Europees strafrecht
Maltees vervolgings-EAB. Tussenuitspraak. Art. 11 OLW: Aan de orde is een mogelijk reëel gevaar van schending…
Rechtbank Amsterdam, 29 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10694 · Rechtbank Amsterdam · 29 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/europees-strafrecht/eerste-en-enige-aanleg/ecli-nl-rbams-2026-10694
Zaakgegevens
Op 29 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak over europees strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 29 oktober 2026
- Datum publicatie
- 29 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13-161866-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Europees strafrecht
- Procedure
- Eerste en enige aanlegEerste en enige aanlegEr is maar één rechter die over de zaak beslist; hoger beroep is niet mogelijk.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10694
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Maltees vervolgings-EAB. Tussenuitspraak. Art. 11 OLW: Aan de orde is een mogelijk reëel gevaar van schending van grondrechten van de opgeëiste persoon met betrekking tot de detentieomstandigheden in de gevangenis op Malta, dat ziet op artikel 4 Handvest, dat een verbod op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling bevat, als ook op artikel 7 Handvest, waarin het recht op eerbiediging van privéleven is vastgelegd. De rechtbank heropent het onderzoek om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de Maltese autoriteiten na te gaan of een effective remedy bestaat tegen een mogelijke schending van artikel 7 Handvest vanwege het ontbreken van afscherming van het toilet in een meerpersoonscel en om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het voornemen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13-161866-26
Datum uitspraak: 29 oktober 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 8 juni 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juni 2026 door the Court of Magistrates, Malta (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon]
geboren in [geboorteplaats] (Peru) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.
1 Procesgang
Zitting van 28 juli 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 28 juli 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. H.O. de Boer, advocaat te Rijen, en door een tolk in de Spaanse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd.
Ook heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tussenuitspraak 11 augustus 2026
De rechtbank heeft op 11 augustus 2026 een tussenuitspraak gewezen waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de in de tussenuitspraak geformuleerde vraag over de detentieomstandigheden voor te leggen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Tevens is de raadsman in het kader van artikel 6 OLW in de gelegenheid gesteld nader te onderbouwen dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander.
Zitting van 17 september 2026
Op de zitting van 17 september 2026 heeft de rechtbank – met instemming van de partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door mr. H.O. de Boer, advocaat in Rijen, en door een tolk in de Italiaanse taal.
Tussenuitspraak van 1 oktober 2026
De rechtbank heeft op 1 oktober 2026 een tussenuitspraak gewezen waarbij het onderzoek opnieuw is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nogmaals nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Zitting van 15 oktober 2026
Op de zitting van 15 oktober 2026 heeft de rechtbank – met instemming van de partijen – de behandeling van het EAB in gewijzigde samenstelling voortgezet in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is wederom bijgestaan door mr. H.O. de Boer, advocaat in Rijen, en door een tolk in de Italiaanse taal.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat zij de Italiaanse en Peruaanse nationaliteit heeft.
3 Tussenuitspraak van 11 augustus 2026
De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 11 augustus 2026 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de genoegzaamheid (onder 3.1), de strafbaarheid van het feit (onder 4) en de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW (onder 8). Hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
4 Tussenuitspraak van 1 oktober 2026
De rechtbank stelt vast dat in de tussenuitspraak van 11 augustus 2026 is geoordeeld over artikel 6 (onder 4). Hetgeen de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
5 Artikel 11 OLW: detentieomstandigheden
Inleiding
De rechtbank verwijst naar de overwegingen met betrekking tot de detentieomstandigheden in de tussenuitspraken van 11 augustus 2026 (onder 6) en 1 oktober 2026 (onder 5), die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
Het Internationaal Rechtshulpcentrum van het Openbaar Ministerie heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak van 1 oktober 2026 op 2 oktober 2026 de volgende nadere vragen gesteld aan de Maltese autoriteiten:
“1. Can you indicate which cells (including details regarding their layout) in the women's wing of the Corradino Correctional Facility have a screened toilet, and which cells do not?
2. Regarding the cells with a screened toilet, can you indicate whether this is a fully screened toilet or only a partially screened one? In the latter case, can you describe the method of screening?
3. In the instances that an unscreened or only partially screened toilet is present in a multi-occupancy cell, how are the detainees' privacy and the hygiene within the cell guaranteed?
Bij brief van 9 oktober 2026 heeft de Correctional Services Agency de volgende informatie verstrekt:
“With reference to a request received from the Dutch Authorities for additional information
concerning the sanitary facilities within the Female Section of the Corradino Correctional
Facility, the following clarifications are provided:
1 Configuration of the Sanitary Facilities
All cells within the Female Section are equipped with an in-cell sanitary facility. Where a cell
accommodates two persons, the sanitary facility is shared between both occupants. The sanitary area is not contained within a separate, fully enclosed compartment and is not structurally separated from the remainder of the cell by a floor-to-ceiling partition.
