokken als gemachtigde advocaat. Het had op de weg van de opgeëiste persoon gelegen om gedurende de procedure in hoger beroep contact te houden met zijn raadsman en zich op de hoogte te houden van de voortgang van die procedure. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande dan ook vast dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Voor zover de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot het arrest heeft geleid, is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Zoals blijkt uit het EAB en de verstrekte informatie van 1 oktober 2026 is het arrest van 25 juni 2026 nog niet onherroepelijk, nu voor de opgeëiste persoon de mogelijkheid openstaat om daartegen cassatie in te stellen. Deze mogelijkheid laat echter onverlet dat met het arrest sprake is van een voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing, wat wordt bevestigd door het feit dat in onderdeel b) van het EAB tevens sprake is van een arrestatiebevel van 25 juni 2026 tegen de opgeëiste persoon. Zoals al is overwogen onder punt 3 is dus sprake van een EAB ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een in Frankrijk opgelegde vrijheidsstraf (een zogenaamd executie-EAB) .
5 Strafbaarheid
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de strafbare feiten aangewezen als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat voor deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf van minstens drie jaren kan worden opgelegd.
Dit betekent dat de rechtbank geen onderzoek doet naar de vraag of de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
6 De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zoals de rechtbank onder 3 en 4 heeft overwogen, is in dit geval sprake van een executie-EAB zodat artikel 6a OLW mogelijk van toepassing is. De rechtbank zal daarom geen acht slaan op de verstrekte terugkeergarantie.
Als artikel 6a OLW van toepassing is, zou de rechtbank de overlevering kunnen weigeren als de opgelegde straf door Nederland kan worden overgenomen. Op de zitting van 21 oktober 2026 is echter niet besproken of de opgeëiste persoon zich op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, OLW beroept en hebben de opgeëiste persoon en de officier van justitie hierover nog geen standpunten kunnen innemen. De rechtbank zal daarom het onderzoek heropenen en schorsen om de verdediging en de officier van justitie in de gelegenheid te stellen hierover op een volgende zitting hun standpunt naar voren te brengen. Tevens wordt de officier van justitie uit een oogpunt van efficiëntie verzocht om alvast het certificaat en het arrest op te vragen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit teneinde toestemming te verkrijgen de straf in Nederland ten uitvoer te mogen leggen.
Verlenging van de beslistermijn
Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid, OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Naar vaste jurisprudentie ziet de rechtbank de situatie waarin in het kader van de beoordeling van artikel 6a OLW de toezending van een certificaat en vonnis moet worden afgewacht als een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat in deze zaak sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, omdat pas gaandeweg de behandeling van het overleveringsverzoek duidelijk is geworden dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW mogelijk van toepassing is, partijen zich hierover nog moeten uitlaten en de rechtbank daarop vooruitlopend alvast om toestemming voor overname van de straf vraagt via toezending van een certificaat en het arrest door de daartoe bevoegde justitiële autoriteit. De rechtbank verlengt de beslistermijn daarom met 30 dagen op grond van dit artikel – zodat het onderzoek over niet al te lange tijd weer op zitting zal worden voortgezet – onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
7 Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd teneinde de opgeëiste persoon en de officier van justitie de gelegenheid te geven een standpunt in te nemen over de weigeringsgrond ex artikel 6a OLW en om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 6 genoemde informatie op te vragen.
VERLENGT de termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 30 dagen (eindigend op 1 december 2026), onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALT dat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn, dus uiterlijk op 17 november 2026, opnieuw op zitting wordt gepland.
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de advocaat.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. A.B.M. Wijnveldt en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.