2 Screening Arrangements
The in-cell sanitary facilities are not fully screened by means of a permanent floor-to-ceiling
partition. Accordingly, they cannot presently be described as fully screened sanitary facilities.
3 Privacy and Hygiene Arrangements
As regards hygiene, occupants are provided with cleaning and disinfecting products, including disinfectant and bleach, for the regular cleaning of the cell and sanitary area. Cleaning of the cell, including the sanitary area, forms part of the required cell-cleaning routine.
As regards privacy, where a cell accommodates two persons, both occupants remain within the same cell during periods of lock-up, including overnight. Consequently, where one occupant needs to use the sanitary facility during such periods, the other occupant may also be present within the cell.
4 Common Areas and out-of-cell arrangements
By way of supplementary information, the following common areas are available within
Female B:
-
Internal common area: 127 m2
-
Outdoor common area: 85.5 m2
Furthermore, detainees are permitted to spend time outside their cells during the following
periods:
-
Morning: 08:00 to 12:00
-
Afternoon and evening: 14:00 to 19:30
These arrangements provide for a total of 9 hours and 30 minutes of out-of-cell time per day,
during which persons in prison may make use of the designated common areas, subject to the
applicable operational arrangements.”
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW in de weg staat aan overlevering. Er is sprake van een reëel gevaar dat de opgeëiste persoon in de uitvaardigende
lidstaat wordt gedetineerd en daar dan onmenselijk of vernederend zal worden behandeld, wegens het aantal vierkante meters aan persoonlijke ruimte en het gebrek aan privacy en hygiëne in de dubbel bezette cellen, in verband met onafgeschermde (en vieze) toiletten. Ook de gebrekkige ventilatie en de daarmee samenhangende hitte in de zomer van 2027 dragen hieraan bij, indien de opgeëiste persoon dan nog in voorarrest verblijft. Er zijn dus meerdere verzwarende materiële omstandigheden zodat ook in meerpersoonscellen met een persoonlijke leefruimte van tussen 3 en 4 m2 sprake is van schending van artikel 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). Volgens de raadsman is beantwoording de vraag of een schending van artikel 7 Handvest (eveneens) aan de overlevering in de weg kan staan daarom niet relevant.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest voor zover dat ziet op het gebrek aan persoonlijke leefruimte in een meerpersoonscel voor de opgeëiste persoon wordt weggenomen door de aanvullende informatie van 27 juli 2026, waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon wordt geplaatst in een tweepersoonscel van 4 x 3 meter inclusief sanitaire voorzieningen die 1 m2 in beslag nemen. Ten aanzien van dat aspect is volgens de officier van justitie geen sprake van een individueel gevaar. De omstandigheid dat in die cel geen sprake is van een afgeschermd toilet, hetgeen een schending van artikel 7 Handvest zou kunnen opleveren, kan niet aan overlevering in de weg staan. Alhoewel het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) in de zaak GN de grondrechten waaraan kan worden getoetst heeft uitgebreid met de artikelen 7 en 24 Handvest, betekent niet dat iedere schending van die grondrechten een uitzonderlijke omstandigheid oplevert die tot weigering van de overlevering kan leiden. Daarbij is van belang dat, anders dan bij artikel 4 Handvest dat een absoluut grondrecht behelst, op het in artikel 7 Handvest bedoelde recht op eerbiediging van het privé-leven gerechtvaardigde inbreuken mogelijk zijn, zoals mogelijk in het geval er door een bevoegde instantie een detentietitel is afgegeven. In dit geval is de inbreuk op de eerbiediging van het privé-leven vanwege het gebrek aan een afgeschermd toilet bovendien niet zodanig dat kan worden gesproken van een uitzonderlijke inbreuk op artikel 7 Handvest.
Oordeel van de rechtbank
Aan de orde is een mogelijk reëel gevaar van schending van grondrechten van de opgeëiste persoon met betrekking tot de detentieomstandigheden in de gevangenis op Malta, dat ziet op artikel 4 Handvest, dat een verbod op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling bevat, als ook op artikel 7 Handvest, waarin het recht op eerbiediging van privéleven is vastgelegd. De rechtbank zal beide grondrechten afzonderlijk behandelen.
Artikel 4 Handvest
Op basis van de op dat moment voorhanden zijnde informatie over de vrouwenafdeling in Corradino Correctional Facility, overwoog de rechtbank in de tussenuitspraak van 1 oktober 2026 dat een reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 Handvest bestaat voor vrouwelijke gedetineerden in die detentie-instelling. De rechtbank stelde vast dat sprake is van een algemeen reëel gevaar dat vrouwelijke gedetineerden in Corradino Correctional Facility in een meerpersoonscel over minder dan 3 m² persoonlijke leefruimte exclusief sanitaire faciliteiten kunnen beschikken en dat de beperking van de persoonlijke leefruimte niet enkel voor korte tijd, bij gelegenheid en in geringe mate is. Uit de aanvullende informatie van 27 augustus 2026 blijkt namelijk dat, op enkele uitzonderingen na, de cellen van 6 m² inclusief sanitair (die oorspronkelijk voor één gedetineerde bedoeld waren) door twee gedetineerden worden bezet. Dit betekent dat een gedetineerde over minder dan 3 m² persoonlijke leefruimte exclusief sanitair kan beschikken. Tevens blijkt immers uit de voornoemde aanvullende informatie dat dit staande praktijk is.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding om ook ten aanzien van meerpersoonscellen met een persoonlijke leefruimte van tussen de 3 en 4 m2 of méér dan 4 m2 (exclusief sanitair) een algemeen gevaar van schending van artikel 4 Handvest aan te nemen vanwege slechte materiële omstandigheden. Met betrekking tot de omstandigheden in de cel ten tijde van extreme hitte in de zomer geldt dat, voor zover al zou komen vast te staan dat de inmiddels genomen maatregelen daaromtrent niet volstaan, deze omstandigheden zich in elk geval niet zullen voordoen voor de zomer van 2027. Uit de aanvullende informatie van 27 augustus 2026 blijkt immers dat de Maltese autoriteiten verwachten dat tegen die tijd verkoelende ventilatiesystemen in de cellen zullen zijn geïnstalleerd. Dan resteert de omstandigheid dat de sanitaire voorzieningen in de meerpersoonscellen niet (volledig) zijn afgeschermd. Uit uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat een dergelijke omstandigheid op zichzelf (dus zonder bijkomende slechte materiële detentieomstandigheden), ook bij persoonlijke leefruimte tussen de 3 en 4 m2 (exclusief sanitair), weliswaar leidt tot schending van artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), maar niet een onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM oplevert. Alhoewel het EVRM het minimale beschermingsniveau van het Handvest bepaalt, ziet de rechtbank geen aanleiding om te veronderstellen dat artikel 4 Handvest op dit punt meer bescherming beoogt te bieden.
De vaststelling van een algemeen reëel gevaar voor schending van artikel 4 Handvest voor vrouwelijke gedetineerden die terechtkomen in Corradino Correctional Facility, kan op zichzelf niet tot weigering van de overlevering leiden. Teneinde te verzekeren dat artikel 4 Handvest in het concrete geval wordt geëerbiedigd, is de rechtbank verplicht om na te gaan of er, in de omstandigheden van het geval, gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na haar overlevering aan Malta een reëel gevaar zal lopen van schending van dat grondrecht gezien de omstandigheden in de penitentiaire inrichting in Corradino Correctional Facility waar zij zal worden gedetineerd.
In de aanvullende informatie van 27 juli 2026, afkomstig van de Correctional Services Agency in Malta, die de leiding uitvoert over Corradino Correctional Facility, staat het volgende vermeld over de cel waarin de opgeëiste persoon zal worden geplaatst:
“Subject will be placed in a double occupancy cell. Average double-occupancy cell size is of 4m x 3m inclusive of a 1m2 area for a partitioned sanitary facility. 11m2 of living space remain for maximum number of 2 persons. In line with Council of Europe standards, there are 4m2 of living space per prisoner in a double-occupancy cell.”
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande brief. . De rechtbank is, gelet op de op 27 juli 2026 afgegeven garantie die specifiek op de opgeëiste persoon ziet, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 Handvest. Het algemene gevaar, dat de rechtbank ten aanzien van de detentieomstandigheden voor vrouwelijke gedetineerden in Corradino Correctional Facility heeft aangenomen, wordt door de garantie immers uitgesloten ten aanzien van de opgeëiste persoon, nu voor haar in die detentie-instelling een persoonlijke leefruimte van minimaal 4 m2 (exclusief sanitaire voorzieningen) wordt gegarandeerd. Er is voor haar dus in het geval zij naar Malta overgeleverd wordt, geen sprake meer van gevaar op een onmenselijke of vernederende behandeling.
Artikel 7 Handvest
Alhoewel met de voornoemde garantie het risico op schending van artikel 4 Handvest is weggenomen, roept de op 12 oktober 2026 verschafte aanvullende informatie over het ontbreken van de afscherming van de toiletten in de cellen de vraag op of een mogelijke schending van artikel 7 Handvest aan de overlevering in de weg zou kunnen staan. Uit die informatie, gelezen in samenhang met het CPT-rapport van 10 juli 2025 en de aanvullende informatie van 27 augustus 2026, leidt de rechtbank af dat de toiletten in alle cellen die door meerdere gedetineerden worden gedeeld niet (volledig) zijn afgeschermd. Uit de hiervoor genoemde uitspraken van het EHRM kan worden afgeleid dat hiermee het recht op eerbiediging van het privéleven van de gedetineerden wordt geschonden, welk grondrecht in het Handvest wordt gewaarborgd in artikel 7. In de zaak GN heeft het Hof van Justitie EU geoordeeld dat artikel 7 Handvest in samenhang met artikel 24 Handvest in een concreet geval aan overlevering in de weg zou kunnen staan en dat dit aan de hand van de tweestapstoets moet worden beoordeeld. Die zaak betrof evenwel een moeder die in detentie mogelijk zou worden gescheiden van haar zeer jonge minderjarige kinderen en is daarom niet zonder meer vergelijkbaar met de situatie in de onderhavige zaak waarin artikel 24 Handvest niet aan de orde is. Daarbij komt dat iedere detentie in min of meerdere mate het recht op eerbiediging van het privéleven schendt, maar dat dergelijke beperkingen van het in artikel 7 Handvest bedoelde grondrecht met inachtneming van het bepaalde in artikel 52 Handvest in bepaalde gevallen zijn toegestaan. Voorstelbaar is dat de beperking als in het onderhavige geval, waarbij de gedetineerde genoodzaakt is van het toilet gebruik te maken in het bijzijn van een medegedetineerde, stuit op het evenredigheidsvereiste van artikel 52 Handvest en daarmee niet toelaatbaar is. Dat laat echter onverlet dat het Unierecht mogelijk meebrengt dat een dergelijke schending van artikel 7 Handvest niet aan een overlevering in de weg kan staan, maar na overlevering in de uitvaardigende lidstaat dient te worden aangekaart. De rechtbank ziet zich dus met name voor de vraag gesteld of een reëel risico van schending van artikel 7 van het Handvest, vanwege het ontbreken van afscherming van het toilet in een meerpersoonscel, aan overlevering in de weg kan staan en, zo ja, of daarbij de voornoemde tweestapstoets moet worden gehanteerd.
De rechtbank is voornemens hierover prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Het onderzoek zal worden heropend zodat partijen zich op een nadere zitting kunnen uitlaten over dit voornemen en eventueel suggesties kunnen doen voor aan het Hof van Justitie te stellen vragen. Daarbij merkt de rechtbank op dat niet kan worden uitgesloten dat voor de beantwoording van die vragen mede van belang is of in Malta een effective remedy bestaat tegen een mogelijke schending van artikel 7 van het Handvest als hiervoor bedoeld. De rechtbank verzoekt de officier van justitie om hierover nadere informatie op te vragen bij de Maltese autoriteiten.
De rechtbank merkt ten slotte op dat het stellen van prejudiciële vragen niet meer relevant zou zijn in deze zaak indien de Maltese autoriteiten zouden garanderen dat de opgeëiste persoon na overlevering zonder medegedetineerde wordt geplaatst in een cel van 6 m2 inclusief sanitaire voorzieningen zodat er van eventuele schending van de privacy op dit punt geen sprake meer kan zijn. De rechtbank geeft de officier van justitie in overweging een dergelijke nadere garantie te vragen aan de Maltese autoriteiten.
Verlenging van de beslistermijn
De beslistermijn is reeds twee maal eerder, bij de tussenuitspraken van 11 augustus 2026 en
1 oktober 2026, verlengd met 30 dagen tot 31 oktober 2026. Artikel 22, vijfde lid, OLW bepaalt dat de rechtbank in het uitzonderlijke geval, bedoeld in het vierde lid, onderdeel b, de beslistermijn met telkens dertig dagen kan verlengen. Nu de rechtbank onderzoek doet naar een reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon, als bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW zal zij de beslistermijn nogmaals met dertig dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De beslistermijn loopt nu tot 30 november 2026.
6 Beslissing
HEROPENT en SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd om
-
de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de Maltese autoriteiten na te gaan of een effective remedy bestaat tegen een mogelijke schending van artikel 7 van het Handvest vanwege het ontbreken van afscherming van het toilet in een meerpersoonscel;
-
partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het voornemen prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie;
VERLENGT op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen zij op grond
van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met 30 dagen, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen;
VERLENGT op grond van artikel 27, derde lid, OLW de geschorste overleveringsdetentie
van de opgeëiste persoon met 30 dagen;
BEPAALT dat de zaak opnieuw wordt ingepland op een zitting uiterlijk veertien dagen vóór het 30 november 2026 (het einde van de verlengde beslistermijn);
BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan haar raadsman;
BEVEELT de oproeping van een tolk in de Italiaanse taal tegen een nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. O.P.M. Fruytier en H.P. Kijlstra, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. B.C.M. Burger, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 oktober 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.